Mythe en geschiedenis van Israël

De gazelle en de leeuw

Als Israël een normale verhouding met zijn buurvolken wil ontwikkelen, dan moeten de Joden het verschil erkennen tussen religie en natie, tussen diaspora en staat.

TEL AVIV – Elk jaar opnieuw verwonder ik me over de Seideravond, de unieke ceremonie die joden overal ter wereld ter gelegenheid van het joodse Paasfeest verenigt in de Joodse mythe van de Exodus uit Egypte. Seider verenigt de hele familie, en iedereen heeft er een rol in, van de eerbiedwaardige grootvader tot het kleinste kind. Het beroert alle zintuigen – zicht, gehoor, reuk, tast, smaak. De simplistische teksten van de Hagaddah, het boek dat hardop wordt voorgelezen; het symbolische eten, de vier glazen wijn, het samen zingen, de nauwkeurige herhaling van alle delen van het jaar – al die dingen laten bij kinderen een onuitwisbare herinnering na, die ze tot hun dood met zich zullen dragen, of ze gelovig zijn of niet. De warmte en geborgenheid van de grote familie rond de Seidertafel zal ze altijd bijblijven, en op hoge leeftijd zullen ze er met weemoed aan terugdenken. Een cynicus zou zeggen: een schoolvoorbeeld van hersenspoelen_._

Als je de kracht van deze mythe ziet, maakt het dan wat uit dat de Exodus uit Egypte nooit werkelijk heeft plaatsgevonden? Duizenden Egyptische documenten die de laatste jaren werden ontcijferd laten er geen twijfel over bestaan: de exodus van grote massa’s mensen, zoals beschreven in de Bijbel, of iets wat er ook maar enigszins op lijkt, is simpelweg nooit gebeurd. Deze documenten, die elke periode en elk deel van Kanaän in die tijd tot in het kleinste detail beslaan, bewijzen zonder twijfel dat er geen Verovering van Kanaän was, en geen Koninkrijk van David en Salomo. Honderd jaar lang hebben zionistische archeologen zich uitgeput in pogingen om een enkel stukje bewijs te vinden dat het bijbelverhaal ondersteunt – alles vergeefs.

Maar dat is volledig onbelangrijk. In de strijd tussen mythe en ‘objectieve’ geschiedenis wint de mythe die het best bij onze behoefte past altijd, met afstand. Wat er wás, is niet belangrijk; wat onze verbeelding aanvuurt, dát is belangrijk, en dat bepaalt onze koers tot op de dag van vandaag.

(Een persoonlijke noot: ik ben geen historicus, maar al vele jaren verdiep ik me in de geschiedenis van Israël en probeer daar logische conclusies uit te trekken – zoals in dit stuk. Veel van die conclusies worden ondersteund door de groeiende consensus onder onafhankelijke wetenschappers over de hele wereld.)

Het bijbelverhaal sluit pas aan op gedocumenteerde geschiedenis rond het jaar 853 voor Christus als tienduizend soldaten en tweeduizend strijdwagens van Ahab, koning van Israël, deelnemen in een grote coalitie van de koninkrijken van Syrië en Palestina tegen Assyrië. De veldslag, die door de Assyriërs werd beschreven, vond plaats bij Qarqar, in Syrië. Het Assyrische leger werd tegengehouden, misschien wel verslagen.

De koninkrijken van Israël en Judea, die een deel van het land tussen de Middellandse Zee en de Jordaan besloegen, verschilden niet van de andere koninkrijken in de regio. Jeruzalem was een minuscuul marktplaatsje, veel te klein en veel te arm voor alle dingen die er volgens de beschrijving in de Bijbel in die tijd plaatsgevonden moeten hebben. In de boeken van de Bijbel die over die periode gaan komt de term ‘Jood’ (in het Hebreeuws: Yehudi) bijna niet voor, en waar hij wél voorkomt verwijst hij simpelweg naar een inwoner van Judea, de streek rond Jeruzalem. Als een Assyrische generaal wordt gevraagd: ‘Spreek met ons niet in het Joods’ (2 Koningen 18:26), dan wordt daarmee het plaatselijke Judeaanse dialect van het Hebreeuws bedoeld. (We gebruiken een hoofdletter voor lid van het Joodse volk, kleine letter voor aanhanger van de joodse religie – red.)

De ‘Joodse’ revolutie vond plaats in de Babylonische ballingschap (587-539 voor Christus). Na de verovering van Jeruzalem door de Babyloniërs werden leden van de Judeaanse elite in ballingschap naar Babylon gebracht, waar ze in contact kwamen met de grote culturele stromingen van die tijd. Het resultaat was een van de grote scheppingen van de mens: de joodse religie. Na vijftig jaar keerden sommige van de ballingen terug naar Palestina. Zij introduceerden de term ‘joden’, als de benaming van een religieus-ideologisch-politieke beweging, vergelijkbaar met de ‘zionisten’ van onze tijd. Alleen vanaf dat moment kun je spreken van ‘jodendom’ en ‘joden’ zoals wij dat nu begrijpen. In de daarop volgende vijfhonderd jaar kristalliseerde de joodse religie zich geleidelijk uit. In die periode werd ook de meest uitzonderlijke literaire creatie aller tijden samengesteld, de Hebreeuwse Bijbel. De auteurs daarvan hadden niet de bedoeling een ‘geschiedenis’ te schrijven, maar eerder een religieuze, onderwijzende en vormende tekst.

Om de geboorte en ontwikkeling van het jodendom goed te begrijpen moeten twee belangrijke feiten onder ogen worden gezien.

  1. Van meet af aan, vanaf het moment waarop de ‘Joden’ uit Babylon terugkeerden, was de Joodse gemeenschap in Palestina een minderheid te midden van de ‘Joden’ in het algemeen. In de hele periode van de Tweede Tempel (516 voor Christus tot 70 na Christus) woonde het merendeel van de Joden elders, in gebieden die we nu kennen als Irak, Egypte, Libië, Syrië, Cyprus, Italië, Spanje et cetera. De Joden uit die periode waren geen ‘natie’ – dat hele concept bestond nog niet. De Joden in Palestina namen niet deel aan de opstanden van de Joden tegen de Romeinen in Libië en Cyprus. De Joden buiten Palestina hadden geen deel in de Grote Opstand van de Joden in dat land. De Maccabeeën waren geen nationalistische strijders, maar religieuze, ongeveer als de Taliban tegenwoordig. Ze doodden veel meer ‘gehelleniseerde’ Joden dan vijandelijke soldaten.

  2. De joodse diaspora was geen uniek verschijnsel. Integendeel: in die tijd was het de norm. Ideeën als ‘natie’ horen tot de moderne wereld; in de tijd van de Tweede Tempel en daarna was het dominante sociaal-politieke patroon dat van de religieus-politieke gemeenschap, die zichzelf mocht besturen, en die niet aan een specifiek gebied gebonden was. Een jood in Alexandrië kon trouwen met een joodse vrouw uit Damascus, maar niet met een christelijke vrouw bij hem in de straat. Die vrouw, op haar beurt, kon trouwen met een christelijke man in Rome, maar niet met haar hellenistische buurman. De joodse diaspora was één van vele vergelijkbare gemeenschappen.

Dit sociale patroon bleef in het Byzantijnse Rijk bestaan, werd later overgenomen door het Ottomaanse Rijk en heeft zijn sporen nagelaten in de huidige Israëlische wet. Vandaag de dag kan een islamitische Israëliër niet trouwen met een joodse Israëliër, een druus kan niet trouwen met een christen – althans niet in Israël zelf. De druzen overigens zijn een voorbeeld van zo’n diaspora, die nog altijd bestaat.

De joden waren maar in één opzicht uniek: toen de Europese volkeren geleidelijk overgingen op nieuwe organisatievormen en uiteindelijk veranderden in ‘naties’, bleven zij wat zij waren: een diaspora met een gedeelde religie. Het raadsel dat historici al lang bezighoudt is: hoe veranderde een kleine gemeenschap van Babylonische ballingen in een wereldwijde diaspora die miljoenen omvatte? Daar is maar één overtuigend antwoord op: bekering.

De moderne Joodse mythe zegt dat bijna alle Joden afstammen van de Joodse gemeenschap die tweeduizend jaar geleden in Palestina leefde en werd verdreven door de Romeinen in 70 na Christus. Dat is, natuurlijk, nergens op gebaseerd. De ‘Verdrijving uit het Land’ is een religieuze mythe: God was boos op de joden vanwege hun zonden, en verbande ze uit Zijn land. Maar de Romeinen waren helemaal niet gewend om grote groepen van de bevolking te verplaatsen, en er is sterk bewijs dat het merendeel van de Joodse bevolking na de Opstand van de Zeloten en na de Bar-Kochba-opstand in het land bleef. Bovendien woonden de meeste Joden lang daarvoor al buiten Palestina.

Ten tijde van de Tweede Tempel en daarna was het jodendom een geloof met een uitzonderlijk hevige bekeringsdrift. In de eerste eeuwen na Christus concurreerde het fel met het christendom. Slaven en andere verworpenen der aarde in het Romeinse Rijk voelden zich meer tot het christendom aangetrokken, met zijn ontroerende menselijke verhaal; de hogere klassen neigden meer naar het jodendom. In het hele rijk namen grote aantallen burgers de joodse religie aan.

Bijzonder raadselachtig is de oorsprong van de Asjkenazische Joden. Tegen het eind van het eerste millennium verschijnt er in Europa – ogenschijnlijk uit het niets – een zeer grote Joodse populatie, waarvan het bestaan niet eerder was gedocumenteerd. Waar kwamen zij vandaan? Daar zijn verschillende theorieën over. De meest gangbare stelt dat de Joden uit het Middellandse-Zeegebied naar het noorden migreerden, zich vestigden in de Rijnvallei, en de pogroms daar ontvluchtten naar Polen – toen het meest liberale land in Europa. Van daaruit verspreidden zij zich naar Rusland en Oekraïne en namen een Duits dialect mee, dat het Jiddisch werd.

Paul Wexler, wetenschapper aan de universiteit van Tel Aviv stelt echter dat het Jiddisch in oorsprong geen Germaanse taal is maar een Slavische. Een groot deel van de Asjkenazische Joden stamt volgens zijn theorie af van de Sorben, een Slavisch volk dat in oostelijk Duitsland leefde en gedwongen werd zijn oude heidense geloof af te zweren. Velen van hen werden liever joods dan christen.

In een recent boek met de provocerende titel When and How the Jewish People Was Invented voert de Israëlische historicus Schlomo Sand (net als Arthur Koestler en anderen voor hem) aan dat de meeste Asjkenazische Joden in werkelijkheid afstammen van de Khazaren, een Turks volk dat meer dan duizend jaar geleden een groot rijk bestierde in wat nu Zuid-Rusland is. De koning der Khazaren bekeerde zich tot het jodendom, en volgens Sands theorie zijn de Joden van Oost-Europa in hoofdzaak afstammelingen van Khazaarse bekeerlingen. Sand gelooft ook dat de meeste Sefardische Joden afstammen van Arabische en Berberstammen in Noord-Afrika, die zich liever tot het jodendom bekeerden dan tot de islam, en die deelnamen aan de verovering van Spanje door de moslims. Toen het jodendom afzag van het proselitisme, het bekeren van niet-joden, werden de joden een gesloten, etnisch-religieuze gemeenschap.

Maar de historische waarheid, hoe die ook is, is niet zo belangrijk. Mythe is sterker dan waarheid, en de mythe zegt dat de Joden uit hun land werden verdreven. Het is een essentieel element van het moderne Joodse bewustzijn, en geen academisch onderzoek krijgt het aan het wankelen.

In de laatste driehonderd jaar werd Europa ‘nationaal’. De moderne natiestaat verving oudere sociale patronen, zoals de stadsstaat, de feodale maatschappij en het dynastieke koninkrijk. Het nationale idee omvatte alles, inclusief de geschiedenis. Al deze nieuwe naties vormden voor zichzelf een ‘verbeelde geschiedenis’. Anders gezegd: elke natie herschikte oude mythen en historische feiten om zo een ‘nationale geschiedenis’ te vormen, die zichzelf als essentieel presenteerde, en diende als een alles verbindende lijm.

De joodse diaspora die – zoals eerder gezegd – tweeduizend jaar geleden ‘normaal’ was, werd ‘abnormaal’ en uitzonderlijk. Dat versterkte de Jodenhaat, die toch al wijdverbreid was in christelijk Europa. Aangezien alle nationale bewegingen in Europa min of meer antisemitisch waren, voelden veel joden dat zij werden buitengesloten, dat zij in het nieuwe Europa geen plaats hadden. Sommige van hen besloten dat de joden zich dienden te conformeren aan de nieuwe Zeitgeist en de joodse gemeenschap moesten omvormen tot een Joodse Natie.

Daarvoor was het nodig dat de Joodse geschiedenis werd hervormd en heruitgevonden, en veranderd van de annalen van een religieus-etnische diaspora in het epische verhaal van een ‘natie’. Die klus werd uitgevoerd door Heinrich Graetz, een Duitse Jood die sterk beïnvloed was door Duits nationalisme. Hij creëerde een ‘nationale’ Joodse geschiedenis, en kan daardoor worden gezien als de peetvader van het zionistische idee. Zijn concepten geven vorm aan het Joodse bewustzijn tot op de dag van vandaag.

Graetz nam de Bijbel als een historisch boek; hij voegde alle mythen bij elkaar en schiep een compleet, ononderbroken verhaal: het tijdperk van de Vaderen, de Exodus uit Egypte, de Verovering van Kanaän, de Eerste Tempel, de Babylonische ballingschap, de Tweede Tempel, de Verwoesting van de Tempel en de verbanning. Dat is de geschiedenis die wij allemaal op school geleerd hebben, het fundament waarop het zionisme werd gebouwd.

De zionistische ideologie veranderde de Joodse gemeenschap in een Joods volk, en het Joodse volk in een Joodse natie, zonder duidelijk de verschillen daartussen te definiëren. Om de religieus ingestelde joodse massa’s in Oost-Europa voor zich te winnen, maakten de zionisten een compromis met religie en mengden alles tot één grote cocktail: de religie is ook een natie, en de natie is ook een religie. Daaruit volgde de vaststelling, later, dat Israël een ‘Joodse staat’ is, eigendom van haar (Joodse?) inwoners, maar ook van ‘het Joodse volk’ over de hele wereld. De officiële Israëlische doctrine is dat Israël ‘de Joodse Natie-Staat’ is, maar de Israëlische wet definieert een ‘jood’ zeer nauw als een persoon die tot de joodse religie hoort.

Theodor Herzl en zijn opvolgers waren niet moedig genoeg om te doen wat Mustafa Kemal Atatürk wel deed toen hij het moderne Turkije grondvestte: hij stelde een duidelijke en scherpe grens tussen de Turkse natie en de islamitische religie, en stelde een volstrekte scheiding tussen de twee in. In Israël bleef alles één grote gemengde salade, met allerlei complicaties. Bijvoorbeeld: als Israël de staat is van ‘het Joodse volk’, zoals een van zijn wetten stelt, wat zal een Israëlische Jood dan ervan weerhouden om zich te voegen bij de Joodse gemeenschap in Californië of Australië? Het zal niemand verbazen dat er bijna geen leider in Israël is van wie de kinderen niet zijn geëmigreerd.

Waarom is het zo belangrijk om onderscheid te maken tussen de Israëlische natie ende joodse diaspora? Een van de redenen is dat een natie een andere houding aanneemt ten opzichte van zichzelf en andere naties dan een religieus-etnische diaspora.

Dieren hebben verschillende manieren om op gevaar te reageren. Een gazelle vlucht als er gevaar dreigt, en de natuur heeft de gazelle daarvoor uitgerust met de noodzakelijke instincten en fysieke eigenschappen. Een leeuw daarentegen blijft waar hij is en verdedigt zijn territorium tegen indringers. Beide methoden zijn succesvol, anders zouden er geen gazellen en leeuwen meer bestaan.

De joodse diaspora ontwikkelde een efficiënte respons: als joden gevaar voelden, vluchtten ze en verspreidden zich. Daardoor was de joodse diaspora in staat ontelbare vervolgingen te overleven, inclusief de holocaust. Toen de zionisten besloten een ‘natie’ te worden – en daadwerkelijk een land creëerden – namen zij de ‘nationale’ respons over: verdediging van zichzelf, en bronnen van gevaar aanvallen. Je kunt dus niet tegelijk diaspora en natie zijn, gazelle en leeuw.

Als wij, de Israëliërs, onze natie veilig willen stellen, moeten we ons bevrijden van de mythen die horen bij een andere vorm van bestaan en onze nationale geschiedenis herdefiniëren.

Het verhaal van de Exodus uit Egypte is prima als mythe en als allegorie – het wijst op het belang van vrijheid – maar als wij in de regio waarin wij leven onze plaats willen vinden en een normale verhouding met onze buurvolken willen ontwikkelen, dan moeten we het verschil erkennen tussen mythe en geschiedenis, tussen religie en natie, tussen diaspora en staat.