De geheime leer

De feministische pioniersters Helena Blavatsky, Annie Besant en Alexandra David-Neél schreven al trekkend door het oosten het evangelie van de Nieuwe Tijd. Over drie ‘femmes savantes’ die de wereld veranderden.

MET HAAR Déclaration des Droits de la Femme et de la Citoyenne uit 1791 was de Franse toneelschrijfster Olympe de Gouges de eerste feministe uit de westerse geschiedenis. Het was een revolutionair geschrift: De Gouges eiste gelijke burgerrechten voor vrouwen, inclusief het recht van ongetrouwde moeders om de vader van hun kinderen aan te wijzen, én het recht op vrije liefde. Dat was een tikkeltje te wild naar de smaak van het revolutionaire kameraden, die de suffragette in 1793 dan ook tot de guillotine veroordeelden. ‘Olympe de Gouges, geboren met een geëxalteerde verbeelding, zag haar delirium aan voor natuurlijke inspiratie’, zo luidde haar doodsbericht. 'De wet heeft deze samenzweerster gestraft omdat ze de deugden die bij haar sekse behoren, vergeten had.’ De Françaises zouden tot 1944 op hun gelijke burgerrechten moeten wachten. In grote delen van de wereld wachten vrouwen nog steeds. In de negentiende eeuw bleek hoe hardnekkig en taai de mannelijke contrarevolutie was. Diverse feministische intellectuelen realiseerden zich dat er voor de gewenste verandering meer nodig was dan alleen wettelijke hervormingen. Wat nodig was was een totale transformatie van de samenleving, inclusief een revolutie op religieus terrein. Uiteindelijk was de christelijke kerk als geen ander verantwoordelijk voor de immer voortdurende knechting van de vrouw. Dat was de achtergrond van de grootscheepse theologische herprogrammeringscampagne zoals die vanaf het midden van de negentiende eeuw door tal van vooraanstaande suffragettes werd gevoerd.
Het ontegenzeglijke boegbeeld van deze beweging was de Russische artistocrate Helena Blavatsky. Madame Blavatsky, de 'oermoeder van de New Age’ (aldus de Osservatore Romana in 1996) kwam als Helena Hahn-von Rottenstern in juli 1831 ter wereld in Ekaterinoslav in de Oekraïne, het tegenwoordige Dnipropetrovsk. Haar vader, Baron Peter Rottenstern-von Hahn, was kolonel in het leger van de tsaar. Haar moeder, Helena Andreyevna Fadeyev, was een gevierd romanschrijfster, de Russische George Sand, schrijvend onder het pseudoniem Zenaida R-va. De familie bewoog zich voort in de hoogste kringen van de Russische aristocratie. Helena’s neef Sergej Joseviwitsj Witte was jarenlang minister in het kabinet van de tsaar.
Al op zeer jonge leeftijd werden Helena magische vermogens toegedicht. Ze joeg de lijfeigenen de stuipen op het lijf met griezelverhalen over waterspoken en demonische bosgeesten, een voorteken van de horrorverhalen die ze aan het eind van haar leven zou schrijven. Nog voor haar vijftiende verslond ze de hele bibliotheek met occulte klassiekers die haar overgrootvader prins Paul bij zijn dood aan haar grootmoeder had overgedaan. De bibliotheek bevatte honderden boeken over alchimie en magie. Een van haar favorieten was de Occulta Philosophia van Heinrich Cornelius Agrippa von Nettesheim (1486-1535). Al voor haar vijftiende, zo schreef madame Blavatsky, 'had Agrippa geen geheimen meer voor mij’.
Op zeventienjarige leeftijd trouwt Helena met de 39-jarige generaal Nifikor Blavatsky, plaatsvervangend gouverneur van de provincie Erivan in Armenië. Helena omschrijft het uiterlijk van haar echtgenoot als dat van 'een kaalgeplukte raaf’ en ontvlucht hem dan ook bij elke gelegenheid. In het gezelschap van Koerdische huursoldaten maakt ze lange reizen te paard in het Turkse rijk. Na drie maanden huwelijk houdt ze het voor gezien. In het gevolg van een Russische gravin, verkleed als jongen, vertrekt ze vanuit Odessa per schip naar Istanboel, en vervolgens Cairo, waar ze in de leer gaat bij een Koptische magiër.
TOCH BLIJVEN DE grote geheimen vooralsnog een gesloten boek. In 1851 beleeft madame Blavatsky een geestelijke crisis in Londen, tijdens de grote Wereldtentoonstelling in Hyde Park. Ze staat op het punt zich van Waterloo Bridge te werpen als ze in haar hotelkamer wordt bezocht door een Mahatma, Koet Hoemi genaamd, al dan niet in astrale gedaante. 'Hij maakte me wakker en redde me. Om me maar aan het leven te binden beloofde hij me de steen en de maagd’, aldus Blavatsky, die vanaf dat moment onder speciale protectie zegt te staan van een geheim broederschap van wijzen. Vol nieuwe energie stort ze zich op nieuwe expedities. In 1852 scheept ze in naar Canada, om te wonen onder de indianen van Quebec. Helaas gaat een plaatselijke medicijnman er met haar laarzen en andere spullen vandoor. Een illusie armer vertrekt Blavatsky naar de Verenigde Staten, op weg naar de Mormonen in Missouri.
Nog voordat ze haar bestemming heeft bereikt blijkt de Mormonenstad Navoo echter platgebrand. In New Orleans maakt de Russische aristocrate kennis met de lokale voodoo-gebruiken, en via Midden- en Zuid-Amerika, gaat het naar het oosten. In gezelschap van een hindoe-monnik vaart ze naar Ceylon, om via India en Nepal een eerste poging te doen om Tibet binnen te trekken, op zoek naar Lhasa, de Verboden Stad, alwaar de dalai lama zetelt. De Britse autoriteiten verlenen haar echter geen doorgang.
In 1857 is Blavatsky in Parijs in de leer bij Daniel Douglas Home, een fameuze Britse occultist, gespecialiseerd in levitatie, over gloeiende kolen lopen en het oproepen van geesten. In Moskou en Sint-Petersburg doen geruchten de ronde als zou Blavatsky in Parijs de minnares zijn van de stokoude prins Emile von Sayn-Wittgenstein, uit welke relatie volgens dezelfde roddels een zwaar gehandicapt kind zou zijn geboren, dat ergens discreet zou zijn opgeborgen. Ondertussen is het middelpunt van al deze consternatie wederom naar het Tibetaanse hoogland onderweg. Dit keer slaagt ze er wel in door te dringen tot de Verboden Stad van de dalai lama. Haar zuster Vera Zelihovsky, zelf een gevierd schrijfster, meldde in 1883 in het Russische tijdschrift Rebus dat Helena, eenmaal terug van haar Tibetaanse verblijf, in staat was om met mentale kracht allerlei voorwerpen door de kamer te laten vliegen. Met zus Vera op bezoek bij aartsbisschop Isidore van Kiev demonstreerde madame Blavatsky de vermogens van haar 'onzichtbare hand’. De werkkamer van de metropoliet begon te trillen, meubels en kandelaars vlogen in het rond. Vera: 'De bisschop had veel gelezen over zogeheten spirituele manifestaties, en terwijl hij een grote leunstoel op zich af zag glijden, lachte hij en liet een grote belangstelling voor het fenomeen blijken.’
In 1862 wordt Helena weer door reiskoorts bevangen: 'Ik was ziek in het hart en mijn ziel verlangde naar ruimte.’ Via Odessa gaat ze naar Perzië, Syrië, Libanon en Jeruzalem, daarna over de Balkan naar Hongarije en Italië, waar ze in 1867 aan de zijde van onafhankelijkheidsstrijders Giuseppe Garibaldi en Giuseppe Mazzini bij de slag van Mentana zou hebben gevochten tegen de paus en diens Oostenrijkse vazallen. Tijdens de slag loopt ze kogelwonden op, alsook steekwonden van een bajonet en een stiletto.
IN CAIRO PROBEERT Blavatsky een eigen organisatie op poten te krijgen, de zogeheten 'societé spirité’, zonder veel succes. Ze besluit haar geluk weer in de Verenigde Staten te beproeven. Via de pers heeft ze lucht gekregen van mysterieuze toestanden in Chittenden, Vermont, alwaar twee broers, William en Horatio Eddy, voorpaginanieuws zijn met een estafette van geestesverschijningen in hun huis. Zowel geesten van indianen als van de eerste blanke bewoners van de Verenigde Staten marcheren ononophoudelijk door hun veste. Madame Blavatsky, altijd op zoek naar nieuwe ervaringen, trekt bij de Eddy’s in. Vanaf die dag beginnen zich ook andere geesten te manifesteren in huize Eddy, zoals die van Russische boerenmeisjes, Koerdische ruiters en islamitische prinsen. Dit levert weer belangstelling op van vooraanstaande Amerikaanse onderzoekers. Zo ontmoet de Russische helderziende de al even paranormaal begaafde Henry Steel Olcott, een gewezen kolonel, en advocaat William Quan Judge.
Gedrieën richtten zij in 1875 in New York de Theosophical Society op. Een vereniging die overal ter wereld de heilsboodschap van Blavatsky’s Tibetaanse meesters ingang zou doen vinden: namelijk de komst van de Nieuwe Tijd, het aanstaande aanbreken van het Aquarius-tijdperk, waarin alle onderlinge menselijke twisten zouden verdwijnen, evenals de dwingelandij van kerk en staat. Het gedachtegoed van de Theosofische Vereniging is een cocktail van alle wereldreligies. Reïncarnatie is een kernbegrip. Blavatsky houdt haar lezers voor dat de 'heidens’ geachte godsdiensten buiten het christendom in praktijk veel menslievender zijn en dichter bij de universele esoterische wijsheid staan.
De Amerikaanse pers is laaiend enthousiast, vooral wanneer madame Blavatsky bekendmaakt dat ze het Amerikaanse staatsburgerschap heeft aangevraagd, uit enthousiasme over de krachten van de Nieuwe Wereld. 'Zelfs nu, onder onze ogen, zijn nieuwe rassen bezig zich te vormen, en het is in Amerika dat de transformatie plaats zal vinden, en het is al stilletjes begonnen’, aldus de nieuwbakken Amerikaanse, die haar felbegeerde paspoort van de Nieuwe Wereld in 1878 ontvangt. 'Driehonderd jaar geleden begonnen als pure Anglosaksen zijn de Amerikanen van de Verenigde Staten al een natie apart geworden, door een sterke vermenging van verschillende nationaliteiten en huwelijken een ras sui generis, niet alleen mentaal, maar ook lijfelijk. Dus het is de mensheid van de Nieuwe Wereld wier missie en karma het is, de kiemen te zaaien van een komend, groter en veel glorieuzer ras dan degenen die we heden kennen.’
IN 1877 PUBLICEERT madame Blavatsky haar eerste boek, Isis Unveiled, door haarzelf direct in het Engels geschreven. Voor die tijd had ze in de Russische pers onder het pseudoniem Radda Bai al de nodige artikelen gepubliceerd over haar belevenissen, maar met Isis Unveiled - een onverbiddelijke bestseller - is ze in een klap een begrip. Van een dankbare lezer, een Indiase prins, ontvangt ze een met parels en goud uitgevoerde editie van de Bhagavad gita, het heilige Hindoe-boek. Van Britse vrijmetselaars krijgt ze de hoogste rang die er voor buitenleden voorradig is, die van Gekroonde Prinses.
In 1879 verhuist het hoofdkwartier van de Theosofische Vereniging naar India. Eerst in Bombay, enkele jaren later naar het rustieke Adyar, een gehucht nabij het district Madras. Hier verdiept Blavatsky zich verder in de antieke oosterse religies en schrijft ze als een bezetene, kettingrokend, verder aan haar grote werk The Secret Doctrine, oftewel De geheime leer, gebaseerd op aanwijzingen van de Tibetaanse Meesters, verschenen in 1888 (althans de eerste twee delen, Cosmogenesis en Antropogenesis; het derde gedeelte, Occultism genaamd, verscheen pas in 1897, zes jaar na Blavatsky’s dood). De schrijfster stelde dat ze niet zelf verantwoordelijk was voor het boek: het meer dan vuistdikke geschrift was haar langs telepathische weg 'ingegeven’.
Met De geheime leer vestigde Blavatsky zich aan de kop van de occulte beweging. Adyar werd het reisdoel van vele mystieke waarheidszoekers. Met de groeiende roem kwamen ook steeds meer kwalijke verhalen over de excentrieke avonturierster de wereld in. Het echtpaar Coulomb, dat jaren met Blavatsky in Adyar had doorgebracht, stond aan de wieg van een grote campagne tegen de Witte Lotus door te stellen dat de wonderbaarlijke manifestaties in Blavatsky’s hoofdkwartier het resultaat waren van goocheltrucs. Tegelijkertijd werd Blavatsky fel geattaqueerd door de net opgerichte Society for Psychical Research in Londen, het eerste instituut ter wereld dat occulte fenomenen aan wetenschappelijke toetsing onderwierp. De brieven van de Mahatma’s die madame Blavatsky uit Tibet zei te hebben meegenomen - waarvan enkele waren gedoneerd aan de vermaarde British Library in Londen - werden door de Society als vervalsingen gebrandmerkt. Het ging om 'Mahatma’s van mousseline en goudpapier’, aldus de onderzoekers, die stelden dat de mediamieke Russin de brieven eigenhandig had geschreven, dat zij zelfs nooit in Tibet zou zijn geweest.
De Society stuurde de jonge Australische onderzoeker Richard Hodgson naar India om het geval verder te onderzoeken. Hodgson schreef in 1885 namens de Society een rapport waarin Blavatsky werd afgedaan als 'de meest geslepen bedriegster van deze eeuw, wier naam aan het nageslacht verdient te worden doorgegeven’. De Society sprak bovendien het vermoeden uit dat Blavatsky een geheim agent van de tsaar was, naar India gekomen om een nationalistisch vuur onder de Hindoes te ontsteken, gericht tegen de Britten. Honderd jaar later, in 1986, zou de prestigieuze society de beschuldiging aan het adres van Blavatsky overigens intrekken. Uitgerekend de brieven op grond waarvan Blavatsky als vervalster was gebrandmerkt waren niet door haar, maar door de Coulombs bij wijze van wraak in elkaar geflanst, zo oordeelde dr. Vernon Harrison, gewezen president van de Royal Photographic Society, expert op het gebied van vervalsingen.
VERBITTERD OVER alle aantijgingen tegen haar persoon vertrok madame Blavatsky naar Europa. In Londen maakte ze kennis met twee radicale feministes die haar missie zouden overnemen: de Britse Annie Besant en de Franaise Alexandra David-Neél. Besant, hartsvriendin van de bekende Britse schrijver Bernhard Shaw, was aanvankelijk een onvermoeibare strijdster voor vrouwenrechten, geboortebeperking en het Fabian-socialisme. Een ontmoeting met madame Blavatsky in Londen turnde haar in één keer geheel om. Van principieel agnoste veranderde ze in een gedreven strijdster voor Blavatsky’s inzichten uit de keuken van de antieke oosterse religies.
De 'bekering’ van Besant in 1889 deed veel stof opwaaien. De Ierse suffragette was jarenlang het lichtend voorbeeld van de feministische beweging. De Nederlandse feministe Aletta Jacobs was een van de velen die zij danig had beïnvloed. Haar pamflet Waarom ik niet in god geloof was onderwerp van verhitte discussies. Ze had haar geloof verloren tijdens haar ongelukkige huwelijk met een Anglicaanse priester die ze uiteindelijk verliet. Voor haar oude aanhang kwam Besants pamflet Why I became a theosophist uit 1889 dan ook als een koude douche. Het werd als verraad beschouwd, hoezeer Besant haar lezers ook probeerde te overtuigen van de instant-verlossing die via madame Blavatsky haar deel was geworden. Besant werd ook politiek actief in India, waar ze zich pal achter de zaak van zelfbestuur stelde. Ook kreeg ze een hoge functie in de internationale padvinderij. Onder haar regie vond de geheime leer van Blavatsky overal ingang.
Na Besants dood in 1933 kwamen de spotlichten te staan op Alexandra David-Neél. Zij volgde Blavatsky in meer letterlijke zin. Deze Franse operazangeres en schrijfster, die als kind nog op de schoot van Victor Hugo had gezeten, was een echte revolutionair, die Besants pleidooien voor de vrije liefde ook in de praktijk bracht. Ze had Blavatsky leren kennen in Londen en sloot zich in 1892, 24 jaar oud, na een lang verblijf in India aan bij de Theosofische Vereniging. Ze werd allengs radicaler in haar politieke inzichten. Haar traktaat Pour la vie was een anarchistisch pamflet dat zich verzette tegen de beknotting van iedere individuele vrijheid. In Adyar studeerde ze op aanbeveling van Besant Sanskriet. Eenmaal getrouwd met de in Noord-Afrika werkzame ingenieur Philippe Neél werd ze verlost van het armetierige bohémiensbestaan. Ze schreef in diverse feministische tijdschriften en bezocht het eerste Vrouwencongres in Rome in 1907.
MAAR HET LEVEN van gegoed publiciste bevredigde haar niet. Uiteindelijk liet ze haar man achter en trok ze aan de zijde van een Tibetaanse jongen die ze als zoon adopteerde jarenlang door het Tibetaanse hoogland, India en China. Net als Blavatsky vóór haar werd ze door de Britse autoriteiten in India verdacht van spionagepraktijken. In 1922 schreef de Britse generaal George Pereira een vertrouwelijk rapport aan het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken: 'In Jyekundu ontmoette ik madame Neél, de Franse boeddhistische dame van zo'n vijftig lentes, de enige Europeaan die ik tussen Tanger en Gyantse ben tegengekomen. Ze was een aantal jaren in China geweest en had een jaar in het klooster van Kumbum doorgebracht waar ze Tibetaans leerde en Tibetaanse boeken bestudeerde, en vervolgens had ze een lelijke Tibetaanse lama als zoon aangenomen.’
Pas in 1925 keert ze terug in Frankrijk. Twee jaar later verschijnt haar bekendste boek, in Nederland gepubliceerd als Een vrouw trekt door Tibet, gevolgd door Mystiek en magie, Le Bouddhisme, ses doctrines et des méthodes en Initiatons lamaïques. Deze werken brengen haar de nodige erkenning, al doen diverse scribenten een poging haar net als Blavatsky van een frauduleuze levensloop te beschuldigen. Op de Sorbonne geeft ze niettemin colleges over haar oosterse ervaringen.
Na een verblijf in China van 1937 tot 1945 trok Alexandra David-Neél zich terug in Frankrijk, waar ze in 1968 de gezegende leeftijd van honderd bereikte. Tevreden hoorde ze het nieuws van de revolutie in Parijs, die ze van ganser harte ondersteunde als 'een noodzakelijke stap’. Via Blavatsky, Besant en David-Neél kreeg het westerse feminisme er een hele psychedelische liturgie bij. De 'feministische theologie’ die in de jaren zeventig opgeld deed, en die met The Aquarian Conspiracy van Marilyn Ferguson (1980) een moderne vertolking kreeg, was in hoge mate hun creatie. Nog immer zijn zij in al hun excentriciteit de pilaarheiligen van een nieuwe religie.