De geboorte van plan b, indien de grondwet wordt afgewezen

De geboorte van Plan B

Bestaat er een noodplan voor het geval dat de Europese grondwet wordt afgewezen?

BRUSSEL – Wat gebeurt er als Frankrijk, Nederland en wellicht nog meer landen het Europees grondwettelijk verdrag afwijzen? In Brussel beweren diplomaten, commissieambtenaren en leden van Europese regeringen dat er géén «Plan B» in een la ligt dat uitgevoerd moet worden als lidstaten nee zeggen tegen het verdrag. Dat is niet helemaal onjuist: er ligt geen noodplan. Maar in de Europese achterkamers wordt wél hevig gedebatteerd over de elementen waaruit zo’n plan zou kunnen bestaan. Een definitief Plan B kan pas worden vastgesteld als duidelijk is hoeveel en welke landen het verdrag niet ratificeren.

Bij een Frans nee op 29 mei en/of een Nederlands nee op 1 juni is het zeker dat de Europese regeringsleiders de ontstane politieke situatie bespreken op de al geplande topbijeenkomst van 16 en 17 juni in Brussel. Daar zal meteen het eerste gevolg van een Franse afwijzing te zien zijn. De Franse president Jacques Chirac zal niet, zoals gebruikelijk, een centrale rol bij dit gesprek kunnen opeisen. Het duo Frankrijk-Duitsland, dat vanaf het begin in de jaren vijftig van de vorige eeuw de kern vormde van de Europese integratie, zal verlamd zijn.

«Frankrijk kan de andere landen van de Europese Unie niet verplichten om aan tafel te gaan zitten en opnieuw te gaan onderhandelen», zegt de Franse minister van Buitenlandse Zaken, Michel Barnier, desgevraagd: «Als de Fransen nee zeggen, dan is er wat Frankrijk betreft geen Europese grondwet meer. Dat betekent niet dat er dan een leegte gaapt. Dan gaan we verder met het Verdrag van Nice uit 2000.»

Volgens Barnier zouden na een Frans nee de andere landen gewoon verder moeten gaan met de ratificatie van het grondwettelijk verdrag, dat ten onrechte een grondwet wordt genoemd. Nederland, Luxemburg, Denemarken, Polen, Portugal, Ierland, Tsjechië en Groot-Brittannië willen daarvoor nog referenda houden. In andere landen besluit alleen het parlement of het verdrag wordt aanvaard. Maar in Brussel gelooft niemand dat er gewacht zal worden tot in de loop van 2006 alle 25 landen van de Europese Unie hun standpunt hebben bepaald voordat de politieke consequenties getrokken worden uit een Frans nee. Een Europees verdrag zonder Frankrijk is geen Europees verdrag, luidt de redenering. De Britse premier Tony Blair heeft al gezegd dat hij dan geen reden meer ziet voor een referendum in zijn land.

Wat moet er dan gebeuren om chaos in de Europese Unie te voorkomen? De Europese technici zijn hard in de weer om de problemen die weerbarstige kiezers kunnen veroorzaken zo efficiënt mogelijk uit de weg te kunnen ruimen. De oplossing die in Brussel het meest wordt genoemd is het in stukken knippen van het verdrag. Allereerst kan het grote deel van het verdrag dat is gewijd aan het beleid van de Europese Unie op terreinen als landbouw of milieu – deel III van de grondwet – weggelaten worden zonder dat in Europa veel verandert. Deze verdragsteksten behelzen niet veel an ders dan wat al in de bestaande Europese verdragen staat.

Bovendien kan het handvest van grondrechten ook gemakkelijk worden verwijderd zonder dat dit ernstige gevolgen heeft. Dit handvest werd al in 2000 door de Europese regeringsleiders aanvaard. Bij de campagne waarmee de Franse regering probeert de kiezers van het belang van het grondwettelijk verdrag te overtuigen, wordt er voortdurend op gehamerd dat het van groot belang is dat dit handvest in het Europese verdrag is opgenomen. Het zou de burgers de mogelijkheid geven om zich bij de rechter op deze Europese grondrechten te beroepen. Maar in 2000, toen als gevolg van het dwarsliggen van Groot-Brittannië het handvest buiten het Verdrag van Nice bleef, was de redenering dat dit in de praktijk niets uitmaakte. De Europese rechter zou klachten van burgers toch wel aan het handvest toetsen.

Van het resterende deel van het grondwettelijk verdrag vinden de Europese landen vooral een aantal praktische akkoorden belangrijk. Dat is allereerst een nieuwe verdeling van het aantal stemmen waarover de Europese landen beschikken voor het nemen van besluiten met een gekwalificeerde meerderheid. Frankrijk hecht hieraan veel waarde, omdat het kan profiteren van het feit dat landen met een grote bevolking meer gewicht in de schaal kunnen leggen dan op grond van de stemverdeling die in het Verdrag van Nice is overeengekomen. Minister Barnier hamert erop dat de regeling zoals die in het grondwettelijk verdrag is opgenomen aan de zes grondleggers van de Europese Unie (Frankrijk, Duitsland, Italië, Nederland, België en Luxemburg) genoeg stemmen geeft om een minderheid te vormen die een besluit tegenhoudt.

Deze regeling zou volgens Brusselse redeneringen gemakkelijk in een apart klein verdrag opgenomen kunnen worden. Mogelijk zouden daarbij ook afspraken overgenomen kunnen worden uit het grondwettelijk verdrag over een vaste president van de Europese Raad (de regeringsleiders), over een Europese minister van Buitenlandse Zaken (een functionaris die alleen iets kan zeggen als de echte ministers van Buitenlandse Zaken van alle Europese lidstaten het ergens over eens zijn), over een Europese diplomatieke dienst en over een Europese defensie.

Maar over zo’n nieuw klein verdrag zou pas gesproken kunnen worden nadat duidelijk is geworden welke landen het nu op tafel liggende grondwettelijk verdrag niet ratificeren. Dan kan eventueel ook besloten worden om zaken waaraan niet iedereen meer wil meedoen – bijvoorbeeld de Europese defensie – maar met een beperkt aantal landen af te spreken.

Daarmee zijn niet alle problemen opgelost. Want de aantasting van de Frans-Duitse rol in Europa na een Frans nee is met deze technische aanpassingen niet verholpen.