De geheimen van ons indie

Voor wie het tussen de waterstanden door niet heeft opgemerkt: koningin Beatrix zal op 21 augustus een bezoek brengen aan voormalig ‘ons’ Indie, dan vijftig jaar ‘hun’ Indonesië. Dat wordt weer veel glimlachen en wuiven, en veel op de foto met Soeharto. Eigenlijk zou het wel zo netjes zijn als dan ook een tiental vrachtschepen zou meekomen, volgeladen met wat nog over is van wat onze voorvaderen er gejat hebben: de schatten van Lombok, de waardevolle voorwerpen uit het Tropenmuseum en het Leids Volkenkundig Museum, de VOC-archieven en de dagboeken van politici.

Dat zal niet gebeuren, maar aan een toespraak aan een galadiner valt niet te ontkomen. Misschien moet de koningin de rede van haar moeder eens opzoeken uitgesproken tijdens de officile soevereiniteitsoverdracht in 1949. Juliana sprak toen over misverstanden, tragische ontwikkelingen en gemaakte fouten. De plechtigheid werd op twee plaatsen tegelijk gehouden, op de Dam in Amsterdam en in Batavia. Op de Dam waren de belangstellenden op een hand te tellen, in Batavia juichten vele duizenden bij het strijken van de Nederlandse vlag en het hijsen van de Indonesische tweekleur. Vijftig jaar later ligt dat echter precies omgekeerd, heet het. En als het de Indonesiërs niets kan schelen, waarom maken wij ons dan druk, wat is dat voor calvinistische neiging tot boetedoening? Drie vragen dienen zich aan.
1) Kan het de Indonesiërs inderdaad niets schelen?
2) Doet dat er iets toe?
3) Hoe schuldbewust is Nederland eigenlijk?
Het is waar, het bezoek van Beatrix en de vijftigjarige onafhankelijkheid is geen dagelijks voorpaginanieuws op Java. Nederlanders in Indonesië worden zelden of nooit lastiggevallen met vragen over het verleden. En wie er zelf over begint, krijgt lang niet altijd antwoord. Maar op West-Sumatra vertellen de inwoners van de moeilijk bereikbare Batakdorpen wel dat hun huizen vijftig jaar oud zijn: ze waren de bergen in gevlucht nadat hun dorpen waren platgebrand door het Nederlandse leger, of door henzelf in afwachting van de troepen van Westerling. Van veel Nederlanders moeten Duitsers tot ver in de volgende eeuw met hun foute geschiedenis bezig blijven. Niet ter genoegdoening van de slachtoffers maar vanuit de terechte veronderstelling dat een groot geheim, een taboe, een onbespreekbaar verleden het democratisch functioneren van een samenleving niet ten goede komt. Voor Nederland geldt precies hetzelfde. De spastische oprispingen naar aanleiding van het bezoek van Princen duiden op kakelverse emoties die vijftig jaar bevroren zijn geweest en nu ontdooien.
De zaak-Gonsalvez riep een andere dringende vraag op: waar heeft die zwijgzaamheid eigenlijk toe geleid in het Nederlandse bestuursapparaat, waar al de voormalige koloniale bestuursambtenaren zo warm werden onthaald als burgemeesters, als ambtenaren, als hoogleraren? En welke rol hebben de geheimen van politici gespeeld in de besluiten die ze verder namen? In die zin is het alleszins begrijpelijk dat alleen al de vraag om een nationaal debat hysterische reacties oproept en in menige Hollandse woning tot slapeloosheid leidt. Dat is niet de schuld van Pronk of Princen of Soeharto, dat is de werking van wat ‘geweten’ heet.