De gedeelde herinnering

Oost- en west-Duitsland zijn al weer vijf jaar één, maar het nieuwe Duitsland heeft nog steeds twee schrijversverenigingen. Tijd om te fuseren, vindt de een. Een schande dat de oost-Duitse Pen-club niet al lang is opgeheven, zegt de ander.
HET ZOU DE moeite van een artikel niet waard zijn, schreef Die Zeit vorige maand, als dit kleine drama niet een afspiegeling vormde van het grote Duitse treurspel. Die Zeit doelde op de pogingen van de Pen- clubs in west- en oost-Duitsland om een gezamenlijke toekomst vorm te geven.

De Pen is een internationale schrijversvereniging. De Duitse afdeling van deze club viel in 1951 uiteen in een DDR-Pen en een Westduitse Pen. Vijf jaar na de hereniging van de beide Duitslanden achtten de besturen van West- en Oost-Pen de tijd rijp om een stappenplan tot hereniging aan de jaarvergadering van de Westduitse Pen voor te leggen. De voorzitter van de West- Pen, Gert Heidenreich, nam hier vast een voorschot op in een rede voor de Oost-Pen waarin hij sprak van een fusie op basis van gelijkwaardigheid, die volgens hem door de leden zou worden gewenst. Ogenblikkelijk stak er een orkaan op in literaire kringen, in de media en in de vereniging. De woede, de bitterheid, de pijn waarmee de posities werden ingenomen en de inhoud ervan geven Die Zeit geheel gelijk: hier woedt een oorlog in woorden met als inzet het verleden en de beoordeling van dat verleden.
Het thema van de jaarvergadering die de West-Pen vorige maand hield, De gedeelde herinnering, was ongetwijfeld bedoeld als verwijzing naar de twee betekenissen van het begrip ‘gedeeld’. Het verloop van het debat maakte duidelijk dat de leden van de beide Pen-clubs bar weinig met elkaar delen en dat een niet onaanzienlijk deel dat graag zo wil houden.
HOOFDROLSPELERS van het moment - want eenzelfde drama is met andere spelers al eens opgevoerd bij het gevecht om de Berliner Akademie - zijn Gert Heidenreich, voorzitter van de Westduitse Pen; het bestuur van de Oostduitse Pen; een groep uit de ex-DDR en andere Oosteuropese landen afkomstige schrijvers die lid zijn van de West-Pen, waaronder Hertha Muller, Gunter Kunert, Jurgen Fuchs en Sarah Kirsch. Op de achtergrond blaast het bestuur van de internationale Pen een partijtje mee, evenals de in 1934 opgerichte Pen- club van Duitstalige schrijvers in het buitenland, de vereniging van voor de nazi-terreur uitgeweken Duitse schrijvers die nog steeds in Londen is gevestigd.
Heidenreich gaf zoals gezegd het startschot. In zijn rede voor de Oost-Pen gaf hij ook nog aan dat hij het zou verwelkomen als de Pen door de fusie een stuk groter zou worden, omdat daardoor de taak van de Pen - onder andere het tegengaan van 'geestelijke verloedering’ - beter kon worden volbracht. Het presidium zou richtlijnen voor de vereniging gaan uitwerken.
Heidenreichs woordkeus schoot een aantal leden van de West-Pen in het verkeerde keelgat. Dat is de DDR-'Tonnenideologie’, schreef Gunter Kunert, waarin het meer om de kwantiteit dan om de kwaliteit gaat. De DDR-Pen zat immers vol met 'dode zielen’ en 'gehirnamputierte’. 'Geestelijke verloedering’, schreef Sarah Kirsch, 'van dat soort begrippen krijg ik sowieso al brandend maagzuur.’ En Hertha Muller zette in haar brief aan het bestuur van de West-Pen consequent de 'richtlijnen’ tussen aanhalingstekens. Ook schreef zij dat de term 'geestelijke verloedering’ 'afkomstig is uit het vocabulaire van de daders’.
Vrijwel alle West-tegenstanders van de fusie wijzen erop dat de DDR-Pen geen echte Pen-club was. Het manifest van de Pen eist namelijk onafhankelijkheid van de staat, optreden tegen censuur en tegen beperking van de vrijheid van meningsuiting. Daar blonk de DDR-Pen natuurlijk niet in uit, om het eufemistisch uit te drukken. De DDR-Pen had zichzelf moeten opheffen toen de DDR verdween, zo vinden de tegenstanders van een fusie. Ze was een instituut van die onderdrukkende staat, ze legitimeerde die bovendien. In plaats van te protesteren tegen de arrestaties, de uitwijzingen, de censuur en de Stasi-vervolgingen, functioneerde deze Pen als reisbureau voor de schrijvers die, zoals het indertijd heette, 'men nodig had’. Het opperhoofd van de DDR-censuur Klaus Hopcke was jarenlang lid van het presidium van de Pen, en het onvermijdelijke Stasi-gesnuffel vond ook plaats in de Pen, die informele medewerkers onder haar leden had en ook onder de bestuursleden. Bij het veertigjarig bestaan van de DDR stuurde de Pen een dusdanig ronkende felicitatie dat de tegenstanders van de fusie nu opmerken dat een dergelijke verklaring 'in de geschiedenis van de Duitse literatuur alleen in het Derde Rijk een evenknie vindt’. Het presidium van de DDR-Pen stemde eveneens hartelijk in met de Ausburgerung van Wolf Biermann.
'Ik ben tegen de vereniging’, schreef Richard Wagner, 'omdat de Pen in de DDR als uithangbord werd getolereerd, zoals overal in Oost-Europa. De Pen was nooit onafhankelijk en heeft zich geen enkele maal ingezet voor de gevangen, verboden, gecensureerde of verdreven schrijvers. Voor mij was de DDR een onrechtsstaat en de Pen een instituut van die onrechtsstaat, bedoeld om het onrecht te legitimeren en te versluieren. (…) Er kan geen sprake zijn van een vereniging op basis van gelijkwaardigheid van een dergelijke club met de West-Pen. Dat zou een erkenning van de Oost-Pen betekenen en van de geschiedenis daarvan. Dat is niet meer of minder dan amnestie voor de terreur van de DDR op cultuurgebied. Het eerlijke antwoord van de Oost-Pen op deze zaken zou de opheffing ervan zijn.’
Het lijkt duidelijk: het bestuur van de West-Pen is niet goed wijs als het een dergelijk zooitje narigheid in de eigen rijen welkom heet. Maar de dingen zijn niet wat ze lijken. Want de uit de DDR verdreven leden van de West-Pen leggen met hun fabelachtige gevoeligheid voor alles wat lijkt op DDR-retoriek wel een vinger op de gevoelige plek, maar tegelijk maken ze zichzelf ook aan retoriek schuldig.
En tja, iemand als Gunter Kunert, die de leden van de DDR-Pen uitmaakt voor 'schoelje, schurken, schoften, hersenloze meelopers en dode zielen die hun collega’s koeioneerden en zelf profiteerden van de voordeeltjes die het regime hen wel wilde gunnen’ - zo iemand moet niet vreemd opkijken als iemand anders zich nog herinnert dat diezelfde Kunert in 1965 de toestemming om lid te worden van de DDR-Pen 'met vreugde’ begroette, zoals de DDR pers schreef. Dat is het tragische van de onderneming: niemand kan over zijn eigen schaduw heen springen en je hoeft geen amateuranalyticus te zijn om te vermoeden dat de radicaliteit van de standpunten en de scheldpartijen ook het eigen geweten tot zwijgen bedoelen te brengen. Zoals ook anderen blijkbaar tot zwijgen moeten worden gebracht. De manier waarop Christa Wolf haar vriendelijke samenwerking met de Stasi verdedigde, is bijvoorbeeld op zijn alleraardigst beschouwd van een grenzeloze politieke en maatschappelijke naiviteit.
Vergeten en goedpraten zijn de grote schrikbeelden van de Duitse intellectuelen. Dat was immers ook de praktijk na het Derde Rijk. Die angst werd haarscherp verwoord door Wolfram Schutte in de Frankfurter Rundschau: 'En weer gebeurt het in Duitsland dat alleen degenen die zich het lijden herinneren, het verlangen van de meerderheid naar pragmatische normaliteit verstoren. Weer wordt het van alle kanten gewenste verlossende woord gesproken: de “zwarte bladzijde”. Deze Duitse wens tot verzoening van de daders en van de meelopers die willen vergeten, met hun ondankbare slachtoffers doet zich altijd voor als de meelopers hun nieuwe posities hebben bezet en dan nu “eindelijk” met rust gelaten willen worden. De manifestatie van het menselijke, al te menselijke, made in Germany.’
Maar heeft het dan zin om achteraf alle dilemma’s, alle overwegingen, alle gewetensnood te ontkennen en een imaginaire rechte lijn die door vrijwel niemand werd gevolgd, tot de enig juiste te verklaren? Om een ander voorbeeld te gebruiken; de wapenwedloop heeft het Sovjetsocialisme ten val gebracht, maar was de wapenwedloop om die reden een goede politiek? Dat valt nog te bezien. En bezien dient het te worden. Niet alleen door Duitse intellectuelen.
DAT IS NIET gemakkelijk uiteraard, want waar omzichtigheid en bescheidenheid gewenst is, heeft men blijkbaar juist de neiging om in blinde woede om zich heen te meppen. Ook de Oost-Pen kan er wat van, dat moet gezegd. Rolf Schneider, die overigens probeert te discussieren in plaats van te beschuldigen, citeert de voorzitter van de Oost-Pen Dieter Schlenstedt, die zegt dat de Pen de consequenties moet trekken uit het herstel van de Duitse staatseenheid en 'de historisch onstane dubbele existentie van de Duitse Pen-club moet opheffen’. Aan het 'stugge leninistische Duits’, zo constateert Schneider droogjes, 'herkent men de literatuurhistoricus’.
De Oost-Pen schreef een 'open ansichtkaart’ aan de jaarvergadering van de West- Pen. Ook degenen die niet van mening zijn dat de vroegere DDR tot op de laatste institutie en tot op het laatste straatnaambordje dient te worden uitgewist, zullen zich hebben gestoord aan de tekst: 'Het is moeilijk iets te horen met een ijzeren gordijn in je hoofd. Wij hebben voorgesteld samen over de start van een nieuwe Duitse Pen-club na te denken. Met onverteerbaar pathos roepen de voormalige collega’s uit het Oosten: De Hunnen Komen.’
De Oost-Pen heeft na de vereniging een 'Ereraad’ ingesteld. Leden die voor de Stasi hadden gewerkt, werden opgeroepen zich te melden om in overleg met het bestuur uit te maken of ze lid konden blijven. Veel leden van de West-Pen vinden dat een gotspe. Gunter Kunert: 'Heidenreich heeft het allemaal bekeken. Hij zegt dat hij uit de stukken vooral opmaakt dat spionnen van alles opschreven over spionnen. Het was liegen en belogen worden. Waar Heidenreich deze wetenschap vandaag heeft, durf ik wel te vermoeden: van de spionnen, niet van de bespioneerden.’
Toch heeft een aantal leden de Oost-Pen verlaten, waaronder het hoofd van de censuur en een paar Stasi-informanten. Maar het is voor een deel van de leden van de West-Pen niet genoeg. Verzoening is voor velen synoniem met vergoeilijking, vergeten en vergeven.
Nog een ander conflict gaat onder het debat schuil. De vraag namelijk wie gerechtigd is over wie te oordelen. Ten eerste is in de Duitse geschiedenis van de deling het slachtoffer- en daderschap zo verknoopt geraakt dat het niet eenvoudig zal zijn om de partijen in te delen. Ten tweede is de jurisdictie van slachtoffers over daders uit het oogpunt van gerechtigheid niet zo'n goed idee - het genereert namelijk wraak. Alleen, wie de slachtoffers het woord ontzegt, veroorzaakt maar al te vaak dat ze ten tweede male tot slachtoffer worden. Zo heeft een deel van de leden van de West- Pen zich op het standpunt gesteld dat als de vereniging van de twee Pen-clubs ook maar een uitgewezen DDR-schrijver zou doen besluiten de Pen-club te verlaten, de hele zaak moet worden afgeblazen.
En Hertha Muller schrijft: 'Hoezo komen de oost-Duitse schrijvers vijf jaar na de vereniging met dat belaste instituut naar ons toe, als slakken met een huis op hun rug. Hoezo dwingen ze ons onze ogen zo te sluiten dat we net zo goed geen ogen hadden kunnen hebben?’ En toch zijn na 1990 veel jonge oost-Duitse schrijvers lid geworden van de Oost-Pen, niet uit nostalgische noties over de DDR maar omdat ze hun door de DDR gevormde identiteit, wat die ook moge inhouden, evenmin wensten te ontkennen. 'Onschuld is evenzeer genade als verdienste’, schreef een van hen, terwijl hij met stijgende verbazing het gekrakeel aanzag.
TERWIJL WEST- en Oost-Pen elkaar het recht tot oordelen betwisten, zijn er weer andere instanties die beide clubs in het beklaagdenbankje zetten. Zo schrijft Iris Radisch in Die Zeit: 'Vijf rouwjaren liet de Oost-Pen verstrijken ter nagedachtenis aan het land waarmee ze pijnlijk verbonden was. Want de staat die als legitimatie alleen woorden, beloften en toekomstvisioenen had, en nooit profane materiele welvaart, was als geen ander aangewezen op degenen die met woorden schoonwasten wat vuil was. Op de hele aarde heeft men zelden schrijvers zo serieus genomen. (…) Maar ook de Westduitse naoorlogse dichters en Pen-strategen zagen vooral de grote lijnen. De waarheid kon ook van de grote geesten niet altijd gevergd worden. Wereldvrede, ontwapening, vriendschap tussen de volkeren, dat ging boven alles. Und das, was drunter war, das sah er nicht.’
De hele discussie is tot op het komische af vergeven van de literaire citaten. Brecht voert de lijst van geciteerden aan. Radisch vervolgt: 'Met name degenen die nu waarschuwen tegen een rigoreus moralisme waren vroeger ook al van mening dat “het Oosten werkelijk in zijn systeem moet volharden” (Martin Walser, 1961) of dat men zich, voor men de DDR aan een kritisch verhoor onderwierp, “natuurlijk moet afvragen in hoeverre dat zinvol is” (Hans Magnus Enzenberger, 1961).’
Radisch is blijkbaar van mening dat er in die veertig lange jaren van het DDR-bestaan geen enkel moment is geweest waarop een relativering van het idee dat de DDR een uitdrukking van het grootste kwaad was, op zijn plaats was. 'In dit geval’, zo besluit Radisch het commentaar, 'kan er zonder oorlog geen vrede bestaan.’ Je moet er niet aan denken dat er gedurende de Koude Oorlog een dergelijke strijdlustige consensus had geheerst.
De fusie tussen de beide Pen-clubs was van de baan voor de discussie werkelijk begon. Het bestuur van de West-Pen zag er vanaf een plan daartoe aan de jaarvergadering voor te leggen. Voor Margarete Hanssman reden om haar bestuurswerk neer te leggen. Zelden zal een verzameling schrijvers een zo vlijmscherpe rede hebben aangehoord: 'In zeventig jaar deelt een herinnering zich ontelbare malen. Een zo oude herinnering verdraagt alleen het begrip ik. Geen wij. Geen zij. Want waar vind ik iemand die op een zekere dag in januari, twaalf jaar oud, Hitlers snijdende stem de machtsovername hoorde aankondigen. Waar vind ik iemand die met dertien voor kinderen en volwassenen een lezing hield over de macht van het jodendom, gekleed in het uniform van de Hitlerjeugd. Die met zeventien boeken in de vlammen gooide en die in Munchen haar goden in levende lijve aanschouwde terwijl de synagoge in brand stond. Op mijn achttiende had ik het begrepen: waar boeken verbrand worden, worden op den duur ook mensen verbrand. Op het moment dat mijn broers, neven, ooms en schoolkameraden zich opmaakten om de wereld te veroveren, leerde ik de woorden antifascist, Gestapo. Dat was met niemand te delen. Door mijn handen gingen vervalste persoonsbewijzen en bonkaarten voor joden.’
NA DE OORLOG HAD Hanssman veel contacten in het Oosten, ook nadat de DDR ontstond. Hanssman bezit foto’s waar ze allemaal op staan, ook diegenen die elkaar nu te vuur en te zwaard bestrijden. Aan het begin van de schrijversexodus uit de DDR bracht ze nog wel eens de groeten over aan de achterblijvers: 'En toen kwam de Wende. Toen kwamen de dossiers, de nieuwe woorden: Stasi, informele medewerker, spion. Het uur van de wraak voor de slachtoffers, het uur van de afrekening. Ik accepteerde het van geval tot geval. Tot alles werd overspoeld door een inflatie van begrippen: daders en slachtoffers waren er plotseling in iedere minuut van ieder leven. Ligt het aan mijn jeugd dat voor mij het begrip slachtoffer voor een enkele zaak gereserveerd blijft: voor de zes miljoen joden, zigeuners en verzetsstrijders. Geen dode soldaat, geen op het veld van oneer gevallen broer geldt voor mij als slachtoffer. Waarom schrokken de uit de DDR ontkomen dichters niet terug voor het misbruik van dat woord? Waarom beschermen ze door het afzien van de slachtofferstatus niet de slachtoffers van Stalin?’
Hanssman verhaalt hoe de vroegere vrienden vijanden werden. Ze nam desondanks deel aan gesprekken met de Oost- Pen, maar ze verzette zich vier jaar tegen vereniging. Uiteindelijk achtte ze de tijd rijp, waarna de hierboven beschreven ruzie uitbrak. Maar Hanssman kent het verleden van diegenen die nu als slachtoffer moord en brand schreeuwen en ze haalt een paar fraaie staaltjes aan van schrijvers die zich eerst uitstekend thuis leken te voelen in het geestelijke klimaat van het vaderland. Met peilloze bitterheid beeindigt ze haar rede: 'Schaamte en verdriet, haat en liefde waren alleen mijn zaak. Vijftig jaar lang. En dan zal ik nu vrienden gaan haten omdat anderen vrienden verlangen dat ik degenen haat die eens ook hun vrienden waren. Ik gooi geen tientallen jaren weg alleen omdat een groep dissidenten en een verdoolde menigte, beschadigd door de teloorgang van een utopie, hun herinneringen uitwissen. De problemen van de kleinkinderen met mijn generatie lossen zich binnenkort vanzelf op. Biologisch. Het afscheid valt mij licht.’