Manga en anime in de hoofdstroom van de westerse populaire cultuur

De gedroomde nieuwe mens

Japanse strips en tekenfilms, «manga» en «anime», zijn in de hoofdstroom van de westerse popu laire cultuur beland. Ze vertellen nieuwe verhalen over oude mythen. IJkpunt: de connectie tussen mens, technologie en geweld.

Manga en anime zijn geen subcultuur meer. In Amsterdam zijn deze populaire cultuurvormen uit Japan inmiddels overvloedig verkrijgbaar, ook in de betere platen- en boekwinkels. Ten grondslag hieraan ligt culturele diversiteit op een globale schaal. Neem The Sword of Shibito. Deze manga heeft zijn oorsprong in Tokyo, is vertaald en verspreid door een uitgever op Manhattan en wordt uiteindelijk aangeschaft in de Kalverstraat. De Amerikaanse uitgever van The Sword of Shibito is zo optimistisch over de nieuwe multiculturaliteit dat hij achter in al zijn manga’s, of eigenlijk moet dat zijn «voorin», aangezien het een Japans boekwerk betreft, een zinnetje afdrukt: «Wereldvrede door middel van gedeelde populaire cultuur.» De ironie kan niet groter zijn: Japanse strips en tekenfilms zijn vooral synoniem met conflict en geweld. In The Sword of Shibito strijden samoerai-clans om de macht. Hiertoe gebruiken zij een zombiekrijger, Shibito. Er zijn fonteinen van bloed en talloze afgehakte hoofden. Toch is het een zeer fantasierijke manga. De schrijver, Hideyuki Kikuchi, beter bekend van het wereldwijde anime-succes Vampire Hunter D, vermengt effectief elementen van de westerse gotische literatuur met de conventies van het klassieke samoerai-genre. Juist deze mix van genres en culturen moet volgens de uitgever leiden tot een vreedzaam bestaan tussen mensen uit verschillende werelden. Dat is minder naïef dan het lijkt.

Het effect van de culturele ratjetoe is dat het in Europa en Amerika op televisie, in films en in literatuur wemelt van typisch Japanse robots en grootogige kinderen die vechten tegen kwade geesten. Deze invloed is overal, in bijvoorbeeld de Matrix-filmtrilogie, waarin fantastische werelden in anime-stijl de achtergrond vormen van een archetypische strijd tussen goed en kwaad. Ook in Kill Bill 1, waarin regisseur Quentin Tarantino een anime-sequentie gebruikt om de psychologische motivering van een personage uit te diepen. Daarnaast distribueert het grote Disney inmiddels anime-films in Amerika, produceert Cartoon Network originele anime-series die getekend zijn in Japan, en is manga een vast onderdeel geworden van de fondslijst van de gerenommeerde comicsuitgever Dark Horse.

Toch bestaan in het Westen nog misverstanden en vooroordelen over de werking van manga en anime. In zijn nieuwe boek, Wrong About Japan (2005), gaat de Australische romanschrijver Peter Carey op zoek naar de mechanismen van die twee kunstvormen. Hij vertelt over een ontmoeting die hij in Tokyo had met «Mijnheer Miyazaki», anime-groot meester en schepper van de Oscarwinnaar Spirited Away (2001). Carey was er samen met zijn dertienjarige zoon Charley, een geobsedeerde lezer van en kijker naar manga en anime. Tijdens de ontmoeting in de beroemde Studio Ghibli zei de oude Miyazaki iets essentieels: een van de belangrijkste eigenschappen van de mens is zijn verbeelding. Derhalve is het doel van de creatieve mens het ontwikkelen van de verbeelding van kinderen, die immers de komende generatie vormen. Door de verbeelding ontstaan andere werelden, maar dat is af hankelijk van hoe men de verbeelding gebruikt. De verbeelding kan leiden tot deugdzaamheid.

Tijdens het gesprek met Miyazaki valt op hoe rationeel Carey en zijn zoon Charley zijn, vergeleken met de Japanse personages in het boek. Voor hen zijn manga en anime niet alleen vormen van vermaak. Ook gaan zij er op een diepe, bijna spirituele manier mee om. Carey poneert oorspronkelijk de stelling dat Japanners op een andere manier kijken naar manga en anime dan westerse kijkers en lezers. De reden hiervoor, denkt Carey, is dat veel scheppers van manga leven met het trauma van oorlog. Zij waren kinderen tijdens de Tweede Wereldoorlog en ondervonden aan den lijve hoe Amerikaanse bommenwerpers steden en dorpen wegvaagden. Het is daarom geen wonder dat er manga bestaat als Mobile Suit Gundam, waarin kinderen enorme robots besturen. In de kajuit bezitten ze macht maar zij zijn afgesloten van de buitenwereld, getraumatiseerd door het geweld.

Dan komt Carey oog in oog te staan met een mangahistorica bij het bedrijf dat Mobile Suit maakt. Haar interpretatie is dat de kinderen in de massieve robots geen gezichtsloze vechtjassen zijn, maar dat zij als baby’s in de baarmoeder fuseren met hun omgeving. Het doel is derhalve niet destructief van aard. Integendeel, het gaat om het bereiken van een vorm van vrede: gutai, het Japanse woord voor het vinden van balans, van unificatie. Het is het Miya zaki-denkbeeld: deugdzaamheid door verbeelding.

De historica, Yuka Minakawa, legt ook de geschiedenis van manga uit aan Carey, die ervan uitging dat manga een soort Japanse walkman is: een mechanisme om je af te sluiten van de drukbevolkte publieke ruimte. Nee, zegt Yuka, manga is een moderne vorm van kamishibai of «papieren theater», een antieke Japanse manier van visueel verhalen vertellen. Vroeger kwam de kamishibai-man op zijn fiets naar afgelegen dorpen. Achterop had hij plaatjes op borden van karton. Daarmee vertelde hij dan een verhaal, dat steevast eindigde in een cliffhanger, zodat de kinderen zich konden verheugen op de terugkeer van de kamishibai.

De kamishibai nieuwe stijl vertelt moderne verhalen over oude mythen, waarin gewone mensen in angstwekkende omgevingen komen te staan tegen erge monsters. Twee recent in Nederland verschenen animes, The Wave of Rage en Deep Sea, hebben als ijkpunt de connectie tussen mens, technologie en geweld. In de eerste film verwoest een onzichtbaar monster gemaakt van zeewater een futuristische stad die gebouwd is op de zee. Het monster is in alles Godzilla, de beroemde Japanse King Kong die in talloze pulpfilms van na de Tweede Wereldoorlog de destructie symboliseert die de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki hadden teweeggebracht. Een wat oudere anime, Blood: The Last Vampire, borduurt voort op dit thema. Het verhaal speelt zich af tijdens de onmiddellijke nasleep van de verwoesting. Op een Amerikaanse luchtmachtbasis in Japan dolen vampiers rond. Een jong meisje met een samoerai-zwaard moet de monsters bevechten. Het vampirisme is hier een metafoor voor de aanwezigheid van de vreemdelingen, die met hun technologie dood en verderf zaaien.

In Mamoru Oshii’s anime-meesterwerk Ghost in the Shell II: Innocence (2004) brengt technologie niet alleen geweld en vervreemding. Ook is zij een katalysator voor ontmenselijking, zodat nieuwe definities van het menszijn nodig zijn. Net als in The Matrix is existentialisme het wachtwoord in Oshii’s wereld. Realisme heeft bij hem een paradoxale kwaliteit, want zijn films beelden op bijna fotorealistische wijze extreem fantasierijke werelden uit. Het verhaal valt nauwelijks na te vertellen, maar het komt erop neer dat een oudere rechercheur, Batô, een zaak onderzoekt waarin seksrobots hun eigenaren op sadistische wijze vermoorden. Hebben de robots spontaan een ziel ontwikkeld? Onvergetelijk is een discussie tussen Batô en een robotwetenschapper in een laboratorium. Cynisch stelt de wetenschapper dat een kind niet zou weten hoe het moet glimlachen als het geen lachende pop had. Dan blijkt dat zij zelf een robot is.

Dat films als Innocence zo’n grote impact op westerse kijkers kunnen hebben – volgens veel Amerikaanse critici was dat een van de beste films van vorig jaar – tekent de invloed van manga en anime als populaire cultuur van kwaliteit, die in haar beste vorm de meest democratische van alle culturele uitingen kan zijn.

Maar het gaat dieper: manga en anime spreken iets universeels aan in de moderne kijker en lezer. Dat manga en anime zich in de hoofdstroom van de westerse populaire cultuur hebben gevestigd, blijkt vooral uit een voorbeeld uit de literatuur, en wel uit een sleutelroman van deze tijd, die in Nederland vreemd genoeg geen aandacht heeft gekregen: Pattern Recognition (2003) van William Gibson, vader van de cyberpunkliteratuur en een meester in het vertalen van de tijdgeest. Zijn nieuwste handelt over globalisering en visuele cultuur. Het verhaal speelt zich gedeeltelijk af in Tokyo. Dat is geen toeval. Japan is hip, net als de naam van het hoofd personage, «Cayce», die men zonder accent uitspreekt. Dus niet «Cay-see», maar «Cays», op z’n Japans, net als «anime» moet zijn «anim».

Het verhaal: Cayce, een trendscout voor een Brits reclamebureau, is in de Japanse stad om de oorsprong te proberen te ontdekken van een mysterieuze korte film die verspreid over tijd en in fragmenten op het internet wordt geplaatst. Tijdens haar speurtocht raakt Cayce verwikkeld in een web van onduidelijke betekenissen en gevaarlijke schaduwfiguren. Langzaam transformeert haar leven tot iets dat bestaat in een exotische werkelijkheid; mode, trends en merknamen fuseren met geweld, vervreemding en erotiek. Eigenlijk, zegt iemand op pagina 224, is Cayce net een personage in een anime: haar haar is precies als de meisjes in manga en zij draagt ook nog een lijfje van leer in turbo blue, een kleur die men gebruikt om elektrische apparatuur in fabrieken te verven. Haar oogschaduw is eveneens in turbo blue.

Zo krijgt Cayce de aanblik van een geïllustreerd mens. Zij leeft als een animefiguur in een werk van grote literaire kwaliteit. De kruisbestuiving is compleet gezien haar identiteitloze bestaan. Ze is de gedroomde everyman van de populaire cultuur. Ze vliegt de wereld rond. Ze is Amerikaanse, maar ze heeft eigenlijk geen nationale identiteit en ook geen seksuele identiteit. Wie haar leest, mannelijk of vrouwelijk, van Tokyo tot Londen, kent haar wereld én herkent zichzelf in haar. Cayce is bijzonder, uniek, en ze leeft in het mondiale multiculturalisme, net als wij, de lezers.

Zij is de gedroomde nieuwe mens, in turbo blue, vrij van de dwingelandij van het merk, reality-tv, CNN en de oorlog in Irak. Zij leeft voor het beeld, voor de verbeelding. Zij is ongebonden in een wereld overheerst door patronen, niet alleen van mode en reclame, maar ook van liefde en geweld, van oorlog en vrede. Haar diepste wens is een individueel wezen te zijn; binnen de grenzen van haar spannende, veelkleurige bestaan dwingt zij dat af. Dat illustreert haar manga-achtigheid. Zij laat ons de wereld zien hoe die is en hoe die morgen, overmorgen kan zijn. Daarom houden wij van haar, daarom lezen wij haar.