Churchill en Hitler

De geestige hedonist en de humorloze asceet

Churchill en Hitler. Waren ze tegenpolen of bestonden er juist veel overeenkomsten tussen deze twee hoofdrolspelers uit het meest gewelddadige tijdperk in het twintigste-eeuwse Europa?

In Londen verzamelen vredesdemonstranten zich vrijwel dagelijks op Parliament Square, waar ze zich met hun spandoeken en protestborden opstellen naast het standbeeld van Churchill. Op een regenachtige zaterdagochtend, kort voordat Groot-Brittannië zich in de tweede Golfoorlog stortte, zag ik een groepje professionele actievoerders kleumend rondscharrelen. Het maakte een curieuze indruk, daar naast dat imposante bronzen beeld van de onverzettelijke oorlogsleider, die met zijn paraplu en geklede jas lijkt op de rijke neef van onze eigen Dokwerker. Wat zou híj van deze oorlog hebben gevonden? Hij was toch tegen elke vorm van appeasement geweest? Hij had zich tegen over de dictator Hitler toch onverzoenlijk opgesteld? Hij was toch het conflict niet uit de weg gegaan?

In Engeland werd het debat over het al dan niet voeren van een oorlog tegen Irak in hoge mate getekend door het «trauma van München». Als men zich nog langer zou laten ringeloren door Saddam, als men zou toestaan dat hij doorging met VN-resoluties aan zijn laars lappen, deed men dan niet hetzelfde als Chamberlain in september 1938 had gedaan? Churchill was toen de enige geweest die had gezien dat «peace in our time» een illusie, want uitstel van executie, was geweest.

Tegenstanders van de oorlog benadrukken uiteraard graag dat Saddam geen Hitler is, en dat het Irak van 2003 niet te vergelijken valt met het Duitsland van 1939, en dat Churchill in 1940 de onverschrokken en inspirerende leider werd van een land dat op het punt stond onder de voet te worden gelopen. Toen was er geen andere uitweg dan oorlog, nu blijkbaar wel.

De Churchill tegenover de parlements gebouwen lijkt zich er niet druk om te maken. Niet alleen omdat hij een standbeeld is, maar ook omdat zijn reputatie onaantastbaar lijkt. Afgelopen november nog, toen het debat over Irak al volop gaande was, won hij moeiteloos de BBC-verkiezing van «Greatest Briton». Drie jaar eerder was hij slechts op het nippertje verslagen door William Shakespeare in de verkiezing van «Man of the Millennium». Bij het grote publiek kan deze buldog, dit symbool van de bijkans wanhopige Battle of Britain, niet meer stuk.

Uiteraard zijn er pogingen geweest deze titaan te debunken, en wie een van de talloze biografieën leest, komt er achter dat we hier allesbehalve met een heiligenleven te maken hebben. Churchill was dol op macht en oorlog, was ongemanierd en dronk stevig, voelde zich als aristocraat hoog verheven boven het plebs, was als minister verantwoordelijk voor blunders als de invasie van Turkije in 1915 en de terugkeer naar de Gouden Standaard in 1929, en gold in zijn tijd als door en door onbetrouwbaar.

In het tweepartijenstelsel van Engeland wordt het overlopen naar de andere partij, die aan de andere kant van de parlementszaal zit, gezien als weinig minder dan «landverraad». De door geboorte tot de Tories behorende Churchill liep niet alleen in 1904 over naar de in opmars zijnde liberalen; twintig jaar later wandelde hij doodgemoedereerd weer terug. Hij had zich aanvankelijk sterk gemaakt voor sociale wetgeving, maar werd een typische reactionair wiens ideeën over democratie en sociaal-economische politiek tegen het fascis me aanschurkten.

Dat een linkse historicus als Clive Ponting heeft getracht Churchill neer te zetten als een dronken, militaristische hufter mag dan ook geen verbazing wekken, evenmin als het feit dat de tot het neonazisme bekeerde voormalige historicus David Irving in twee vuistdikke boekdelen heeft geprobeerd aan te tonen dat in 1940 de grote schurk geen Hitler maar Churchill heette. Volgens Irving was Churchill in tegenstelling tot de preutse Hitler niet alleen een potloodventer, maar was hij ook verantwoordelijk voor het feit dat de Geal lieerden niet de gaskamers van Auschwitz hebben gebombardeerd.

Een opmerking die uit de pen van een holocaust-ontkenner net zo merkwaardig is als het verwijt dat de Saoedi-Arabische ambassadeur Churchill vorig jaar nog maakte. In een ingezonden brief wist deze namelijk te melden dat Churchill in 1917 opdracht had gegeven het vuur te openen op demonstrerende suffragettes.

Valt dit alles nog te rangschikken onder de kop «folklore», anders ligt dat met de kritiek die de afgelopen tien jaar is geleverd door jonge, conservatieve historici die het betreuren dat Engeland zich in de twintigste eeuw tot tweemaal toe heeft laten verleiden zich te mengen in een continentaal conflict. Zowel de deelname aan de Eerste als aan de Tweede Wereldoorlog is volgens hen catastrofaal geweest voor Groot-Brittannië.

In 1918 kwam het land weliswaar als overwinnaar uit de strijd, maar lagen er wel 900.000 Britten begraven op de modderige vlaktes van Vlaanderen en Noord-Frankrijk. Bovendien was het land vrijwel bankroet. Twintig jaar later was Groot-Brittannië daar nog lang niet overheen, en had een consequente politiek van appeasement het land buiten de oorlog kunnen houden, terwijl Hitler en Stalin elkaar na een tijdje de hersens zouden inslaan. De onverantwoordelijke Churchill stortte het land echter in de oorlog, waarna het zo verzwakt raakte dat het na 1945 niet meer in staat was zijn Empire bij elkaar te houden.

Deze jonge historici, die de intellectuele munitie leveren voor de rabiaat eurosceptische vleugel van de conservatieve partij, worden ook wel aangeduid als «the dons of war». De bekendste onder hen zijn John Charmley, die in 1993 Churchill: The End of Glory publiceerde, Niall Ferguson en Andrew Roberts.

De laatste debuteerde in 1991 met een sympathiserende biografie van Lord Halifax, Chamberlains minister van Buitenlandse Zaken die verantwoordelijk was voor de appeasementpolitiek, en die volgens velen in mei 1940 premier had moeten worden. Daarna volgden onder meer nog de essaybundel Eminent Churchillians, de eurosceptische thriller The Aachen Memorandum, de kolossale en veelgeprezen biografie van de conservatieve negentiende-eeuwse premier Salisbury en een dubbelbiografie van Napoleon en Wellington. Voor de BBC maakte Roberts de in maart uit gezonden vierdelige televisieserie Secrets of Leadership. Een aflevering was gewijd aan Hitler en Churchill, en het materiaal hiervoor is uitgewerkt tot een boek dat onlangs verscheen.

Hitler & Churchill is dus het tweede «dubbelportret» dat Andrew Roberts heeft geschreven, en de vraag dringt zich op of dit wel zo’n geslaagd genre is. Uiteraard is er het fameuze voorbeeld van Alan Bullocks Parallel Lives, dat in feite bestond uit zowel een biografie van Hitler als van Stalin, waaraan enkele vergelijkende hoofdstukken waren toegevoegd. Het veel dunnere boek van Roberts pretendeert echter niet volledige levensbeschrijvingen te geven en pikt slechts die elementen eruit die zich lijken te lenen voor een vergelijking. Bovendien waren Hitler en Stalin, bij alle verschillen tussen hun persoon en tussen de ideologieën die zij vertegenwoordigden, twee totalitaire dictators, die weliswaar elkaars tegenstanders waren maar veel gemeenschappelijke kenmerken vertoonden.

Maar Hitler en Churchill? Is dat niet een erg gezochte vergelijking? Roberts haalt verscheidene auteurs aan die beide antagonisten al eerder met elkaar vergeleken, en die soms tot de conclusie kwamen dat ze verontrustend veel overeenkomsten hadden.

Overtuigend toont Roberts aan dat dit grotendeels flauwekul is, en dat er nauwelijks twee figuren zijn te vinden die minder op elkaar lijken dan de geestige hedonist Churchill en de humorloze asceet Hitler. Een auteur die beweert dat beiden «geobsedeerd waren door militaire macht» krijgt er van Roberts van langs, omdat dit voor Churchill alleen zou gelden in tijden van oorlog. Volgens hem was het toeval dat Churchill deel uitmaakte van de regering toen Engeland betrokken raakte bij de twee meest verschrikkelijke oorlogen uit de geschiedenis. Roberts neemt hier duidelijk afstand van het standpunt van Charmley, en van de appeasers die hij vroeger heeft verdedigd, en die juist van mening waren dat Churchill Groot-Brittannië nodeloos in de oorlog had gestort.

Een kwaadwillende lezer zou kunnen vermoeden dat deze andere kijk op Churchill te maken heeft met het standpunt dat de Tories innemen inzake de oorlog tegen Irak, en dat hen momenteel tot de trouwste bondgenoten van Tony Blair maakt. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat intensieve studie Roberts tot een oprechte bewonderaar van Churchill heeft gemaakt. Hoewel hij niet blind is voor de gebreken van de grote man maakt hij er veel werk van om de argumenten van veel criticas ters te ontzenuwen.

Helaas voegt Roberts met dit boek nauwelijks iets toe aan het bestaande beeld van Churchill, en komt hij wat Hitler betreft helemaal niet verder dan het herhalen van de meest gangbare visie. De beloofde inzichten in «de geheimen van het leiderschap» blijven steken in wat algemeenheden van het soort dat men aantreft in de laagdrempelige boekjes van managementgoeroes.

Roberts schrijft goed, spits, meeslepend, heeft een gelukkige hand van citeren, maar dat is niet genoeg. Toen hij in 1999 de meer dan 400.000 woorden tellende biografie van Salisbury publiceerde, maakte hij zich enigszins belachelijk door te beweren dat hij het werk in acht weken had geschreven. Na lezing van Hitler & Churchill rijst het vermoeden dat dit werkje in een weekend in elkaar is geflanst, aangezien het niet méér is dan wat de Engelsen zo treffend een potboiler noemen, en wij een geldklopboekje.

Opvallend afwezig in de literatuuropgave zijn twee titels van Sebastian Haffner, namelijk het uit 1978 daterende Anmerkungen zu Hitler en het elf jaar oudere Churchill. Vooral in dat laatste boekje, waarvan onlangs een nieuwe Nederlandse uitgave verscheen, worden op pregnante wijze de verschillen en overeenkomsten tussen Hitler en Churchill in kaart gebracht.

Sinds Haffner dit boekje schreef is er ontstellend veel materiaal over Churchill verschenen en zijn er talloze boeken over hem geschreven. Toch maakt Haffners studie een allesbehalve overbodige indruk. Het boek heeft niet de pretentie een biografie te zijn en heeft het meest weg van een «profiel». Maar dan wel een haarscherp profiel, waarin de hoofdlijnen met trefzekere meesterhand zijn getroffen en details slechts zijn aangebracht om die hoofdlijnen te accentueren.

Hoewel het zonneklaar is dat Haffner een enorme bewondering voor Churchill koestert, heeft hij nergens de neiging de man mooier te maken dan hij was. Anders dan Roberts is hij van mening dat Churchill — evenals zijn voorvader Marlborough, Frederik de Grote en Napoleon — wel degelijk «voor de oorlog geboren» was. Na een ongelukkige, kille jeugd en een mislukte schoolcarrière leefde hij pas op toen hij op z’n twintigste, net als andere aristocratenzoontjes die nergens anders voor deugden, het leger in ging. Door schaamteloos gebruik te maken van de relaties van zijn familie kreeg hij het voor elkaar om in vijf jaar tijd aan vijf oorlogen deel te nemen, daar artikelen en boeken over te schrijven, en als oorlogsheld terug te keren.

Zijn politieke carrière daarna was duizelingwekkend, zowel in opgaande als in neergaande lijn. Spoedig werd Churchill minister en zijn eerste finest hour beleefde hij toen tijdens zijn ministerschap van Marine de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Na het fiasco van de Galipoli-expeditie moest hij dat ambt weliswaar opgeven, maar in de jaren twintig vervulde hij nog verschillende ministerposten.

Hij gold echter als zeer onbetrouwbaar en zowel de arbeiders als de elite zagen hem als een uitsluitend op eigen glorie beluste extremist. In de jaren dertig was hij nog wel parlementslid, maar stond hij vrijwel alleen. Hij zou deze periode later beschrijven als zijn «jaren in de wildernis».

Dat Churchill zich ontwikkelde tot fel en onverzettelijk tegenstander van het Duitse nationaal-socialisme kwam niet doordat hij zo vreselijk democratisch of progressief was, maar doordat hij tegen elke vorm van appeasement was. Eerder had hij de regering fel bestreden omdat deze veel te toegeeflijk zou zijn geweest ten opzichte van de naar Indiase onafhankelijkheid strevende Gandhi — «een rebelse advocaat, die eruit zag als een fakir, en halfnaakt de trappen van het paleis op liep» — en ten opzichte van de Labour Party.

Pappen en nathouden, compromissen sluiten, kalm aan, dan breekt het lijntje niet — Churchill moest hier niets van hebben.

In normale omstandigheden is een dergelijk onverzoenlijke houding funest voor een politicus. Vandaar ook dat de overgrote meerderheid van de Britten meer vertrouwen had in Chamberlain. Die zag in dat Engeland zich financieel geen nieuwe oorlog kon veroorloven en dat die oorlog het einde van het Britse koloniale rijk zou betekenen. Om de Britse belangen veilig te stellen was Chamberlain bereid Hitler zo veel mogelijk zijn zin te geven. Op den duur zou Duitsland verzadigd en vadsig zijn geworden, en zou dat niet zo zijn, dan zou het land oorlog met de Sovjet-Unie gaan voeren. Dat laatste zou helemaal prachtig zijn; dat betekende immers dat er twee vliegen in één klap werden geslagen.

De redenering van Chamberlain was spijkerhard en volkomen logisch. Het enige waar hij geen rekening mee had gehouden, was de figuur van Hitler. Elke andere staatsman zou van de Engelse houding hebben geprofiteerd en tevreden zijn als hij zonder oorlog het overgrote deel van de beoogde buit kon binnenhalen. Hitler wilde echter oorlog, omdat de biologische revolutie die hij nastreefde alleen door middel van strijd kon worden voltrokken. Hij dacht niet in staten maar in rassen. Ook hij kende het compromis niet, geloofde alleen in het alles of niets. Churchill herkende in Hitler de allesvernietigende revolutionair, die hij ook zo had gehaat in Lenin en Trotski.

Haffner laat er geen twijfel over bestaan dat Churchill een oneindig veel beter mens was dan Hitler, maar hij signaleert wel drie overeenkomsten tussen beide mannen: «Het krijgszuchtige — beiden waren voor de strijd geboren en hielden ervan; het anachronis tische — beiden hoorden eigenlijk niet echt thuis in de twintigste eeuw, maar in een ouder, flinker tijdperk; en het extreme — beiden gingen, ieder op zijn eigen, fundamenteel andere wijze, in bepaalde richtingen tot de uiterste grens, verkommerden in de gematigde zones waar anderen gedijen, en leefden pas op waar anderen eronderdoor gaan.»

Andrew Roberts

Hitler and Churchill: Secrets in Leadership

Uitg. Weidenfeld & Nicholson,

202 blz., € 32,-

Sebastian Haffner

Churchill

met een nawoord van Bart Tromp

Uitg. Mets & Schilt, 206 blz., € 20,-

_______________________________

Hans Küng, De katholieke kerk

Al decennia geldt de theoloog Hans Küng als een luis in de weelderige pels van de roomse kerk. Gegrepen door de idealen van het Tweede Vaticaans concilie stelde hij verschillende dogmata ter discussie, waaronder de onfeilbaarheid van de paus. Dat leidde tot vele aanvaringen met de «congregatie voor de geloofsleer». In dit boekje beschrijft Küng in vogelvlucht de geschiedenis van de katholieke kerk en legt hij de nadruk op de in zijn ogen funeste rol die het Vaticaan al die eeuwen heeft gespeeld. Voor trouwe gelovigen ongetwijfeld een gruwel, voor ketters en heidenen een informatief overzichtswerkje.

Uitg. De Bezige Bij, 240 blz., € 19,50

Constantijn Huygens, Mijn leven, verteld aan mijn kinderen

Kapitale editie van de beknopte, in het Latijn gestelde autobiografie van de dichter, diplomaat, secretaris van Frederik Hendrik, musicus, componist, vertaler en vader van Christiaan. De vertaalde tekst neemt nauwelijks zestig bladzijden in beslag, maar vertaler Frans Blom heeft niet alleen gezorgd voor een uitstekende inleiding, in het vuistdikke tweede deel heeft hij alle opmerkingen en verwijzingen van Huygens voorzien van uitputtend commentaar. Voor wie meer wil weten van de late Renaissance in de noordelijke Nederlanden is dit boek een ware Fundgrube. Tegelijkertijd verscheen Huygens’, ook door Blom bezorgde, Journaal van de reis naar Venetië.

Uitg. Prometheus/Bert Bakker, 228 en 622 blz., € 60,- (Journaal € 30,-)

Fergus Fleming, Barrows jongens

Tijdens de hoogtijdagen van het Empire zwermden veel jonge, energieke Britten van goede komaf uit naar alle hoeken van de aardbol. Velen van hen vertrokken in opdracht van Sir John Barrow, de tweede secretaris van het ministerie van Marine. Hij wilde de «witte plekken» op de wereldkaart invullen, en stuurde daarom zijn «jongens» naar de Noordpool, liet hen onderzoeken of er een noord-westpassage was en wat er zich in het hart van Afrika bevond. Omdat Barrow geen idee had van de problemen waarvoor deze mannen kwamen te staan, en de voorbereidingen van de expedities doorgaans slecht waren, liep zo’n tocht niet zelden dramatisch af. Een meeslepend verhaal over moed, doorzettingsvermogen en onversneden waanzin.

Uitg. Atlas, 450 blz., € 24,95

Harry G.M. Prick, Een vreemdeling op de wegen: Het leven van Lodewijk van Deyssel vanaf 1890

Een ruim 1400 bladzijden tellend tweede deel van «the biography to end all biographies». Het lijkt allemaal erg veel, maar vergeleken met deel 1 heeft Prick zich hier nog ingehouden. Dat deel was weliswaar 350 bladzijden dunner, maar behandelde slechts de eerste 26 levensjaren van Pricks held. Als de biograaf de resterende 62 jaar even uitputtend had beschreven, zou dit deel dus 2575 pagina’s hebben moeten tellen. Hoewel niet iedereen het geduld zal opbrengen om negen pagina’s lang de verwikkelingen rond een door Mari Andriessen vervaardigd borstbeeld te volgen, is dit een prachtig boek. Het is een ode aan een kunstenaar die bij gebrek aan voldoende talent een kunstwerk van zijn leven trachtte te maken.

Uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep,

1430 blz., € 45,-

Léon Bloy, Huilen met de wolven in het bos

De missing link tussen Flauberts Dictionnaire des Idées Reçues en Karel van het Reve’s Uren met Henk Broekhuis. De integralistische katholiek Bloy neemt hier de gemeenplaatsen van de door hem zo verachte Burger onder het mes. De vrome huichelarij waarmee het meest platvloerse materialisme werd toegedekt, wordt door hem genadeloos aan flarden gescheurd. «Geld maakt niet gelukkig», «Je leeft niet voor de lol» en: «Ik doe me niet beter voor dan ik ben» vormen volgens hem de wapens waarmee het zatte burgerdom zich verdedigt tegen zowel de afgunst van het plebs als tegen de eisen die de kerk stelt. Op het cliché «armoede is geen schande» reageert hij met de vraag wat dan wel een schande of een misdaad is. Ook dit is een gemeenplaats die «met de beate glimlach van de amanuensis in de snijzaal, gewoonweg een sluier (werpt) over de gruwelijkste sjanker van de mensheid».

Uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep,

128 blz., € 15,95

Uwe Soukup, Ik ben nu eenmaal Duitser

Henri de Montherlant kon zich niet voorstellen hoe een historicus de liefde bedreef. Iemand die zijn leven besteedt aan het navertellen van wat anderen mee maken, hoe zou die zelf iets kunnen meemaken? Biogra fieën van historici vormen inderdaad een merkwaardig genre, maar in het geval van Sebastian Haffner kun je in elk geval aanvoeren dat de man oorspronkelijk jurist was, om vervolgens als journalist zijn brood te verdienen. Uwe Soukup geeft een braaf overzicht van dit leven, maar mist de scherpe en kritische blik van zijn held. Zo slikt hij diens onterechte verkettering van de sociaal-democraten en zijn al te welwillende houding ten opzichte van de communisten voor zoete koek.

Uitg. Aspekt, 299 blz., € 22,50