De fundamentalisten van de woninginrichting

De belangrijkste verworvenheid van het vergevorderde postmodernisme is dat we ons huis mogen inrichten zoals we dat zelf willen. Er zijn geen normen meer voor verantwoord wonen. Er treden geen strenge smaakmakers meer op. Er zijn alleen nog de verborgen verleiders van de consumptiemaatschappij. Onze stoelen, tafels en bankstellen moeten er aardig uitzien en beantwoorden aan hun functie. Wel heerst in bepaalde kringen de mening ‘hoe duurder hoe mooier’, maar dat moeten die kringen zelf maar weten. Er wordt ook gedacht ‘hoe leger hoe leuker’, maar wie wil leven in een omgeving vol toeters en bellen wordt geen strobreed in de weg gelegd. Alles mag, niets moet.

In 1995 organiseerde het Rijksmuseum de tentoonstelling De lelijke tijd, met allureuze, exuberant versierde neo-rococo-meubels. Veel velours en satijn uit het einde van de negentiende eeuw. In 1995 wisten genoeg mensen nog welke meubels geacht werden lelijk te zijn. Vandaar de titel van de tentoonstelling. Je mocht het geëxposeerde hooguit camp vinden, maar niet echt mooi. Vandaag de dag zal het iedereen een zorg zijn. Je doet maar. Anything goes. Hoezo lelijke tijd?

Dat is – vooral in Nederland – ooit heel anders geweest. Na de oorlog, toen de maatschappelijke en esthetische idealen van de Stijlgroep met ontwerpers als Oud, Stam en Rietveld de leidraad werden voor de wederopbouw van ons vaderland, stortten seculiere fundamentalisten zich op onze woninginrichting. Het ging deze predikers niet om onze ziel, maar om onze spullen. Beter gezegd: die spullen vormden voor hen de uitdrukking van ons zielenleven en daarom moesten we leren hoe we zalig konden worden in ons interieur.

Het tijdschrift Goed Wonen was in die tijd de Wachttoren van deze getuigende meubelverkopers. Voor wie nu Goed Wonen opnieuw ter hand neemt, is de daarin verwoorde drang om alles wat niet strookte met de eigen opvattingen met de grond gelijk te maken, even schokkend als onbegrijpelijk. Esthetische, morele en psychologische categorieën zijn tot één dogmatisch systeem gemaakt. Het gaat niet zomaar over smaak, maar om goed, zuiver, eerlijk en gezond. Wat lelijk is, is ook slecht, ijdel, verkeerd, zelfgenoegzaam, bombastisch en ga zo maar door. ‘Het hoeft ons dan ook helemaal niet te verwonderen, dat de ontwerper nsb-er is geworden’, wordt opgemerkt bij een afbeelding van een zitkamer.

De neiging om woongenot te onderwerpen aan rigoureuze ethische principes was zeker niet nieuw. De Weense ontwerper Adolph Loos schreef in 1908 zijn beroemde pamflet Ornament ist Verbrechen. In ons land werden al omstreeks 1900 voor antroposofische en mystiek georiënteerde elites meubeltjes ontworpen als uitdrukking van Hoger Leven. Pas na de Tweede Wereldoorlog bereikten die opvattingen brede lagen van de middenklasse. Daarmee ondergingen ze een drastische vereenvoudiging, waardoor ze in de wederopbouwideologie een bijna totalitair karakter konden krijgen.

In De Groene Amsterdamm_er vond ik teksten betreffende een Prijsvraag voor Woninginrichting uit 1928. In die tijd speelden de idealen van De Stijl in het intellectuele debat een grote rol. Ik ging er dus vanuit dat die prijsvraag was uitgeschreven om de lezer op betweterige toon te onderrichten over de wijze waarop zijn interieur eruit moest zien. Maar dat bleek helemaal niet het geval. Het gaat er allemaal gemoedelijk aan toe. Er worden bij de beoordeling van de inzendingen voornamelijk praktische tips gegeven. Nog belangrijker is dat de redactie bij die beoordeling nota bene uitgaat van de mening van de lezers. De rigoureuze smaakmakers uit die tijd, die bijna altijd uiterst links georiënteerd waren, moeten er jeukende handen van hebben gekregen. Als ze al _De Groene lazen in die dagen, dan hebben ze zich ongetwijfeld groen en geel geërgerd aan deze manier om je lezers serieus te nemen. Stel je voor dat je de woninginrichting aan je lezers zou overlaten!

Toch zitten in de gemoedelijke nabeschouwing van Paul Bromberg wel degelijk modernistische oordelen verborgen, zoals in de bijzin: ‘veel te veel laten we ons door die gipskrullen tyranniseren’. Ornament ist Verbrechen en daarom moeten volgens Bromberg de plafonds gezuiverd worden: ‘Als afsteken een te ingrijpende operatie is, kunnen wij toch het plafond nog wel op een andere wijze vlak maken (behangen, bezetten, met platen triplex, celotex, beaverboard of ander geschikt materiaal).’ Menige postmoderne lezer van De Groene nu heeft vast en zeker aanzienlijke kosten moeten maken om die rotzooi er weer af te laten halen om opnieuw van de gipskrullen in zijn huis te kunnen genieten.

Want net als Goed Wonen later, weet Paul Bromberg wat de hoofdzonde van de woninginrichting is: de illusie van rijkdom. Dat is het allerergste. ‘Dat is die dwaze gewoonte van de menschen’, schreef hij, ‘altijd iets meer te willen laten lijken dan ieder weet dat het is. De gewoonte die het vurenhouten beschot der kamers in namaakeiken of nog duurder hout laat schilderen… ieder weet dat het namaak is, maar tóch meent men dat het rijker staat! De dwaze gewoonte waardoor de imitatie in onze woningen burgerrecht heeft verkregen en onze smaak voor driekwart van kind af aan al is bedorven.’

Alsjeblieft, we zijn tussen onze meubeltjes in zonde ontvangen en geboren! Terwijl nu weer menigeen op zoek is naar een schilder die voor niet te veel geld ons hout kan marmeren.

Maar uiteindelijk blijven dit soort moraliseringen van Bromberg toch uitschieters van modernistisch ascetisme, want juist het meest opvallende aan de houding van De Groene van toen, inzake woninginrichting, is de aandacht voor het eigene van ieders interieur. En dat is een houding om nu nog trots op te zijn. •