De frisse geur van rente

Er zijn vele criteria volgens welke men kunstwerken kan beoordelen, en daaronder zou trefzekerheid wel eens een van de belangrijkste kunnen zijn. Of een werk nu figuratief of abstract, atonaal of harmonisch, mystiek of zakelijk van karakter is, in alle gevallen staat of valt zijn succes met de juiste noot of zin op de juiste plek. Hoe geniaal of geïnspireerd je ook bent, in het heetst van de strijd moet je kunnen vertrouwen op vakmanschap. Ook Albert Ayler en Jackson Pollock beheersten hun ambacht.

Of het nu komt doordat Alexis de Roode (1970) een nieuw terrein heeft aangeboord of doordat zijn dichterschap gewoon gerijpt is, in elk geval is Een steen openvouwen, zijn vierde bundel, een wonder van trefzekerheid. Misschien zijn niet alle gedichten wereldschokkend in hun conceptie, maar elke zin is raak, wellicht juist door de bedrieglijke eenvoud en toegankelijkheid van wat hij schrijft, al speelt de politieke urgentie beslist een rol. De Roode moest zich uitspreken. Dat wat hij vertelt vaak nogal voor de hand ligt, is geen bezwaar, dat geldt immers voor het grootste deel van de poëziegeschiedenis. Het gaat erom welke woorden je kiest en waar je ze neerzet.

De strofe waarmee de bundel opent is meesterlijk:

Ik ben vandaag in dienst getreden van het goede,
met inzet van al mijn beperkte middelen,
om de wereld tot een betere planeet te maken.

Wie mocht denken dat hier een dichter aan het woord is die het belang van zijn poëzie benadrukt, wordt direct uit de droom geholpen. De ik is een fout personage dat erop uit is de schepping te verbeteren, ‘de inborst van de mens’ af te werken en de Deugd opnieuw op het schild te hijsen. ‘Omdat ik voor het goede ga werken, is mijn salaris enorm.’

In de gedichten die volgen wordt een beeld geschetst van bedrijven, of misschien is het steeds hetzelfde bedrijf, waarin de protagonist voortvarend zijn taken uitvoert. In het tweede gedicht is er al sprake van een kamp waarin duizenden lijken liggen opgestapeld en waar de discipline onder het personeel hersteld moet worden. Als je een ideaal hebt, aldus de verteller, kun je bergen verzetten. ‘Eind augustus had ik de zaak op orde.’ In Organogram komt de structuur van de organisatie tot leven. De kamer van de financieel manager is groot en onzichtbaar: ‘Als je binnentreedt zie je de/ leegte, koel als cijfers, schitterend’. Een verdieping lager huist de commercie. ‘Nog lager worden de karkassen verwerkt.’

uit: ‘Politeia’:

Ik wil niemand uitroeien,
maar als ik per se iemand moest uitroeien,
zouden het de Zwitsers zijn.
De Russen kunnen we ook wel missen.
Russen eruit, zonnepanelen erin.
Het is tijd voor realisme in Den Haag.

Mijn lievelingsstaatsvorm is
de constitutionele dictatuur.
Met een ceremoniële dictator
aan het hoofd die lintjes doorknipt
en tot zijn dood aan de macht blijft.
Dan wordt hij gelyncht door het volk.

Misschien overspeelt De Roode zijn hand met de wat al te grappige brief waarin de jonge Kurt zijn komst naar het Treblinka II-team aankondigt: ‘Ik heb er veel zin in! Doen waar ik voldoening uit haal bij een bedrijf dat bij mijn waarden aansluit.’ Hij vond het werk in vernietigingskamp Belzec erg leuk en uitdagend, maar opteert nu voor een klus die op alle vlakken bij hem past. Dit lijkt smakeloos en gemakzuchtig effectbejag, maar doordat de tekst is ingebed in een reeks verhalen over mensen die tegen de klippen op hun best doen, die soms onder werktijd naar de wc gaan om te vloeken, ‘uiting te geven aan dwanghandelingen’ of ‘vijf minuten hysterisch te huilen’, ontstaat de suggestie dat de banaliteit van het kwaad, om met Hannah Arendt te spreken, niet is voorbehouden aan vernietigingskampen.

Het kwaad figureert in vele gedaanten. De Roode laat zich uit over consumentisme en de onuitputtelijke drang te natuur te willen beheersen, over Vladimir Poetin en Eric Harris (die in 1999 het bloedbad aanrichtte op Columbine High School), en hij wijdt enkele gedichten aan kinderen die door hun ouders of verzorgers zijn vermoord. Dat laatste onderwerp behandelt hij niet bepaald zachtzinnig, door alle gruwelijkheden op een onderkoelde toon te registreren, met details die ontleend kunnen zijn aan rechtbankverslagen: ‘De volgende ochtend was Scotts gezicht opgezwollen. Hij weigerde opnieuw toast te eten, dus Jillian en Gary bonden hem vast aan een stoel met tape en sloegen hem tot hij niet meer bewoog.’ Opnieuw: dit lijkt iedere subtiliteit te ontberen, maar dankzij de context werkt het genadeloos.

Ongeveer halverwege de bundel staat het titelgedicht, Een steen openvouwen, dat een poëtisch programma behelst. De dichter draagt zichzelf en de lezer op de essentie van de dingen te zoeken en te bestuderen door van perspectief te wisselen: ‘Kantel de regels om het riet te zien.’ Vooralsnog is alles onzichtbaar, de letters, de woorden, de betekenis, het denken, de ziel en zelfs het riet. Dat is ondraaglijk:

Ik wil in een tv wonen.
Ik wil een steen openvouwen.
Ik wil de binnenkant van elk ding zien.
Ik ben bijna dood met nog veertig jaar te gaan.

De dichter zingt, de dichter zwijgt, uiteindelijk blijkt ook hij een ding waarvan de binnenkant niet valt te doorgronden. ‘De dichter is onzichtbaar’, zegt hij, om te besluiten met een onverwachte uitsmijter: ‘Wij mogen het riet platbranden.’

In deze bundel krijgen we de binnenkant van de dingen niet te zien, want zelfs waar een gelikte façade tevergeefs een weerzinwekkende realiteit aan het zicht poogt te onttrekken, blijven de diepste drijfveren van de mensen en de systemen onbegrijpelijk. We willen het goede, we willen ons best een beetje inspannen, maar kijken liever de andere kant op wanneer er slachtoffers vallen. Dat is bekend, en natuurlijk lost De Roode de ongrijpbaarheid van het geweld niet op. Waar hij wel in slaagt is commerciële, bedrijfskundige en politieke clichés op zo’n manier te vervormen dat je tegelijkertijd schrikt en in de lach schiet. ‘De internationale banken/ hebben grote blokken lucht opgestapeld.’ Hup, aan de slag:

Overal in de kosmos zweeft
weer de frisse geur van rente.