De geest is er nog

Terwijl we van grote utopieën voorlopig wel genoeg hebben, wordt het leven zonder de kleine varianten daarvan wel erg kleurloos, kaal, onherbergzaam. Zo bezien kunnen we van Van Eeden en andere ‘zieners’ in Guido van Hengels boek De zieners toch nog iets leren.

Medium hengel  guido van  c  merlijn doomernik
Guido van Hengel - Een voorzichtig pleidooi voor de ‘kleine utopie’ © Merlijn Doomernik / AMBO / ANTHOS

‘Met steeds minder wilskracht zal onze tijd wegzinken in de dodelijke benauwdheid. Steeds gehaaster wordt het tempo waarin de veranderingen elkaar opvolgen. Vernieuwingen, die tot voor kort nog generaties lang standhielden, verjaren tegenwoordig in een paar jaar. In de kunst, het denken en zelfs in de grondslagen van ons bestaan volgen de modes elkaar in stijlloze haast op.’

Het zouden de woorden van een moderne, zij het enigszins pathetische neoconservatief kunnen zijn. Maar het zijn de woorden van de zo goed als vergeten joods-Duitse filosoof Erich Gutkind, een van de drie hoofdpersonen in dit verrassende boek van de jonge historicus Guido van Hengel. Het boek waaruit het citaat komt is getiteld Siderische Geburt, ondertiteld Seraphische Wanderung vom Tode der Welt zur Taufe der Tat en is net zo onleesbaar als de titel suggereert. Ik althans begrijp er geen fluit van. Van Hengel slechts een haartje meer, maar hij voegt er in de lijn van de auteur aan toe dat begrip ook niet de bedoeling is. ‘De woorden van Siderische Geburt moest je ervaren’, schrijft hij. Taal is vormenspel. Het gaat om de daarachter liggende werkelijkheid. Om die te begrijpen is paranormale begaafdheid vereist. Een dergelijke begaafdheid bezitten slechts weinigen. Zij zijn ‘de zieners’ waar het in dit boek om gaat. Naast Gutkind zijn dat in de eerste plaats -Frederik van Eeden en de Servische goeroe Dimitrije Mitrinovic. Met een lange reeks anderen duizelen zij door dit boek als even zovele hersenschimmen door het hoofd van een bezetene. Al met al levert het een prachtig, verwarrend en soms zelfs actueel panorama op.

De wereld van Spengler - van de onheilsprofetieën - is niet van gisteren

De horizon van dit panorama is de gedachte dat God dan wel dood mag zijn (dit alles speelt in de hoogtijdagen van het nietzscheanisme) maar dat dit nog niet betekent dat ook ‘de geest’ uit de wereld verdwenen is en dat, als zoiets dreigt, al het mogelijke gedaan moet worden hem weer terug te brengen. Wat die geest inhoudt, valt voor een gewoon mens niet of nauwelijks te bevatten. Net als God en de teksten van Gutkind moet hij ervaren worden. Dit verklaart dat tal van teksten in dit boek een mystiek karakter hebben. Nou ja, mystiek? Dat klinkt te religieus. Betoverd is vermoedelijk een beter woord. Het was immers precies in de jaren van de zieners dat socioloog Max Weber dit begrip introduceerde, zij het in zijn antoniem: Entzauberung, onttovering betekent intellectualisering en rationalisering, staat in Wissenschaft als Beruf (1917), en gaat uit van het principe dat mens en wereld door geen geheimzinnige en onberekenbare machten gescheiden worden. Anders gezegd: de mens zou in staat zijn ‘alles’ te berekenen en te beheersen. Maar dat was dus precies wat Van Eeden, Mitrinovic, Gutkind en bijvoorbeeld ook de in dit boek voortdurend optredende Oswald Spengler juist niet geloofden. Zij waren voorstanders van wat je ‘grootse ideeën’ kunt noemen: het Avondland, de Mens, de Natie, de Toekomst, de Geschiedenis. Zoveel grootsheid maakt hun streven ongrijpbaar, onwerkbaar en dus ook tot mislukken gedoemd. Maar het maakt het, soms, ook mooi, altijd boeiend en zeker veelzeggend voor zijn tijd, in het bijzonder voor de botsing tussen een aards en een bovenaards perspectief op het leven, voor nuchterheid versus bevlogenheid, materie tegenover geest, grijpbaarheid en onbegrijpelijkheid.

Veelzeggend in dit verband is de ook door Van Hengel geciteerde, beroemde brief die Albert Einstein in 1954 aan Gutkind schreef. Dit naar aanleiding van een veel later boek van diens hand, Choose Life, uit 1952. Deze nog niet zo lang geleden voor veel geld geveilde brief staat bekend als Einsteins ‘God’s letter’ en tekent de afstand tussen deze oervader van de moderniteit en een verondersteld primitief wereldbeeld – dat van Gutkind en andere zieners dus. ‘Het woord “God” is voor mij niets meer dan de uitdrukking en het product van menselijke zwakte’, schrijft Einstein, ‘de bijbel een verzameling eerbare, maar nog steeds primitieve legendes die toch vrij kinderachtig zijn. Geen interpretatie, hoe subtiel ook, kan dit voor mij veranderen. Voor mij is de joodse religie, zoals alle andere religies, een incarnatie van het meest kinderachtige bijgeloof.’

Bijgeloof of niet, de door Van Hengel in dit boek beschreven utopieën, betoveringen, fantasieën, dromen, idealen en andere bedenksels hadden vóór de Tweede Wereldoorlog heel wat meer politieke en maatschappelijke betekenis dan wij ons tegenwoordig kunnen voorstellen. Het gaat daarbij zeker niet alleen om politiek-rechtse Schwärmereien maar ook om vergezichten in het verlengde van Eedens Walden en Mitrinovic’s ‘Senaat’ – een soort commune in Bloomsbury, Londen, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. ‘Het lijkt een verhaal van lang geleden’, schrijft Van Hengel aan het begin van zijn boek, ‘maar dat is het niet… De wereld van Spengler – van het cultuurpessimisme en de onheilsprofetieën – is niet van gisteren. Veel discussies en non-discussies van honderd jaar geleden hebben een cybergedaante aangenomen en worden tegenwoordig gevoerd op Twitter en in de spelonken van het internet.’

Aangenomen dat dit zo is, wat voor conclusies moeten we daaruit trekken? Wat hebben de toenmalige ervaringen ons geleerd? Op het eerste gezicht zou je zeggen: dat nooit meer. Maar Van Hengel denkt er anders over – en hij heeft gelijk, denk ik. Vandaar dat zijn boek eindigt met een voorzichtig pleidooi voor wat onder anderen filosoof Hans Achterhuis en historicus Jay Winter de ‘kleine utopie’ noemen. Terwijl we van grote utopieën voorlopig inderdaad wel genoeg hebben, wordt het leven zonder de kleine varianten daarvan wel erg kleurloos, kaal, onherbergzaam. Zo bezien kunnen we van Van Eeden en andere zieners toch nog iets leren.