De geest van de slager

ARUA - De airstrip van Arua ligt er verlaten bij. Vliegtuigjes uit Entebbe die deze morgen zijn aangekomen, hadden bij het landen maar een kwart van de enorme landingsbaan nodig. Grotere vliegtuigen arriveren hier zelden. Wat eens de grootste luchthaven van Afrika had moeten worden, is nu een lege stoffige vlakte. Geen ruime vertrekhal, maar een krap wachtershuisje. Geen grote Boeings, maar tweemotorige propellervliegtuigjes. Zo had Big Daddy Idi Amin het niet bedoeld, toen hij tijdens zijn achtjarig bewind van 1971 tot 1979 alles in het werk stelde om zijn geboortegrond in West Nile, Noordwest-Oeganda, aansluiting te geven op de rest van de wereld.

In het hele land waart de geest van de ‘slager van Afrika’ nog altijd rond. Bijna nergens zijn echter zo veel fysieke erfstukken terug te vinden als in Arua. Onvoltooide of niet meer functionerende prestigeobjecten, enorme huizen, vaak geheel of gedeeltelijk verwoest in de oorlog in 1979 door Tanzaniaanse militairen of later door wraaklustige soldaten van Amins opvolger Milton Obote. In de kantine van de West Nile Club bij de golfbaan van Arua is Idi Amin weer eens het gesprek van de dag. Althans, een van zijn vrouwen ditmaal. In Londen is Sarah Amin 'aan gevangenisstraf ontsnapt’, kopt The Monitor deze dinsdag op de voorpagina. Het restaurantje dat de vrouw in Oost-Londen runt, wemelde van muizen, schimmels en kakkerlakken toen de Keuringsdienst van Waren op bezoek kwam. Dat kan zelfs in Oeganda niet, schaterlacht Semei Dranimva achter in het clubhuis. Dranimva (65) is een vaste gast van de West Nile Club. Golfen doet hij niet, maar sinds hij vier jaar geleden met pensioen ging, vindt hij dagelijks de weg naar de kantine. Een paar flesjes bier en wat glazen White Rhino Gin gaan er altijd wel in. Zijn snelle overheidscarrière die hem nu een riante uitkering verschaft, heeft hij aan streekgenoot Idi Amin te danken. DRANIMVA: 'Ik was voorzitter van een district in het oosten van het land toen het nieuws kwam dat Amin de macht had overgenomen. Ik werkte al sinds de onafhankelijkheid in 1962 in overheidsdienst en Amin kende mij als een betrouwbaar ambtenaar. Bovendien kende ik Amin van hier, van Arua. Hij komt uit Koboko, ook ik heb daar jaren gewoond. We groetten elkaar op straat en dronken wel eens een glaasje. Een van mijn zussen is zelfs een tijdje met hem getrouwd geweest. Natuurlijk, hij wilde mensen om zich heen die hij kon vertrouwen. Dat zijn vanzelfsprekend mensen van je eigen stam. Met nepotisme heeft dat niets te maken. Een jaar na zijn aantreden werd ik door hem persoonlijk benoemd tot Permanent Secretaris in het Bureau van de President. Omdat ik altijd zo'n trouwe ambtenaar was geweest, maakte hij me ook hoofd van de civil service. Trots was ik dat ik in Kampala mocht werken. Maar ik moest wél diplomatiek te werk gaan. Bijna iedere maand stuurde Big Daddy ministers de laan uit en ook zijn adviseurs hadden geen zekere carrière. Onder moeilijke omstandigheden heb ik echter altijd Oeganda gediend. Idi Amin? Nee, niet Amin natuurlijk. Ik was ambtenaar en diende het volk van Oeganda. Ik kon goed met Amin overweg, maar nooit heb ik het gevoel gehad hem persoonlijk te dienen. Daardoor heb ik het ook tot het eind kunnen volhouden, daar ben ik stellig van overtuigd. Zonder één seconde bang te zijn geweest! Waarom zou ik? Amins krokodillen, ik heb ze nooit gezien. Het was werken onder moeilijke, maar prettige omstandigheden. Iedereen die in het kantoor van de president een kamer had, kreeg een eigen koelkastje. Koude biertjes stonden daarin, en voor na het middaguur iets sterkers. In Kampala kreeg ik een groot gemeubileerd huis waar ik met mijn vrouw kon gaan wonen. Een auto met chauffeur haalde me dagelijks op om me naar kantoor te brengen. En in Arua, daar liet ik zoals veel collega’s een villa bouwen, groot genoeg om later met mijn hele familie te gaan wonen. Mijn baas sprak niet zo goed Engels, dat is bekend. Omdat hij van anderen hoorde dat ik die taal wél aardig beheerste, werd ik zijn leraar. We hebben woordjes geoefend en grammatica, maar hij bleef het moeilijk vinden. Als dank voor mijn inspanningen beloonde hij me in 1974 met een bul van de Makerere universiteit: Engelse taal- en letterkunde. Heb ik later nog veel profijt van gehad. Toen Amin verslagen werd door de Tanzanianen en ik mijn baan kwijtraakte, kon ik op de middelbare school hier in Arua Engelse les geven. Het leven werd steeds beter. Ik ben altijd een groot voorstander van vrede geweest. In 1971 leken we die echt te krijgen. Acht jaar lang heeft Amin het voor het volk rustig gehouden. Er was eten, er was drinken. Oké, in hoge kringen verdwenen wel eens wat mensen, maar volgens mij gebeurt dat in ieder regime. Persoonlijk raakte ik mijn broer kwijt die op de ambassade in Rusland werkte. De president had wat moeite met hem, ik kon dat begrijpen. Diplomatiek ben ik ermee omgegaan. Hier in Arua ligt hij begraven, bij de kerk. Toen kwamen in 1978 de eerste soldaten. Moordend en plunderend stormden ze een jaar later ook hier door de streek. De meeste mensen vluchtten naar het buitenland, mijn vrouw en kinderen gingen naar Zaïre. Als een van de weinigen bleef ik in Arua achter. Ik wilde mijn huis bewaken. De Tanzanianen stonden bij mij aan de poort. “Regeringen komen en regeringen gaan”, heb ik de soldaten uitgelegd. “Nooit heb ik me schuldig gemaakt aan enige onvolkomenheid. Vrede is het belangrijkst, het maakt me niets uit wie die brengt. Ik dien niet de leiders, ik dien het landsbelang. En nu gaan we een mango eten.” We aten en we dronken en de Tanzianianen lieten me verder met rust.’ ERGENS ACHTER in de vijftig is hij, precies weet hij het eigenlijk niet. Als een hoopje ellende zit de magere, grijze Dabos Nyakuni op de bank in zijn donkere hut, op het platteland, tien kilometer buiten Arua. Rode baret schuin over het kale hoofd, vuil poloshirtje met gaten erin. Neurotisch kijkt Nyakuni iedere minuut op zijn horloge: waar blijft de stroom? Om de dag heeft Arua vier uur stroom: van zeven tot elf ’s avonds. Vandaag is het donderdag, een 'stroomdag’, maar om kwart over zeven doet het licht het nog steeds niet. Moet dan toch maar weer die dure olielamp aan? Weemoedig kijkt de oud-militair terug op de jaren zeventig, zíjn jaren zeventig. Stroomproblemen hadden ze toen niet, zegt hij. 'Feest was het toen stamgenoot Idi Amin president werd. Ik was altijd boer geweest, maar ik meldde me direct bij het leger aan. De nieuwe leider, die wilde ik dienen. Ik was een harde werker en ik werd daardoor snel een vertrouweling in de hoogste kringen. Na twee jaar al, in 1973, schopte ik het tot korporaal, gespecialiseerd in technische zaken. Ik werd gelegerd in Masaka. Vaak kwam de president kijken hoe we het maakten. Iedereen was dan hevig gespannen. Big Daddy kwam. Er heerste onrust. Alles moest schoongemaakt: eerst de barakken, dan de wapens en dan je eigen lijf. Op een verhoging sprak Amin dan de manschappen toe. Echt indrukwekkend. Hoewel ik best belangrijk was daar in Masaka voelde ik me immens klein bij deze man. Hij had het leger onder controle, zo wilde ik het ook. Iedereen wilde graag voor hem werken. We kregen een goed salaris en in de barakken was altijd voldoende te eten en te drinken. In Arua liet ik voor mijn familie een groot modern huis bouwen. Bakstenen muren, mooie ramen: van alle gemakken voorzien.’ Nyakuni wijst op zijn buik. 'Dik was ik toen, dik als Amin. In het leger was het eten en drinken zelfs gratis. Niet alleen voor mij, voor het hele land werd het er in acht jaar alleen maar beter op. Er werd hard gewerkt aan de ontwikkeling van de mensen, niemand hoefde honger te lijden. De bevolking was veilig, écht veilig. Iedereen kon vrij rondreizen. Rebellen zoals nu, die waren er niet. Leven was goed. Maar toen kwamen de Tanzanianen, die dachten daar kennelijk anders over. Van Masaka ging ik terug naar Arua, waar ik meteen mijn wapen inleverde. Amin weg, ik geen militair meer, redeneerde ik. Het leek veilig in Arua, maar mensen die af en toe op Arua Hill op de uitkijk stonden, zagen de rookwolken iedere dag dichterbij komen. Vanuit Kampala trokken de militairen onze kant op, hoorden we, en ze vernielden onderweg alles wat ze tegenkwamen. Als beesten gingen ze tekeer, ze plunderden, ze verkrachtten, ze moordden. Alle mensen van West Nile waren hun doelwit. Zelfs dominees en priesters waren hun leven niet zeker. Ik vluchtte. In Zaïre werden we gastvrij ontvangen, maar bier en voldoende eten voor de hele familie was er niet. We waren in elk geval wel veilig. Vrienden en familie die in Arua waren gebleven of te vroeg teruggingen werden doodgeschoten. Of doodgestoken met hun eigen panga’s. Tanzanianen en later Obote-soldaten, daar waren we echt bang voor. Wraak wilden ze, wraak. Meer niet. Pas in 1985 keerde ik terug. Huis verwoest, vrienden verloren. Ik moest helemaal opnieuw beginnen. Terug in het leger wilde ik niet, daarvoor vond ik mezelf te oud. De jongere generatie moest een kans krijgen. Ik miste de rijkdom van vroeger, maar mensen vertelden me dat de salarissen voor militairen ernstig gedaald waren. Daar hoefde ik het dus ook niet meer voor te doen.’ HET ENORME HUIS van generaal Mustafa Adrisi (63), Amins vice-president tot 1979, contrasteert schril met het hutje van Dabos Nyakuni. In Mvara, een chique buitenwijk van Arua woont hij. Hoge muren en zwaar bewapende soldaten moeten voorkomen dat ongewenste bezoekers een blik kunnen werpen op de enorme overdaad binnen op de compound. Graag wil Adrisi over de jaren zeventig praten, zegt hij via een tolk. Hij heeft niets te verbergen. Als de vragen hem niet bevallen, dan zal hij er evenwel geen antwoord op geven. Begeleid door een van de soldaten komt de generaal binnen. Zijn gouden Rolex-horloge blinkt in het zonlicht dat door de balkondeur naar binnen schijnt. Adrisi: 'Toen ik in 1974 door mijn vriend Idi Amin gevraagd werd chef van het leger te worden was ik trots, heel trots. We woonden eerder beiden in Koboko en graag wilde ik zijn nieuwe bewind dienen. Mijn vader probeerde me nog tegen te houden, maar dat is hem dus niet gelukt. Bang was ík nooit, mijn vader wel. Hij was er stellig van overtuigd dat ik het niet zou overleven, zeker niet toen ik een paar jaar later - wanneer was het ook alweer? - vice-president werd. Mijn voorganger was vermoord, en als Amin met zijn wispelturige karakter een slechte dag zou hebben, kon het voor mij wel eens gevaarlijk worden. Mijn vader heeft gedeeltelijk gelijk gekregen: Amin probeerde me op een gegeven moment te vermoorden. Hij liet me van de weg af rijden, een beproefde methode. Ik overleefde het en bleef in functie. Ik vreesde niet Amin, Amin vreesde mij! Het leger steunde mij volledig en dat zag de president. Zijn angst was dat het leger de regering overnam. Hij moest van me af, maar het lukte hem niet. Ik ben nog steeds heel trots: niet iedereen kan zomaar vice-president van Oeganda worden! Bovendien, begrijp me vooral niet verkeerd: in wezen was Idi Amin geen slecht mens. Alleen zijn adviseurs deugden niet.’ Behalve een internationale luchthaven had Idi Amin in Arua in de jaren zeventig een prestigieuze islamitische universiteit gepland, bouwde hij een aantal moderne communicatiesatellieten en liet hij immense bankgebouwen en bedrijfsruimten verrijzen. Voor zichzelf en zijn personeel bouwde hij nabij het vliegveld een aantal flinke villa’s. Een verharde snelweg en een treinverbinding moesten Arua ontsluiten voor de rest van het land. De luchthaven is nooit afgekomen, het bouwen van de universiteit is nooit begonnen, de communicatiesatellieten zijn al jaren buiten gebruik en de banken, bedrijven en villa’s zijn in de oorlog in 1979 en tijdens de wraak van president Obote’s soldaten aan het begin van de jaren tachtig vernietigd. De dichtstbijzijnde verharde weg is nog altijd ver weg, de treinbaan is nooit aangelegd. NA DE MACHTSOVERNAME werd Semei Dranimva voor een paar jaar leraar Engels in Arua. Omdat hij iedereen ervan heeft kunnen overtuigen dat hij geen Oegandese presidenten maar het Oegandese volk diende, benoemde de huidige president Yoweri Museveni hem in 1988 tot adviseur op het gebied van ambtenarenzaken. In 1995 ging Dranimva met pensioen. De hoge contributie van de West Nile Club kan hij van zijn riante staatspensioen gemakkelijk betalen. Op lokaal niveau werd hij onlangs benoemd tot voorzitter van het Public Accounts Committee, dat in West Nile een eind moet maken aan de corruptie. Generaal Mustafa Adrisi heeft als voormalig vice-president eveneens recht op een goede overheidsuitkering. (Als Idi Amin zijn recente belofte aan een Oegandese journalist waarmaakt en binnenkort van Saoedi-Arabië naar Oeganda terugkeert, zou ook hij voor een dergelijke bonus in aanmerking komen - pv.) Met president Museveni kan Mustafa Adrisi best aardig overweg, hij adviseert hem zelfs wel eens bij staatsveiligheidsvraagstukken. Het blijft alleen jammer dat Museveni nog steeds geen geld heeft overgemaakt om een iets groter huis te bouwen. De villa in Mvara is te klein geworden voor Adrisi en zijn tweeënveertig kinderen. Bouwplannen voor een huis met veertien slaapkamers liggen al sinds de jaren zeventig klaar, zegt hij. Dabos Nyakuni zag in 1985 bij terugkomst in Arua zijn luxe bakstenen huis verwoest. Zes van zijn acht broers kwamen bij de genocide in West Nile om het leven. Naast het karkas van zijn oude huis bouwde Nyakuni de lemen hut met rieten dak waarin hij tot op de dag van vandaag woont. Hij probeert rond te komen van de verkoop van bananen die bij hem op het erf groeien. Om in het onderhoud van zijn zeven kinderen te kunnen voorzien verdient hij af en toe wat bij als chauffeur voor het bisdom in Arua. Veel is het niet. Dat hij zichzelf in 1979 op de valreep tot kapitein benoemde, heeft niet mogen baten. Met zijn kameraden uit het leger mag hij tegenwoordig nog graag terugblikken op de jaren zeventig. Nyakuni: 'We proberen dan een vergelijking te maken tussen de verschillende regeringen die we hier in het land hebben gehad. Voor ons allemaal komt het bewind van Idi Amin op de eerste plaats. Als onze kinderen nu vragen hoe het komt dat er zo weinig eten is, dan leggen we uit dat dat door de regering komt. In Oeganda is echt voldoende voedsel, zeggen we dan, maar de verdeling is niet in orde. Big Daddy, de president uit papa’s tijd, had het een stuk beter voor elkaar. Wat hadden we het goed.’