De geest terug in de fles

Een overwinninkje voor Van Thijn en een dansje op het politieke graf van Hirsch Ballin - veel meer leverde het onderzoek van de commissie-Van Traa in feite niet op. Maar is het wel ooit de bedoeling geweest de geesten werkelijk uit te drijven?
DE MAN DIE HET onbehagen over de verrichtingen van de parlementaire-enquetecommissie naar de opsporingsmethoden van politie en justitie het beste onder woorden heeft gebracht is de Amsterdamse zanger-componist Hans de Booy, vooral bekend van zijn meezinger Annabel. Zijn carnavalsschlager Van Traa la la la behandelt de dubbele bodems van de nationale moraal inzake drugs, politiek en het Grote Geld. Naar goed Hilversums gebruik wordt het lied op een enkel dissident uurtje in het holst van de nacht na dan ook zorgvuldig uit de ether gehouden.

Het sterke van De Booys protestlied is dat het onomwonden de absurditeit schetst van het jarenlang gevoerde opsporingsbeleid inzake drugs. De Booy: ‘Alle kinnesinne tussen agenten en ambtenaren onderling wordt tot in het kleinste detail uitgespit, maar geen hond stelt de hamvraag: waar is het geld van al die gecontroleerde doorvoer gebleven? Typisch Nederlands.’
Waarmee weer eens is aangetoond dat een oplettende burger soms beter in staat is helderheid van hoofd te bewaren dan alle beroepswaarnemers bij elkaar. Sinds de publikatie van het rapport Inzake opsporing, verleden week donderdag, is er een kakofonie losgebarsten van reacties, interpretaties en vooral pogingen tot rehabilitatie. De grote winnaars heten Ed. van Thijn, Eric Nordholt en Frank Bovenkerk.
Het aperte onrecht dat Van Thijn werd aangedaan toen hij als kersverse minister van Binnenlandse Zaken werd meegesleurd in de val van Ernst Hirsch Ballin, was door de gewezen burgemeester van Amsterdam al breeduit geetaleerd in zijn boek Retour Den Haag. Thijs Woltgens, leider van de PvdA-Tweede-Kamerfractie die Van Thijn twee jaar geleden als een baksteen liet vallen, heeft zijn 'inschattingsfout’ inmiddels ruimhartig toegegeven in de wekelijkse faxkrant van Felix Rottenberg. Het is overigens nog maar zeer de vraag of dat Van Thijn nog kan redden van zijn huidige schemerbestaan in de wereld van het georganiseerde reiswezen.
Beter staat het met de toekomst van hoofdcommissaris Nordholt, die zijn vete met de Utrechtse politiechef Wiarda in het rapport-Van Traa nu definitief in zijn voordeel ziet beslecht. En ook criminoloog Frank Bovenkerk kan opgelucht ademhalen. Met zijn opmerkingen aangaande het allochtone aandeel in de georganiseerde criminaliteit was Bovenkerk wekenlang het zwarte schaap van politiek correct Nederland. Nu Van Traa de bevindingen van Bovenkerk luid nagalmt, verkeert de koene taboebestrijder niet langer in het isolement van de xenofobe statistiekengoochelaar.
Tot degenen die victorie kunnen kraaien, behoort natuurlijk ook Maarten van Traa zelf. Het 'linkse geweten van de PvdA-fractie’ beleefde zijn finest hour als voorzitter van de commissie en ziet zijn ster als nimmer tevoren flonkeren. VVD-parlementarier A. H. Korthals vroeg direct na de tewaterlating van het commissierapport zelfs of hij de voorzitter even mocht aanraken, om iets van diens aura ingestraald te krijgen.
GROTE VERLIEZERS zijn er natuurlijk ook. Ernst Hirsch Ballin ziet zijn politieke graf nog een keer geschonden. Hij wordt nu als hoofdverantwoordelijke aangewezen voor het gierend uit de klauwen lopen van het opsporingsapparaat. Maar Hirsch Ballin is wel een erg makkelijke zondebok. Inderdaad heeft hij het anything goes-principe losgelaten op de landelijke drugsbestrijding, maar daarbij past wel de aantekening dat hij in feite voortborduurde op de lijn van zijn voorganger Frits Korthals Altes.
Het was deze VVD-crack, tegenwoordig te bezichtigen in de Eerste Kamer, die begin jaren tachtig de sluizen wijd openzette voor undercover-operaties van buitenlandse inlichtingendiensten als de Drugs Enforcement Agency (DEA) en het Bundes Kriminal Amt (BKA) in samenwerking met de nationale politie en justitie. Zo was het tijdens het ministerschap van Korthals Altes dat de Bosio-affaire begon, het nog altijd in raadselen gehulde drama van de Franse ondernemer in afzuigkappen die zijn bedrijf onder regie van de Nederlandse overheid zag omgebouwd tot een roversnest van drugs en wapens smokkelende DEA-agenten. Het was de embryonale fase van wat later als het 'IRT-schandaal’ zou worden aangeduid.
Korthals Altes is echter niet eens door Van Traa en de zijnen gehoord. Een gemiste kans, te meer daar de VVD-senator als gewezen advocaat van de illustere Slavenburg Bank over grote kennis aangaande internationale zwart-geldstromen moet beschikken - onontbeerlijke kennis die in het gehele onderzoek van de commissie helaas deerlijk ontbreekt.
Een andere notoire verliezer is de Twentse PvdA-crack Kobus Wierenga, die zijn rapport over de redenen van ontbin ding van het IRT Noord-Holland/Utrecht steen voor steen afgebroken heeft zien worden. Wierenga schaarde zich in het titanenduel tussen Nordholt en Wiarda achter laatstgenoemde en beschuldigde de Amsterdamse politie van verregaande corruptie. Daarvoor krijgt Wierenga nu de rekening gepresenteerd.
In dezelfde vaart worden ook Wierenga’s wat bredere inzichten op het gebied van 'penetratie van de onderwereld in de bovenwereld’ ontkracht. Wierenga’s appel was aan de apocalyptische kant, maar daarin gaat de commissie-Van Traa zeker niet mee. Die ziet de zaken door een meer roze bril: Inzake opsporing opent dan ook met de relativerende uitspraken van onderzoeker P. C. van Duyne van het ministerie van Justitie, die veel van de ophef over de almaar groeiende organisatiegraad van de misdaad tegenover de commissie afdeed als 'spoken en fantomen’.
Ronduit teleurstellend is het onderzoek van Van Traa als gaat om de hoofdzaak: de ware machinaties achter de 'gecontroleerde doorvoer’ van enorme partijen soft en hard drugs in Nederland en omringende landen. Hier doemt het aspect op wat de buitenlandse pers keer op keer benadrukt: de unieke positie van de politie als 'grootste dealer’ van het land. Op dit punt schiet Van Traa schromelijk tekort. In de rapportage wordt de suggestie gewekt als zou de verantwoordelijkheid voor de avonturen van de Nederlandse staat als superdrugskoerier bijna exclusief op de schouders rustten van het onfortuinlijke duo Langendoen en Van Vondel van de Criminele Inlichtingendienst (CID) Kennemerland.
CID-chef K. J. P. Langendoen en de inmiddels afgezwaaide 'informantenrunner’ J. van Vondel verwierven tijdens de verhoren door Van Traa landelijke bekendheid door a la Koot en Bie met pruiken, hoornen brillen en valse snorren voor de camera’s te verschijnen. Hun onderhandse dealtjes met de inmiddels legendarische 'sapman’ om drugs binnen te voeren waarmee vervolgens de onderwereld zou moeten worden geinfiltreerd, blonken uit door stunteligheid. Dat moet een van de redenen zijn waarom het tweetal in het oordeel van de enquetecommissie breeduit in een ongunstig zonnetje wordt gezet. Langendoen en Van Vondel zijn als het ware geschapen voor de rol van zondebok, die zij door Van Traa dan ook ruim toebemeten krijgen.
In dezelfde vaart probeert de commissie- Van Traa het totale volume aan geestverruimende rookwaren, cocaine, XTC-pillen en heroine dat in de naam der Koninigin aan de man is gebracht zo klein mogelijk te begroten, al geeft ook de commisie indirect toe dat de staat enige tijd het grootste marktaandeel in handen moet hebben gehad. Het is een strategie die er evident op is gericht de wind uit de zeilen van de publieke verontwaardiging te nemen. Door Langendoen & Van Vondel naar voren te schuiven als de twee kwade genieen van de gecontroleerde doorvoer en de gemoeide hoeveelheden zoveel mogelijk te beperken (iedere schatting is toch een slag in de lucht), moet het beeld van een in brede politie- en justitiekring ingevreten corruptie - de grote boodschap van Wierenga - tot overzichtelijke proporties worden teruggebracht.
IN WERKELIJKHEID bestaat er al een lange traditie van verstandshuwelijken tussen politie en onderwereld, met alle corruptie vandien. Van die voorgeschiedenis uit het pre-IRT-tijdperk ontbreekt in de rapportage van Van Traa ieder spoor. De schuiver van het ontbonden IRT Noord- Holland/Utrecht lijkt zo niet meer dan een eenmalig incident.
Het tegendeel is waar. Zo bediende de legendarische Amsterdamse politiecommissaris Toorenaar zich in de jaren zestig en zeventig al van een vaste tipgever uit het milieu van de Chinese smokkelbendes. Deze Tsjung Moon, vertegenwoordiger van de beruchte 14 K-triade (onder meer gemoeid met de verspreiding van heroine uit de Gouden Driehoek) fungeerde jarenlang als belangrijkste informant van de Amsterdamse politie. Door partijen van concurrerende firma’s aan te geven verkreeg Tsjung Moons bende een monopoliepositie in West-Europa, waarvan de baten weer gedeeltelijk werden gebruikt voor de strijd van Taiwan tegen communistisch China. Op dit netwerk rustte vanwege de rol in het bedwingen van het rode gevaar in landen als Vietnam ook de zegen van het Amerikaanse inlichtingenapparaat. Ondertussen kon Toorenaar zich luidruchtig beroemen op de ene na de andere kolossale drugsvondst in zijn war on drugs.
Tsjung Moon werd in 1975 in Amsterdam vermoord. Zijn rol als informant van commissaris Toorenaar werd overgenomen door de Pakistaanse drugshandelaar Mushaq Malik, alias de Zwarte Prins. Malik, een extraverte figuur in het Amsterdamse uitgaansleven (hij bestierde onder meer de trendy gelegenheid Voom Voom in de Raamstraat, gefrequenteerd door beroemdheden als Ruud Lubbers en prinses Margaretha van Denemarken) stond in zijn land van herkomst in verbinding met tal van hoge regeringsfunctionarissen en militairen. Een gedeelte van de baten van zijn drugsonderneming werd gepompt in het anti- communistische verzet in Afghanistan. Ondertussen tipte Malik geregeld een grote partij drugs van concurrenten weg tegenover Toorenaar, die zo enkele zeer spectaculaire drugsvondsten kon doen.
DIT DUURDE TOT 1978, toen Malik na een 'opzetje’ in de gevangenis terechtkwam en kort daarop werd uitgewezen. Zijn rol werd weer overgenomen door de Afghaanse zakenman Abdoel Haji Wali, die zich kort na de Russische inval in zijn land in 1979 vestigde aan de Amsterdamse Apollolaan en een omvangrijk drugsnetwerk opzette. Op dat netwerk rustte aanvankelijk ook de zegen van de Amerikaanse geheime dienst, daar de baten werden aangewend voor anti-tankwapens en ander materieel waar het Afghaanse verzet dringend om verlegen zat. Wali sloot onder meer een verbond met de Nederlandse hasjhandelaar Stanley Esser.
Evenals Moon en Malik trad Wali geregeld op als informant van de Amsterdamse politie. Hij verloor echter de steun van de Amerikanen toen hij midden jaren tachtig een wat meer autonome koers wilde volgen. Om uitzetting te voorkomen trouwde Wali met de ex van hasjsmokkelaar Gijs van Dam. Tevergeefs. Ondanks de juridische steun van de advocaten Bakker Schut en Mul werd hij begin 1986 gearresteerd en uitgeleverd aan de Verenigde Staten.
De Amsterdamse politie had zich inmiddels gestort op de bende van Klaas 'de Dominee’ Bruinsma, de eerste Nederlandse drugscrimineel die in het groot opereerde. De Deltagroep van Bruinsma werd geinfiltreerd door leden van het IRT en gaandeweg ontstond ook hier weer het patroon dat Toorenaar eerder had gevolgd. Door middel van tactisch gelekte informatie kon de Deltagroep (waarvan leider Bruinsma op 27 juni 1991 werd vermoord) concurrenten voorblijven en bijna een monopoliepositie verwerven.
Het IRT Noord-Holland/Utrecht fungeerde eerder als bijkantoor van de bende dan als een bedreiging ervan. Logisch dat dit kwaad bloed zette bij de branchegenoten van de erven-Bruinsma.
'ER IS ZOVEEL hasj in West-Europa dat het niet meer aan de straatstenen is te slijten’, zo beklaagt de spijtopterende mega-drugshandelaar Steve Brown zich in zijn recent verschenen biografie Drugsbaron in spijkerbroek. 'Ik als smokkelaar ben het zat’, zegt Brown. 'Het is onmogelijk een strategie te ontwikkelen tegen een goed georganiseerde drugsorganisatie met een “license to kill”. De politie heeft een vergunning tot doden en kan in het landsbelang of onder het mom van verzet bij arrestatie zo'n zelfbedacht vonnis uitvoeren. De situatie binnen de penose is ronduit belachelijk. De criminelen kunnen amper opboksen tegen de monopoliepositie van de politie die met enorme hoeveelheden hasj en zeer scherpe prijzen de markt verziekt! Afgezien van de vraag wat de IRT'ers al dan niet in samenwerking met het BKA onder het toeziend oog van de Drugs Enforcement Administration flikken, mag ik even weten waar de handel blijft? (…) De vermoedelijke frequentie ligt op twee jaar wekelijks een transport, varierend van vijf tot dertig ton drugs. De undercover-rechercheurs worden, omdat het zo druk is, af en toe door leden van de Deltagroep opgepiept om de vrachtwagens met drugs uit te laden. De politie richt in Venezuela firma’s op die de handel versturen en bij de Deltagroep op de stoep komen zetten. Deze accepteert met een dankjewel de risocoloze import van de handel en steekt de verdiensten in de orde van grootte van een half tot een miljard gulden in de zak!’
Brown vestigt ook de aandacht op de rol van de DEA en de BKA. Het Bundes Kriminal Amt was volgens hem betrokken bij de invoer van 30.000 kilo hasj, die door het IRT-team Noord-Holland/Utrecht voor de neus van de Fiod en de douanerecherche in beslag zouden zijn genomen. Brown: 'Deze mega-deal is illustratief voor een gesuggereerd BKA-IRT-samenwerkingsverband waarbij grote partijen drugs op de Nederlandse markt zijn gebracht om de afnemers te ontmaskeren. Bij deze dertig ton is ook een informant vermoord.’
Vanzelfsprekend toonde Brown weinig vertrouwen in de commissie-Van Traa, die hij afdeed als 'een rookgordijn van nietes/welles-geleuter, dat geen enkele duidelijkheid verschaft. De criminele organisaties hebben Justitie en politie geinfiltreerd, waarvan het bewijs door de commissie-Van Traa in tijdverslindende, beschamende en elkaar bekritiserende interviews is geleverd. De enquetecommissie is niet geinstalleerd om de waarheid te achterhalen, maar om rust in de tent te brengen.’
VANWEGE ZIJN imponerende conduitestaat als triggerhappy crimineel is Brown geen al te betrouwbare getuige a charge tegen het IRT en omgeving. Niettemin ventileert hij in zijn boek enkele verontrustende geluiden over de ware corrputiegraad in de 'bovenwereld’. Zo stelt hij dat zijn inmiddels geliquideerde partner Ferry Koch met een bepaalde rechtbankpresident voor honderdduizend gulden een psychiatrisch rapport voor een compagnon regelde, zodat deze al na een half jaar vrijkwam. Een 'hoge ambtenaar in Den Haag’ zou een miljoen hebben getoucheerd voor een fax van het ministerie van Justitie naar een gevangenisdirecteur om een Colombiaanse drugsdealer een dag vrij te geven voor de begrafenis van een neefje - de man keerde vanzelfsprekend nooit meer terug.
Geen eenvoudige materie om uit te zoeken, toegegeven. Maar het schetst wel zulke verontrustende contouren van wat er werkelijk in Nederland gaande is met politie en justitie, dat er eigenlijk meteen een volgende parlementaire enquete zou moeten worden uitgeschreven. Daarbij zou met name de rol van de buitenlandse inlichtingendiensten aandacht moeten krijgen. De rol van de commissie-Van Traa kan dan in ene moeite door tegen het licht worden gehouden.