De gangmaker

De tentoonstelling De gebroeders Verveer herontdekt in het Joods Historisch Museum is te prijzen omdat ze drie kunstenaars aan de vergetelheid ontrukt, maar ook omdat er een vlot beeld wordt opgeroepen van het bloeiende Haagse kunstenaarsleven in de negentiende eeuw én van het joodse aandeel daarin.

Medium kunst

De drie broers, Salomon (1813-1876), Maurits (1817-1903) en Elchanon (1826-1900) behoorden tot de eerste sefardische joden die het vrije beroep van kunstenaar kozen. Zij maakten in Den Haag carrière. Salomon behoorde tot de oprichters van Pulchri Studio en werd lid van de redactie van De Nederlandsche Spectator; Elchanon was een van de oprichters van de Hollandsche Teeken-Maatschappij. In Pulchri en in sociëteit De Vereeniging waren zij graag geziene gasten, gangmakers zelfs: Salomon stond bekend om zijn humor. De emancipatie verliep in Den Haag makkelijker dan in Amsterdam, waar joden tot in de jaren vijftig van de negentiende eeuw nog werden geweigerd door Felix Meritis en de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen.

Alle drie schilderden ze, maar Maurits legde zich al snel toe op de fotografie en werd een populaire society- en hoffotograaf. Elchanon concentreerde zich met succes op Scheveningse strandgezichten, maar was eigenlijk beter als boekillustrator en karikaturist. De beste van het stel is zonder twijfel Salomon. De tentoonstelling noemt Elchanon een overgangsfiguur tussen Romantiek en Haagse School, maar eigenlijk is vooral Salomon dat. Hij was geen hemelbestormer, zoals zijn (jong gestorven) leeftijdgenoot Wijnand Nuijen dat was, hij vond een vorm en een sfeer die hem goed lagen en die hij lang vasthield. Hij was goed in het gefantaseerde romantische stadsgezicht, liefst met een solide middeleeuws blok in het midden, een poortgebouw of een stadstoren, en daaromheen rijke stoffering: een markt, een smederij, een aanmerend beurtschip.

Verveer koos altijd voor sfeer boven anekdote, voor fris boven zoet. Je ziet dat in zijn Terugkeer van de visafslag (1869): een duindorp in de zon, waar tientallen vissersvrouwen en -kinderen aan komen lopen. Het is een rustig beeld; pas als je de scènetjes per stuk bekijkt blijkt dat er veel te doen is, er komt een hondenkar met vier honden aangestoven, een peuter valt op zijn smoeltje en zijn viskorf rolt door het zand. Het wordt niet sentimenteel, of lollig; Verveer kiest evenmin voor het diepe vissersleed dat Jozef Israëls in dat soort scènes bracht.

Nu was deze Salomon Verveer ook een leermeester van Jan Weissenbruch, een man die buiten ging zitten schilderen, die zijn doeken níet vulde met schilderachtig vissersvolk maar alle ruimte liet aan de lucht, zoals-ie ’m gezien had, en het licht, zoals het echt viel. Verveer zelf had genoeg aan zijn studio. Toch hangt er een opmerkelijk schilderijtje van de eerste roei- en zeilwedstrijden van de knyc in Rotterdam, in 1846, dat hij zo te zien ter plekke heeft gemaakt. De wind vlaagt over de Maas, de witte rook van een startkanonschot sliert door het beeld, het is actie, licht en lucht, een radicaal stukje werk. Dat kon hij óók.


Haagse meesters van de romantiek: De gebroeders Verveer herontdekt, Joods Historisch Museum in Amsterdam, tot en met 1 november;jhm.nl

Beeld: Salomon Verveer, eerste roei- en zeilwedstrijd van de Koninklijke Nederlandse Yacht Club, gehouden op de Nieuwe Maas nabij Rotterdam, 1846 (Particuliere Collectie / Joods Historisch Museum)