Nederland wordt steeds gekker

De geest van Dennendal

Nederland wordt steeds gekker. De farmaceutische industrie draait overuren. Maar mankeert er niet iets aan onze samenleving?

Bezoekuur in de Valerius-kliniek, Amsterdam. Of nou ja, bezoekuur, ik ben naar het zich laat aanzien het enige bezoek. «Als je een been breekt, staat je hele familie met bloemen aan je bed», mompelt de forse verpleger die me voorgaat in de lange gangen van het statige pand. «Met een psychose sta je er alleen voor.»

Er moet wat omstandig hang- en sluitwerk worden geopend voordat ik op de plek van bestemming ben. De loodzware atmosfeer, drukkend, komt me meteen tegemoet, net als vriend D., zij het dat hij loopt met de onzekere tred van de slaapwandelaar. Zijn blik is mistig, maar zijn stem klinkt gelukkig nog even monter als altijd. «Welkom in villa Wrakhout, Amsterdams eigen heartbreak hotel. Treed binnen in de achterkant van het paarse paradijs.»

Dat is niets te veel gezegd. Het geheel biedt een desolate aanblik. Als je al niet depressief was, word je het hier wel. Het is vooral behoorlijk druk. Overal schuifelen menselijke wrakken rond, meer oud dan jong, in een chemische roestoestand, onaanraakbaar. Dolende zielen, zo weggelopen uit One flew over the cuckoo’s nest. D kent ze allemaal bij naam, en ook hun verhalen. Hij blijkt de dagelijkse leiding zo'n beetje op zich te hebben genomen, coacht waar hij kan.

Een oude vrouw met een Indonesisch uiterlijk ligt uitgestrekt op een bank naar de tl-lampen aan het plafond te staren. Een jonge Noord-Afrikaan zit gehurkt op de grond, zijn hoofd tussen de knieën. Hij lijkt katatoon verkrampt, beweegt geen spier. D is ondertussen in de weer met een kleine cassetterecorder. Even later schelt de soul door het vertrek. «Geen betere therapie dan muziektherapie!» roept hij uit, terwijl hij voorzichtig een paar danspasjes waagt. In die woorden klinkt in elk geval weer zijn oude strijdlust.

D. is hier per dwangopname beland. «Ter bescherming van zichzelf en/of zijn omgeving», zoals dat officieel heet. Op een avond had hij in blinde paniek bij onbekende mensen aangebeld voor bescherming, ervan overtuigd dat hij werd achtervolgd. Door wie precies is onduidelijk. Hij moest door een agent of vier van de trap worden gesleurd. Paranoïde, luidde de analyse van de psychiater. «Volgende week gaan ze over me vergaderen», vertelt hij. «Ik hoop hier snel uit te zijn, maar in de tussentijd maak ik er maar het beste van.»

Hij stelt me voor aan een medepatiënt, een jonge copywriter van een reclamebureau die, anders dan D., uit eigen beweging naar de Valerius is gekomen om, zo zegt hij vol ironie, «even op adem te komen.» «Ik draaide helemaal door», vertelt hij met een ironische grijns. «Nu kom ik lekker op adem met lithium. Prima spul. Kurt Cobain was er gek op, hetgeen sommige mensen overigens als verontrustend zouden beschouwen.»

We roken en praten een paar uur lang over muziek, literatuur en politiek, zoals we zo vaak hebben gedaan, maar dan thuis of in een café. Dan komt de verpleger om te zeggen dat het tijd is om te gaan. Pas als ik eenmaal buiten sta, realiseer ik me weer dat mijn vriend zit opgesloten, tegen zijn wil, en ik huiver.

Het aantal psychiatrische dwangopnamen neemt de laatste jaren hand over hand toe, vooral in Amsterdam. En dat terwijl de in 1994 van kracht geworden wet op de Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ) indertijd juist werd ingesteld om daar paal en perk aan te stellen. Met de BOPZ kon er alleen nog maar worden overgegaan tot een gedwongen opname als er volgens een psychiater sprake was van een direct gevaar — gevaar voor de omgeving en/of zichzelf. Een jaar na de invoering van de wet drong de Hoofdinspectie van Volksgezondheid erop aan dat psychiaters dat «gevaarscriterium» ruim zouden interpreteren. Inmiddels blijkt ook «ernstige mate van overlast» reden om iemand op te mogen sluiten in een psychiatrische kliniek. Kort geleden kondigde het kabinet aan dat de BOPZ binnenkort verder in die richting zal worden aangepast.

Het is tekenend voor de toenemende behoefte aan ouderwets repressieve maatregelen. Bedwinging van de «overlast» die de psychiatrische patiënt met zich meebrengt, is heden de prioriteit nummer een. Over de sociale dimensie van de psychiatrie maken weinigen zich meer druk.

De tijden van de sociale psychiatrie liggen ver achter ons. Die begonnen in Amsterdam begin jaren dertig, toen de jonge psychiater A. Querido, geshockeerd door de martelpraktijken in de psychiatrische gestichten van die tijd, in opdracht van de hoofdstedelijke GGD een geheel nieuw systeem opzette: de rijdende psychiater, een doktersdienst aan huis. Het was het begin van de ambulante «sociale psychiatrie» in Nederland. Querido’s doel was de psychiatrische patiënt te beschermen. Bovendien, zo was zijn overtuiging, konden psychosen en neurosen eigenlijk alleen maar worden begrepen als men de patiënt kon observeren in zijn eigen omgeving. De psychiater, als mediator tussen patiënten en zijn omgeving, moest streven naar «resocialisatie». De «omgevingsfactor» werd als cruciaal gezien. Patiënten mochten voor alles niet worden «opgeborgen». Toen kwam de oorlog en was er voor de «omgevingsfactor» weinig aandacht meer. In Duitsland werden 300.000 «erfelijk belaste» psychiatrische patiënten de gaskamer ingestuurd.

In de jaren vijftig vochten nieuwe wetenschappelijke inzichten om voorrang. De elektroshock, uitgevonden door de Italiaanse Mussolini-fan Cerletti, werd een populaire therapie. Waanzin werd nu geduid als een technisch mankement in het brein, dat met de zegeningen der moderne technologie kon worden verholpen. Pas in de jaren zestig kreeg de psychiatrie weer oog voor de sociale samenhang. Het leidde tot een ware revolutie.

In 1969 richtte een groep patiënten rond de Duitse psychiater Wolfgang Huber van de Universiteit van Heidelberg het Socialistisch Patiënten Kollektief (SPK) op. Geestesziekte werd hier gezien als een protest tegen de kapitalistische klassenmaatschappij. Actievoeren werd gezien als de beste therapie. In korte tijd sloten meer dan driehonderd patiënten zich bij het SPK aan. Vooral de psychiatrische ziekenhuizen moesten het ontgelden. Enkele patiënten werden gewapenderhand bevrijd. Huber werd ontslagen op de universiteit. Het SPK bezette daarop de afdelingen van zijn Heidelbergse kliniek. De «anti-psychiatrie» werd geboren. De psychiatrische patiënt was in die visie helemaal niet ziek, doch eerder een revolutionaire held, een onaangepaste in de patriarchale structuren, die men vooral zijn gang moest laten gaan.

In Italië werden soortgelijke ideeën in de praktijk gebracht. In het kielzog van de gebeurtenissen in Duitsland ontwikkelden Italiaanse psychiaters de «democratische psychiatrie». Anders dan hun Heidelbergse collega zagen zij de psychiatrische patiënt weliswaar niet als de eerst aangewezene om op te treden als revolutionaire voorpost; wel vonden zij dat het de samenleving was die genezen diende te worden en niet de individuele patiënt, die dan ook uit het isolement van de inrichting moest worden gehaald. In de jaren zeventig leidden deze inzichten tot een serie spectaculaire sluitingen van grote klinieken. De gekken moesten de straat op, ter genezing van de gehele samenleving.

Ook aan Nederland gingen deze ontwikkelingen niet onopgemerkt voorbij. In het op jongeren gerichte behandelcentrum Dennendal riep therapeut Carel Muller het einde van de bestaande psychiatrie uit. Hij verklaarde de oorlog aan de bestaande, ziekmakende machtsverhoudingen. Het zittende kabinet Den Uyl maakte er met harde hand een einde aan. Ironisch genoeg kwam er pas echt vaart in het «anti-institutionele» denken in de psychiatrie tijdens de toch niet bijster verlichte Lubbers-era. De inzichten van de anti- c.q. democratische psychiatrie bleken te kunnen dienen als uitstekende bezuinigingsinstrumenten. Zo konden de geldverslindende grote inrichtingen met een mooi humanitair en progressief verhaal toch worden wegbezuinigd.

In Amsterdam betekende dat in 1984 het besluit tot de sluiting van het grote, geïso leerd gelegen psychiatrisch ziekenhuis Santpoort van Bloemendaal, in het kader van het nieuwe Amsterdamse model. De patiënten moesten voortaan naar een van de vele kleine Multifunctionele Eenheden (MFE’s), her en der verspreid in de stad zelf. Het werd door velen gezien als een soort verlate overwinning voor de geest van Dennendal. Een hele inrichting in een klap «geresocialiseerd». De werkelijkheid viel bar tegen. Sommige Santpoorters kwamen in groepjes terecht in kleine communes in de Bijlmer, anderen begonnen door de stad te zwerven.

Uit epidemiologisch onderzoek blijkt dat het aantal psychisch gestoorden in Nederland procentueel niet toeneemt, zo liet minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid Roger van Boxtel afgelopen mei weten nadat er in de Tweede Kamer vragen waren gesteld over een verontrustende toename van het aan tal acute psychiatrische noodgevallen, vooral in Amsterdam. Volgens Van Boxtel stond er in Amsterdam weliswaar wat meer druk op de ketel, maar dat, zo verklaarde hij, was geheel te wijten aan de «verhuizing» van de patiënten van Santpoort naar Amsterdam, zodat er, aldus nog steeds Van Boxtel, alleen optisch sprake was van een stijging van het aantal gevallen van acute psychische nood in de hoofdstad.

Inmiddels valt dat verhaal onmogelijk meer vol te houden. Begin deze maand lieten de ambulante geestelijke gezondheidsinstellingen in Amsterdam weten dat ze de druk van het snel toenemende aantal acute gevallen niet meer aan kunnen. Bovendien klaagt de politie steen en been dat ze met steeds meer psychisch gestoorden te maken krijgt. Meer dan tien procent van de gevangenisbevolking kampt met ernstige persoonlijkheidsstoornissen.

Vooral om de politie te ontlasten riep het kabinet onlangs een «Integraal Veiligheidsprogramma» in het leven, waarin wordt gepreludeerd op «aanvullende maatregelen» die nodig zijn voor een «24-uurs opvang van mensen die structureel overlast veroorzaken, met name dak- en thuislozen». Inmiddels is men in de Amsterdamse psychiatrische opvang al helemaal weer van het spoor «klein is fijn» af. Centralisatie is nu wat de klok slaat. Nog even en Santpoort kan de poorten weer openen.

De psychiatrie anno 2000 lijkt bovenal bezig aan een nieuw repressief offensief. Zo is naast de elektroshocktherapie ook de isoleercel — nu eufemistisch «separette» geheten — weer helemaal terug van weggeweest. De aan dacht voor resocialisatie is ook weer ernstig verflauwd, vooral door de onstuitbare opmars van de «biopsychiatrie» en «neuropsychologie», die verkondigen dat elke psychiatrische klacht het resultaat is van een verstoorde chemische huishouding in de hersenen en kan worden verholpen met de juiste pil.

Tegenstanders van deze biopsychiatrische explosie, zoals Peter Breggin, auteur van het polemische boek Brain-disabling treatments in psychiatry (1997), waarschuwen ervoor dat de gehele traditie van de sociale psychiatrie bij het grof vuil dreigt te worden gezet als gevolg van de nieuwe farmaceutische ijver. Zij zien vooral de beperkingen en de gevaren van dit «bioselectieve denken».

Breggin spreekt zelfs van «pseudo-wetenschap» als psychiatrische klachten louter worden gezien als resultaat van een falend chemisch proces, dat hersteld kan worden door middel van medicatie, zonder dat er nog naar de omgevingsfactoren wordt gekeken. Vooralsnog worden critici als hij aan de kant gezet als ongewenste azijnpissers. De Utrechtse hoogleraar Theo Kahn liet op de Vara-televisie weten dat hij negentig procent van de klachten over depressies met pillen en elektroshocks zou weten te verhelpen. Er zijn zelfs psychiaters die hun vak op DNA-niveau bedrijven. Alleen al manische depressiviteit wordt in verband gebracht met stukjes DNA-tekst op de chromosomen 4, 5, 11, 18, 21 en x. Schizofrenie is met ten minste drie genen verbonden. Door medicijnen te ontwikkelen die direct inwerken op deze DNA-structuren, zou er over enkele decennia geen psychiatrische inrichting meer nodig zijn, verkondigen deze enthousiastelingen. Het ontslaat hen ook gelijk van de verplichting om na te denken over de inwerking op de menselijke geest van niet-farmaceutische gestuurde fenomenen als verarming en vereenzaming, waar psychiaters als Querido zich nog druk om maakten. Laat staan dat een «neuropsycholoog» zich à la Wolfgang Huber of zijn Italiaanse tegenvoeter Franco Basaglia nog zou buigen over de «ziekmakende aspecten van de samenleving». Het is toch allemaal een kwestie van serotonine en neurotransmitters.

Psychiatrie dreigt zo steeds meer te versmallen tot een farmaceutische aangelegenheid. Psychiaters veranderen in dealers van legale drugs. De markt is onafzienbaar. Zelfs peuters zijn in toenemende mate manisch depressief: in Amsterdam-Noord werd onlangs een hele wijk vol depressieve vierjarigen aangetroffen.

Volgens een onderzoek van het Nederlands Fonds voor de Geestelijke Volksgezondheid is een op de vier Nederlanders in principe rijp voor een of andere psychopil. In een regeringsrapport over de psychiatrische toestand van de Nederlandse bevolking werd recent uitgerekend dat er nog zeker 465.000 Nederlanders rondlopen die baat zouden hebben bij psychofarmaca, maar die daar tot nog toe niet aan zijn toegekomen. Als dat zo doorgaat, is Nederland straks één groot Dennendal.