De geboorte van de pulpdemocratie

IN DE MASSALE GEKTE rond de dood van prinses Diana zagen veel beschouwers het ontstaan van een postmoderne heilige, ja zelfs het begin van het einde van de Britse monarchie. Maar ik heb, vrees ik, vooral de geboorte van de pulpdemocratie meegemaakt. Naar mijn gevoel was het een pijnlijke geboorte, die ik graag door brute kindermoord ongedaan zou maken. Als een pen dodelijk kan zijn, laat die van mij dat nu dan zijn! Er is gelachen om Flauberts arrogante vrees voor ‘de macht van het getal’. Maar zie, nu is er, en meteen op volle kracht, de pulpdemocratie die zelfs Flauberts verbeeldingskracht ver te boven gaat. De doodklap in een Parijse tunnel zorgde voor haar spectaculaire doorbraak.

Bij een nieuw verschijnsel hoort een definitie. Nu, de pulpdemocratie is een democratie waarin politiek en cultuur meer en meer bepaald worden door een massa die haar opinies, emoties en stemgedrag sterk laat beïnvloeden door de commerciële televisiezenders en de pulpbladen, die op hun beurt weer gedreven worden door een voetzoekerige mengeling van commerciële winzucht, gewetenloze sensatiezucht, oprechte domheid en een ranzig moralisme van conservatieve snit.
Geen politicus zal zich aan die democratie kunnen onttrekken. Hem wacht een smadelijke politieke dood, begeleid met roddelpraat over zijn privéleven en leugens over zijn beleid. Ook de kwaliteitspers zal steeds meer privépulp bevatten, uit angst niet meer van deze tijd te zijn en lezers te verliezen. Het uur durende interview met kroonprins Willem-Alexander over tal van onderwerpen werd bijvoorbeeld op de voorpagina van de Volkskrant samengevat in de kop ‘Willem-Alexander gaat nog lang niet trouwen’. Zo dol maakte zelfs De Telegraaf het niet. In de pulpdemocratie gaat het niet meer om de werkelijkheid maar om wat de pulpzenders en roddelbladen er van maken. Partijprogramma’s zullen verworden tot persberichten in de taal van tabloids.
Het is een gevaarlijk onderwerp dat ik hier behandel. Ethici liggen op de loer. Nix-nihilisten hebben de spottende lach al op de lippen. De persmensen scherpen hun messen en sluiten de rijen. 'Kom je aan hen, dan kom je aan ons’, is nogal eens de Pavlovreactie in medialand. 'Wie klaagt over de macht van de media, is een vijand van de democratie’, zo probeerde de journalist René Zwaap in dit weekblad (10 september) bijvoorbeeld critici van de mediagekte rond Diana monddood te maken. In dictatoriale landen zitten de martelkamers vol met 'vijanden van de democratie’, denk ik bij het lezen van zo'n doorzichtige oratio pro domo.
Verontrust schrijven over de massa en de media is hachelijk. Voor je het weet word je beschuldigd van een verderfelijke, elitaire afkeer van het domme volk of toon je gevoelens die door je tegenstanders geassocieerd worden met neofascisme of links dirigisme. Maar ik waag het er toch op. Niet alleen omdat ik, anders dan Henk Hofland in NRC Handelsblad (10 september), geloof dat de 'kwaliteitskranten’ en serieuze zenders zich wel degelijk tegen de pulpdemocratie kunnen wapenen; er is méér mogelijk dan 'symptoombestrijding’ in de vorm van laserstralen die telelenzen onschadelijk maken. Ik waag het er ook op omdat de pulpdemocratie mijn wereld bedreigt en ik me er niet zonder verzet door wil laten overweldigen. Van mij mogen alle bloemen bloeien, niet alleen de afrikaantjes en geraniums.
WAT IS ER ZO ERG aan de pulpdemocratie, waarvan in de week van Diana’s dood de contouren scherp zichtbaar werden? Misschien is het aardig om voor een antwoord eerst de deels reactionaire, deels futuristische angstvisioenen van twee wereldberoemde cultuurcritici van stal te halen: Oswald Spengler en José Ortega y Gasset. Spengler publiceerde in 1917 zijn bekende studie over het naderende einde van de Europese cultuur (Der Untergang des Abendlandes: Umrisse einer Morphologie der Weltgeschichte). Daarin analyseert hij de op- en neergang van culturen in termen van organismen die ontkiemen, groeien, bloeien en afsterven. Onze westerse, 'faustische’ cultuur zou alles willen beheersen, doordringen en onderwerpen vanuit een innerlijke honger naar macht. Aan die uitbreidingsdrang zou zij uiteindelijk sterven en lang kon dat volgens Spengler niet meer duren. Hij gaat fel tekeer in passages over de amorfe massa, die in zijn tijd voor het eerst merkbaar aan invloed won. Het grote geld zou via de democratie een perfide macht uitoefenen over die kneedbare massa. Algemene verkiezingen, persvrijheid, de publieke opinie zag hij als evenzoveel instrumenten in dienst van de graaiers.
De pers zou als 'geestelijke artillerie’ de massa iedere overtuiging weten aan te praten. 'Was sie will, ist wahr.’ Enorme verkiezingscampagnes lieten die massa achter elke gewenste partij aanlopen. Spengler zag het parlement als een ordinair slagveld van belangengroepen, die met geld, economische druk en stakingen de beslissingen proberen af te dwingen. De volksvertegenwoordiging zou verworden tot een democratische façade waarachter in kapitaalkrachtige privékringen de echte beslissingen worden genomen. En nu wist Spengler nog niet eens wat multinationals, electorale televisiecampagnes, opiniepeilingen, pressiegroepen en hooggeorganiseerde belangengroepen waren. Hij kende Reagan en Berlusconi niet, laat staan het wereldwijde netwerk van commerciële televisie en de onwaarschijnlijk grote oplagen van pulpbladen. Prinses Diana moest nog gemaakt worden.
Ortega y Gasset ging nog een stapje verder in zijn beroemde Opstand der horden, wat een wel erg rauwe vertaling van La rebelión de las masas (1930) is. Hij schetste in narrige, standsgebonden taal de geboorte van de 'hyperdemocratie’, de overgedemocratiseerde samenleving waarin 'de grote hoop’ het recht meende te hebben 'zijn koffiehuispraatjes bindend te maken en er kracht van wet aan te geven’. Wie niet is als iedereen, schreef hij, 'loopt gevaar terzijde geworpen te worden’. Waar Hofland in NRC Handelsblad schreef over de tweedeling tussen 'de wereld van Hummie van de Tonnekreek’, die rouwde om Diana voor de camera’s, en de wereld van een minderheid die daar vol afschuw niets van begreep, zag Ortega y Gasset niet eens een minderheid meer in het verschiet. 'Iedereen’ was 'uitsluitend de grote hoop’. 'De horde’ liep volgens hem 'al het afwijkende, al het verhevene, het persoonlijke, het verdienstelijke en uitgelezene onder de voet’.
IK MOET MET al mijn linkse sympathieën eerlijk bekennen dat ik me de afgelopen weken de gemoedstoestand van Spengler en Ortega Y Gasset goed kon voorstellen, ook al stuit hun harteloze massahaat me natuurlijk tegen de borst. Zij voelden zich bedreigd en weggedrukt door een opdringerige klasse met gevoelens en opinies die zij, als leden van een welopgevoede bovenlaag, verafschuwden. Die gevoelens van bedreiging heb ik ook waar het de pulpdemocratie betreft. Maar binnen deze democratie, die weliswaar veel kenmerken vertoont van wat Spengler en Ortega Y Gasset verafschuwden, is de massa geen actieve groepering die het smakeloze heft in eigen hand neemt, maar bestaat zij uit gewone, aardige mensen die weerloos worden gemanipuleerd, bedrogen en misbruikt door een agressieve, gewetenloze, kapitaalkrachtige en buitengewoon machtige mediamaffia. Dàt, vooral dat, is er zo erg aan. De massa van vandaag bestaat uit mensen die worden vervreemd van hun eigen emoties en belangen door die van beroemdheden waanzinnig op te blazen. Elke dag maar weer krijgen zij in pulpbladen en pulpprogramma’s het beeld ingeprent van een samenleving die verdeeld is in personen die er toe doen, de sterren en beroemdheden, en personen die er níet toe doen, zij. Een maatschappij van winners en losers. Een maatschappij van mooie, waardevolle en lelijke, verwerpelijke mensen. Een politiek-ideologisch tegenbeeld wordt na de val van De Muur en de heiligverklaring van het vrije-marktmodel niet meer aangeboden. Voor gevoelens van solidariteit en voor sociaal besef is in de pulpdemocratie geen plaats. Met als gevolg dat mensen hun gevoel van eigenwaarde trachten op te krikken door zich te vereenzelvigen met beroemde mensen die ze nog nooit ontmoet hebben en die vrijwel geheel verzonnen zijn door de massamedia.
En dat is precies de reden waarom ik in de week van Diana’s dood zo treurig en opstandig werd. Hier toonden mensen massaal waartoe de pulpmedia in staat zijn. 'Het verdriet van die miljoenen is opgewekt door dezelfde pulpbladen waartegen diezelfde miljoenen nu protesteren’, schreef een vriend me. En zo is het. Ieder verstandig mens zag het, maar niemand deed er wat aan. Of de verstandigen koketteerden met een volkse Zangeres zonder Naam-smaak door publiekelijk op te biechten ook gehuild te hebben. Emotionele camp. Ik heb ook wel eens gehuild voor de televisie, bijvoorbeeld toen ik vrouwen en kinderen in volgepakte veewagens zag vluchten voor de Servische laarzen in Bosnië, en mannen met holle blikken weggevoerd zag worden naar executieplaatsen. Maar om Diana huilde ik niet. Waarom zou ik?
DE OPINIES EN DE moraal, maar ook de emoties van mensen, zelfs de waardevolste, zijn sociaal gevormd en kneedbaar. Dat maakt ons tot de mensen die we zijn: door en door sociaal. Er is weinig ruimte om 'jezelf te zijn’ en die ruimte moet je hard bevechten. Maar het devies jezelf te zijn wordt stuitend genoeg juist rondgetetterd in pulpprogramma’s, waar je pas 'een kanjer’ bent als je je persoonlijke emoties laat vertrappen, kneden en uitbuiten. Het is erg moeilijk om niet sterk beïnvloed te raken door de populaire massamedia als je hun voorgebakken gevoelens en platgetreden opinies elke dag maar weer urenlang aangeboden krijgt in doeltreffend gerangschikte beelden en teksten. Om je tegen die ongekend intensieve indoctrinatie te kunnen verweren, moet je je allereerst willen verweren. Dat willen velen niet. En als je je wèl wilt verweren, moet je nog de geestelijke en emotionele bagage hebben om dat te kunnen. Ik heb de mens niet geschapen, ik heb geen schuld aan zijn onvolkomenheid en beperkingen, ik ben God niet, ik ben geen minister van Onderwijs of Cultuur, maar ik weet wel dat heel veel mensen, zeg maar de Diana-massa, die bagage helemaal niet hebben. En ik wil best toegeven dat ikzelf ook geen weerstand heb tegen bijvoorbeeld het opjutten in de massamedia van nationalistische gevoelens rond grote sportwedstrijden of tegen het hypen van boeken, films, popgroepen of theatervoorstellingen. Als ik even niet oplet, lees ik een boek waarvan de eerste pagina me al niet aanstond, toch uit. En ik betrap me er zelf op dat ik voortdurend de melodie van Candle in the Wind zit te neuriën.
Mensen kun je met de moderne media kennelijk alles wijsmaken, zelfs dat de negentiende-eeuwse soepkomliefdadigheid van een glitterprinses te prefereren valt boven een goed en rechtvaardig georganiseerde verzorgingsstaat. Ja, zelfs dat een prinses die een geliefde zoekt in kringen waar een kil, asociaal kapitalisme hoogtij viert en een beschamende overvloed aan juwelen het oog verblindt, aan de kant van het volk staat. In heel wat beschouwingen over Diana werd de behoefte aan 'symbolen’ of 'iconen’ die staan voor goedheid en mensenliefde, als verklaring genoemd. En natuurlijk, zonder die menselijke behoefte zou de wereldwijde massahysterie rond de overleden prinses niet ontstaan zijn. Maar dat juist deze torenhoge favoriete van de roddelpers - voor zolang als het duurt - zo'n symbool kon worden, is een verbijsterend voorbeeld van collectief vals bewustzijn, gevoed door de pulppers. Als de DDR een Diana en tabloids had gekend, was De Muur nooit onder druk van das Volk gevallen. En wat gebeurt er als een dandy-achtige Le Pen of een charismatische, aantrekkelijke Janmaat met een ontrouwe echtgenote in de pulpdemocratie wordt opgepompt tot een President of Hearts? De wereld, een hel, zei Schopenhauer. De wereld, een soap, is het nu. Of, zoals Tucholsky het wat milder formuleerde: 'Wir leben in einer merkwürdigen Zeitung.’
IS DIE OPKOMST en uitbouw van een pulpdemocratie even onvermijdelijk als de technologische vooruitgang? Dat lijkt Hofland, als ik hem goed heb begrepen, te menen èn te aanvaarden. Ik wil die self-fulfilling prophecy graag nog even krachtig tegenspreken voor zij waar wordt. Volgens Hofland is een krant die na de dood van Diana zou hebben volstaan met het afdrukken van een kwart kolom op een binnenpagina 'een dagblad voor heremieten’. Daar geloof ik niets van. Zo'n krant zou ik een 'dagblad voor verstandige mensen’ willen noemen, of een 'dagblad dat het hoofd koel houdt’. Bovendien zou een halve pagina in plaats van vier hele ook al heel netjes zijn geweest.
Wat de mediagekte van de afgelopen weken geleerd heeft, is dat ook serieuze kranteredacties en televisieprogrammeurs in de pulpdemocratie weerloos zijn overgeleverd aan wat ik de domino-journalistiek zou willen noemen. Er stierf een glamourprinses en binnen enkele uren stootte de ene redactie de andere aan en gezamenlijk vielen ze als dominosteentjes, angstig om de nieuwsboot te missen, in de elkaar aangeprate overtuiging dat haar dood wereldschokkend nieuws was. Niemand durfde achter te blijven, ook de kwaliteitsbladen en serieuze televisieprogramma’s niet. De angst de risee van medialand te worden is groot. Achteraf leken de beslissingen bovendien nog juist genomen ook, want zie, de wereld stond een week lang op zijn kop. Het volk dwong het Britse koningshuis op de knieën. De vlag ging halfstok! Als dat geen nieuws is? Tja. Waarom is de zee zo wild? Omdat Neptunus kwaad is. Hoe weet je dat? Nou, kijk maar, de zee is zo wild. Zo kan ik het ook, maar zo is het niet.
Binnen de domino-journalistiek kon de mediagekte rond Diana ontstaan, en ook in de toekomst zal de kwaliteitspers ontsporen als er niets aan gedaan wordt. Eigenlijk valt die domino-journalistiek door het enorm toegenomen aantal actualiteitszenders al wekelijks waar te nemen op minder grote schaal. Kok slaakt een kreet en via de domino-journalistiek wordt die uitgerekt tot een vlammende rede waarvan de politieke betekenis door een opinion-leader wordt vastgesteld, die vervolgens door iedereen wordt nagepraat in huiskamerdiscussies of in het café. En straks gebeurt er precies hetzelfde als een pulpreporter een kreet van Kok verzint. Of een buitenechtelijke misstap. Of een falend optreden in een spelletjesshow.
IK ZOU HIER DAN OOK willen pleiten voor de opstelling van een journalistiek rampenplan waarvan redacties die niet gemakzuchtig de stelling aanhangen dat nieuws nu eenmaal nieuws is als het nieuws is, gebruik kunnen maken als er weer een pulp-event (de dood van Jomanda? Katja Schuurman stapt uit GTST? Willem-Alexander is homo?) of een non-event dreigt te worden opgeblazen tot 'de gebeurtenis van de eeuw’ of een 'politieke tijdbom’. Zo'n rampenplan zou de redacties moeten dwingen stap voor stap, aan de hand van zorgvuldig geformuleerde kwaliteitsnormen, na te gaan of hier inderdaad van een gebeurtenis sprake is waarvan het maatschappelijk belang groot genoeg is om de persen stop te zetten of waarvoor ander nieuws moet wijken. Er zou ook in het algemeen veel te zeggen zijn voor de formulering van criteria waaraan een krant of televisieprogramma naar eigen overtuiging moet voldoen om zich met recht boven de pulppers verheven te achten. Zulke criteria zouden redacties ook in de hitte van de journalistieke strijd dwingen tot een reflectie op hun handelen. Journalistieke paniekreacties die zichzelf door hun dolle gevolgen ook nog lijken te bevestigen, zouden daarmee voorkomen kunnen worden. De beroering rond Diana is een 'gebeurtenis op zichzelf geworden waaraan geen krant zich kan onttrekken’, schrijft Hofland. Dàt klopt, maar voordat de beroering zo'n gebeurtenis werd, konden kranten zich wel aan het creëren van die beroering onttrekken. En als een paar het doen, doen de volgende keer andere het ook. Zo gaat dat bij veranderingen.
Hoe moet een rampenplan met kwaliteitsnormen er dan uitzien? Dat weet ik natuurlijk niet precies. Je hebt mensen die iets bedenken en mensen die iets uitvoeren. Het gaat hier in de eerste plaats om een gedachte. Wat ik wel weet is dat zo'n rampenplan een dam zou kunnen opwerpen tegen een domino-journalistiek in dienst van een pulpdemocratie.