E.L. Doctorow

De geest en het brein

Voor E.L. Doctorow (1931) is niet alleen het huis van de fictie een open ruimte waarin feit en fictie als vanzelfsprekend door elkaar lopen. Ook de Amerikaanse geschiedenis weet hij zo te herschrijven dat het tot zijn lezers doordringt dat zijn rampverhalen zijn geschreven uit liefde voor zijn land.

Medium doctorow andrewsbrain

In Ragtime (1975) gaat het om de turbulente immigratiehistorie van Amerika, in Verhalen van een beter land (2005) blijft hij geobsedeerd door ‘het gangsterdom van de Amerikaanse geest’. De New Yorkse roman Homer Langley (2010), over een straatjutters- en kluizenaarsduo dat van hun huis een pakhuis vol perfide historische voorvallen maakt, biedt provocerende woordkunst. ‘Kunst geeft eerst aanstoot en vindt dan ingang. Men (het politieke gangsterdom – gb) roept op tot kunstvernietiging en daarna begint het bieden.’

In Andrew’s Brain wil Doctorow nog dieper doordringen in de verwarde Amerikaanse geest die graag in eigen vlees snijdt. Andrew is een cognitiewetenschapper die geen opgewekt zelfbeeld heeft. ‘A killer is what I am.’ Hij zegt dat tegen een onbekende psychiater. Waarom Andrew in therapie is, blijft vooralsnog onduidelijk. Is hij in hechtenis genomen? Vertelt hij de waarheid, is hij een fantast of mengt hij feit en fictie? De tijd blijkt een tombola van gebeurtenissen die zich niets aantrekken van chronologie. En toch is Andrew’s Brain een glashelder boek over een veertiger die de brokstukken van zijn bestaan bespreekt en vaststelt dat hij er een puinhoop van heeft gemaakt. Zijn psychiater waarschuwt hem dat hij zichzelf niet de put in moet praten. Die waarschuwing verwijst naar een debat dat subtiel op de achtergrond speelt: de debatten tussen neurowetenschappers en filosofen over de vraag of de mens meer is dan de grijze hersenmassa in zijn hoofd. Wie Andrew’s Brain twee keer leest, weet waar Doctorow staat. Voor hem blijft de mens een mysterie.

Andrew begint zijn monoloog, door korte vragen of opmerkingen onderbroken, met het vertellen van een wanhoopsdaad in november 2001, een datum die de lezer achteraf kan reconstrueren. Zijn jonge vrouw Briony is twee maanden daarvoor gestorven (het waarom blijft lang ongewis en blijkt een schok) en hij geeft zijn nuljarige dochtertje Willa af aan zijn ex-vrouw Martha. Waarom? Om haar terug te geven wat hij van haar ‘afgenomen’ had, namelijk het dochtertje dat hij het verkeerde medicijn gaf, waardoor het stierf?

Medium 42 52318481
In Andrew’s Brain waart de geest van een vernuftige en boze schrijver

Waar het in deze roman om gaat is niet zozeer de precieze werking van de hersenen als wel het feit dat een mens kan veranderen, soms doet alsof en in nieuwe situaties ‘een ander mens’ blijkt te kunnen worden: een hopeloos verliefde man die zich louter richt op de ander (Briony), een docent biologie die zich afwijkend gedraagt in de klas. Andrew is een cognitiewetenschapper die zijn hersens pijnigt over wat het verschil is tussen geest en brein. Is hij slechts een genen- en genoomcomputer waarin de hele geschiedenis en ervaringswereld van de mensheid is opgeslagen? Populair gezegd: ik ben mijn brein, willoos object van het bestaan. Hoe kan Andrew over zijn hersenen nadenken als die zelf over zijn denken gaan? Zijn die hersenen dan zijn ik die erover nadenkt? Hij heeft het gevoel alsof hij, door zijn brein, in een gevangenis zit. Zou een toekomstige computer bewustzijn kunnen voortbrengen? ‘Als het bewustzijn bestaat los van de wereld, stelt het niets voor, en als het de wereld nodig heeft om te kunnen bestaan, is het nog steeds niets.’ Dit is een visie die vooral de lage dunk weerspiegelt die Andrew van zichzelf heeft: hij, de onhandige en onnadenkende, voelt zich hoe dan ook schuldig aan de dood van zijn kind en van zijn tweede vrouw. Doctorow weet de lezer langzaam maar zeker op de plek van de scherp luisterende psychiater te krijgen.

Andrew’s Brain slaat over wat in conventionele romans vaak uitgebreid beschreven of, erger, uitgelegd wordt. De Doctorow-lezer moet het doen met de flarden uit het leven van Andrew die hij kwijt wil. Als hij aan het begin van zijn therapie vertelt dat hij zich een meisje heeft verbeeld dat ergens op een afgelegen boerderij in Pennsylvania een tekening maakt maar die onder zijn blik vernietigt en dat hij daarna datzelfde meisje in net zo’n boerderij tegenkomt, lopen fictie en feit door elkaar. Het is juist dankzij Andrews speelse, reptielse geest vol nare feiten en verlangende fictie dat Doctorows vertelling nergens een voorspelbare vertelling wordt. Als hij al een mislukte wetenschapper is die na twaalf blunders en dertien ongelukken als docent korte tijd op een middelbare school mag lesgeven en daarna – o toeval, want de president was zijn kamergenoot op Yale – een paar weken regeringsadviseur neurowetenschappelijke ontwikkelingen mag zijn, is het een verrassing wat er vervolgens gebeurt. Andrew is en blijft een dwaas, maar wel een ‘Holy Fool’, een clown die een radslag maakt in de Oval Office van het Witte Huis en niet weet waarom. Maar de lezer die weet waar Briony vandaan komt, beseft dat die radslag een hommage is aan de ouders van haar, twee kleine mensen (lilliputters) die hun brood in het circus moesten verdienen.

Tegen zijn psychiater zegt Andrew dat hun werkterrein verschilt: de geest voor de psychiater, het brein voor hem, de cognitiewetenschapper.

‘Will the twain ever meet?’ In dit zinnetje zit niet toevallig een woord dat verwijst naar Mark Twain, en dan niet de schrijver van de beroemde jongensboeken over Huck Finn en Tom Sawyer of The Prince and the Pauper, waarin twee mensen van identiteit verwisselen, maar de latere Twain. Die schrijver die boos was op het imperialistische monster dat Amerika heette en die woedende teksten schreef (onder meer The War Prayer) die in de literatuurgeschiedenis zijn ondergesneeuwd.

In Andrew’s Brain waart de geest van een vernuftige en boze schrijver.

E.L. Doctorow. Andrew’s Brain
Random House, 200 blz., € 25,-