De gapende afgrond in haar binnenste

U denkt uw leven op orde te hebben, maar hoe stabiel is die toestand? U woont samen met iemand van wie u denkt te houden, u doet uw werk consciëntieus, u stinkt niet en u schreeuwt niet op straat. De oude filosofen hebben ons gemaand het beest in onszelf te onderdrukken, de christelijke moraal wantrouwt het lichaam, Freud leert ons dat het Über-ich de redeloze driften moet intomen omdat anders de pleuris uitbreekt. Maar in ieder leven zijn er momenten waarop het ontembare monster het overneemt. Een geur, een geluid kan voldoende zijn om het evenwicht te verstoren en onbeheersbare verlangens op te roepen. Eros en Thanatos laten zich niet straffeloos verdringen.

De oksels van de bok van Annemarie Estor (1973) is het epos van een bevlieging die op angstaanjagende manier uit de hand loopt. In acht episodes wordt verhaald hoe een jonge vrouw, die keurig samenleeft met haar degelijke vriend, in de ban komt van een woeste, bijna dierlijke verschijning, die primitieve driften in haar losmaakt. Hij woont in een vervallen straat, maar lijkt ook midden in de stad de atmosfeer van woestijnen en ruige gebergten om zich heen te hebben. ‘Zijn warmte/ vrat me aan als een vlam een appel’. Aanvankelijk wil ze er niet aan toegeven, maar tegen zijn haar ‘was ik weerloos’:

In zijn haar was ik zwak.

Ik kon er in dolen. Verlangde in die wirwar

sporen kwijt te zijn. Met zijn kronkels leek hij

een gekwelde heester en ik graaide

met mijn vingers in dit broeiende gewas.

Stap voor stap raakt ze verstrikt in een mateloze, bij vlagen smerige passie, waarin geilheid, weerzin, honger en angst om de voorrang strijden. De sater, die zij Izem noemt, een ‘god van alle wildernis’, doet haar voor het eerst ervaren wat het betekent een samenstel van bruut pulserend vlees te zijn. Seks is sacraal en gevaarlijk:

Achter

zijn waanzinnige gordijnen likten, vraten wij elkaar

totdat wij in één lichaam kwamen. Ingewreven met komijn

vreeën wij vereender met de resten van geslachte dieren.

Keer op keer geeft ze zich over aan zijn penetrant geurende lijf. Hoewel het genot erom smeekt met een zwangerschap bekroond te worden, vindt er geen bevruchting plaats: ‘Bramen ­vlekten telkens/ al mijn lakens’. Uiteindelijk ontstaat er een breuk tussen hen en keert ze geblutst en uitgeput terug bij haar Zwijger, die al die tijd geduldig op haar gewacht heeft. Maar het ­avontuur heeft haar veranderd. Ook wanneer ze besluit zich met haar geliefde in het burgerlijke Kalmthout te vestigen, blijft ze zich bewust van de gapende afgrond in haar binnenste:

Bloeden

zou ik tot ik was verdord. Soms lag zijn peuk voor mijn deur.

Soms rook mijn wonde weer naar zijn tabak. Flakkerde

een kampvuur langs de autostrade, rende een zoogdier

over velden. Maar mijn lichaam liet hem

langzaam gaan.

Estor schrijft sterk en beeldend, de vuile en pijnlijke drift die de protagoniste geen keus laat wordt effectief neergezet. Toch klopt er iets niet. In de eerste plaats doet de wat brave afloop van het verhaal afbreuk aan de overtuigingskracht ervan. In de tweede plaats heeft Estor de neiging meer uit te leggen dan nodig is. Tegen de tijd dat de vrouw zich de schaduwkanten van haar geheime uitspattingen begint te realiseren, zegt de dichter:

Dit wild

zet diepe hoeven in het vlees. Maar het ijzerdraad

dat mij aan de Zwijger bindt, trekt sneden

die nog dieper zijn.

En alsof dat nog niet expliciet genoeg is, voegt ze eraan toe: ‘Hoe blind was alles/ voordat de ravage kwam’.

Een derde bezwaar is van politieke aard. Herhaaldelijk wordt gesuggereerd dat de woeste minnaar een ongelikte Arabier of Berber is, die de oerkracht van de woestijn nog in zich draagt. Het gedicht krijgt daardoor enerzijds een bijbelse lading, omdat de vrouw naar eigen zeggen transformeert tot een Sara, Hagar of Ruth, maar de entourage waarin ze haar sater ontmoet heeft alle kenmerken van een mediterrane markt in een Antwerpse volkswijk: ‘Messen/ werden gauwig afgeveegd aan schorten. In de vette rook/ die boven kramen hing, en achter de olijvenstallen/ werd een plan ineengestoken’. Izem zingt: ‘Zet uw vijg niet in de schaduw,/ vorm uw oordeel in de zon’. Ook brengt hij haar ‘gazellenpootjes, koekjes van amandel, en hij liet me achter/ bij zijn wijze zuster die mij harten gaf’. ’s Nachts telefoneert hij in een vreemde taal met andere vrouwen, hij draagt schapenvachten en treedt op tegen hangjongeren op brommers.

Is het een goed idee het beest in ons te associëren met ongewassen allochtonen? Ruim drie decennia geleden schreef Edward Said zijn befaamde Orientalism, sindsdien geldt het als doodzonde het exotische oosten met wellustige achterlijkheid te verbinden. Is het overdreven politiek correct Said nog steeds gelijk te geven? Of moet ik aannemen dat Estor het allemaal ironisch heeft bedoeld?

Annemarie Estor

De oksels van de bok: Een gedicht

Wereldbibliotheek, 60 blz., € 15,90

Mijn verstand

heeft mij verlaten. Niets staat tussen mij

en deze dadelzoete dood. Niets belet mij.

Leven kunnen maken, poten voelen graaien

in mijn schoot.

Want ik wens

volgevloeid te zijn van het zaad dat Ismaël tot leven wekte,

dat melk zal geven. En wie zal mij weerhouden,

die teugel trekt niet meer, alles is gescheurd

om daar te komen waar het vuile licht

mij dieper schijnt.

Izem zet zijn kaak in mijn gewricht,

hij zal mij splijten en mijn merg verteren. Tussen

al het bloeden door zal ik zijn bodemwater drinken

en zijn wortels vreten en mijn wimpers zullen akkers harken.

Mijn bekken zal tot de rand gevuld zijn met zijn melk.