Ha-Joon Chang had wel eens eerder gevlogen – twee keer op en neer naar het vulkanische eiland JeJu onder Zuid-Korea – maar het was in 1986 de eerste keer dat hij de landsgrens passeerde van zijn geboorteland. Hij was 22 en ging studeren in Engeland aan de befaamde economiefaculteit van de Universiteit van Cambridge; 36 jaar later vertrok hij pas weer. Niet om terug te keren naar Zuid-Korea maar voor een baan zo’n honderd kilometer verderop in Londen aan de School of Oriental and African Studies (soas).

Na een half leven bij de universiteit was de carrièreswitch een ‘big change’ voor Chang, want in Cambridge zat hij al een tijd op een dood spoor. Hij maakte geen promotie, had zijn hoogleraarstitel te danken aan een toevallige administratieve wijziging en raakte de laatste tien jaar ‘compleet geïsoleerd’ in zijn eigen faculteit, vertelt hij in een pub in Londen om de hoek van zijn nieuwe huis. Bij soas vindt hij de waardering die in Cambridge ontbrak: ‘Voor mijn collega’s was ik die gekke oom die op zolder woont.’

Chang is een van meest gelezen nog levende economen. Zijn nieuwste boek Edible Economics: A Hungry Economist Explains the World ligt net in de winkel maar zijn oudere boeken zoals Kicking Away the Ladder: 23 Things They Don’t tell You about Capitalism en Economics: The User’s Guide verkochten al zo’n twee miljoen keer in 45 talen. Er is duidelijk een markt voor zijn werk. Hoe kan zo’n gevierde econoom geïsoleerd raken in zijn eigen faculteit?

Dat heeft te maken met zijn werkwijze. Chang staat voor een heterodoxe economie en verzet zich tegen wat hij ‘mainstream economics’ noemt. Hij vindt dat we de wereld moeten bekijken door de lens van niet één maar een boeket van economische theorieën. Heel gewoon in andere wetenschappelijke disciplines, want: ‘Als je naar de wereld kijkt door één lens zie je steeds hetzelfde en heel veel niet.’

Het Cambridge dat Chang aantrof in de jaren tachtig was een andere universiteit dan die hij afgelopen zomer verliet. Dit was de plek waar John Maynard Keynes in de eerste helft van de twintigste eeuw de basis legde van zijn invloedrijke theorie en waar ruimte was voor een diversiteit van ideeën. ‘Toen ik begon was zeker de helft van de professoren niet van neoklassieken huize. Er waren veel keynesianen, marxisten en andere types’, zegt hij.

Dat veranderde rap. Vakken over andere economische theorieën verdwenen ten faveure van de neoklassieke school die uitgaat van de markt als het ordenende orgaan van de samenleving en vrijhandel boven alles stelt. ‘De neoklassieke economen waren echt op oorlogspad’, zegt Chang. ‘Ze wilden de universiteit verschonen van de invloed van Keynes en voerden grote druk uit om het curriculum te veranderen. Mensen werden naar buiten geduwd, vertrokken zelf of gingen met pensioen.’

Uiteindelijk was Chang de enige die er nog andere ideeën op nahield, vertelt hij. Lang was dat een motivatie om te blijven en zijn studenten voor te spiegelen dat er meer is dan die ene blik op de economie. Maar afgelopen zomer ging hij toch overstag. soas is een van de weinige plekken waar de neoklassieken niet in de meerderheid zijn en bood hem een baan die beter paste bij zijn statuur. Hij krijgt veel ruimte voor onderzoek, publieke optredens en advieswerk, zaken die hij in Cambridge vaak in zijn eigen tijd deed. ‘Ineens heb ik collega’s die in dezelfde dingen geïnteresseerd zijn als ik’, zegt hij, nog altijd lichtelijk verbaasd.

Het blijft ongelooflijk hoe weinig er sinds de financiële crisis echt veranderd is

De kaalslag bij Cambridge ziet hij terug in zijn hele vakgebied. Tot de jaren negentig was economie een ‘diverse wetenschap’: er waren concurrerende scholen die ‘elkaar bevochten en van elkaar leerden’. Nu rest er slechts een monocultuur, concludeert hij.

In zijn boek Economics: The User’s Guide uit 2014 beschrijft hij negen economische scholen (zoals het marxisme, het institutionalisme en de (neo-)schumpetariaanse school) die elke econoom van pas zouden komen, denkt Chang: ‘De wereld is complex. We willen allemaal verschillende dingen. Alles verandert continu en we hebben een reeks van theorieën nodig om de steeds veranderende realiteit te baas te zijn.’

Elke school heeft zo zijn goede en slechte punten, maar belangrijker: ‘Iedere school doet bepaalde politieke en ethische aannames die doorgaans niet uitgelegd worden’, zegt hij. ‘We hebben een palet van theorieën nodig om de verschillende politieke en ethische doelen na te streven van de verschillende groepen in de samenleving.’ Doe je dat niet, dan bedien je maar één groep.

Al Changs boeken zijn zeer toegankelijk, ook voor de niet-economen onder ons – Economics: The User’s Guide is bij uitstek een goed startpunt – en dat is niet toevallig. Hij probeert een zo breed mogelijke groep aan te spreken en wegwijs te maken in de economie. In zijn meest recente boek Edible Economics doet hij dat middels eten. Hij vertelt over zijn afschuw van de eenzijdige Britse keuken, die gelijkenissen vertoont met het economiecurriculum, over hoe ansjovis industrialisatie in gang zette en legt met okra uit dat vrijhandel regelmatig niet samengaat met vrijheid

Zijn doel is om mensen te interesseren voor de economie die elk ander economisch boek normaal gesproken zou laten liggen, vertelt hij aan het begin van het gesprek. Vast fijn voor zijn verkoopcijfers, maar het is Chang ook ernstig. ‘Vrijwel elke overheidsbeslissing wordt genomen op basis van economische theorieën’, zegt hij. ‘In het kapitalisme moet iedereen iets weten over economie, anders is democratie zinloos.’

Zelf werd hij als jongetje beïnvloed door ‘het wonder aan de Han-rivier’: Zuid-Korea krabbelde in een paar decennia op van een van de armste landen van de wereld na het einde van de Korea-oorlog in 1953 tot een van de rijkste. In een veelzeggende grafiek op de website van de Wereldbank zie je hoe Zuid-Korea rond Changs geboortejaar een gemiddeld nationaal inkomen heeft van zo’n honderdtwintig dollar per inwoner en doorgroeide tot zo’n 35.000 dollar nu. Hetzelfde lijntje van buurland Noord-Korea blijft tot op de dag van vandaag hangen rond die honderdtwintig dollar terwijl dat van de zuiderbuur driehonderd keer over de kop ging.

Tot de jaren negentig was economie een ‘diverse wetenschap’, nu rest er slechts een monocultuur

Zuid-Korea stond gedurende een groot deel van die periode onder het gezag van militaire dictators die de conventionele opvattingen van vrijhandel naast zich neerlegden. Changs vader was een hoge ambtenaar bij het Koreaanse ministerie van Financiën en was net als de meesten van zijn collega’s niet opgeleid in de economie. ‘Allemaal erg slimme mensen’, zegt Chang. Velen waren ingenieur en de toelating testte op brede kennis.

Chang promoveerde in Cambridge op het industriebeleid van ontwikkelingslanden met Zuid-Korea als casus. Hij concludeerde dat het gebruikelijke recept van vrijhandel en open grenzen niet past bij een land dat de concurrentie nog niet aan kan, en daarom is gericht protectionisme noodzakelijk voor ontwikkelingslanden om een eigen industrie te ontwikkelen. Dat was precies wat Zuid-Korea had gedaan en het bewijst het ongelijk van de premisse dat meer markt altijd beter is.

Toch wordt Chang niet met open armen ontvangen in zijn geboorteland. Driemaal solliciteerde hij er zonder succes op een baan. Ook in Zuid-Korea is het neoklassieke discours het debat gaan domineren. ‘Ik ben daar nog geïsoleerder dan ik hier al ben’, zegt hij. Het toont de kracht van het neoklassieke narratief dat alle uithoeken van de wereld bereikt. Het land kan van geluk spreken dat het er in vormende jaren nog andere economische theorieën op nahield.

Chang ziet parallellen tussen Latijn in de Middeleeuwen en de economie nu. De bijbel was alleen in Latijn voorhanden en uitsluitend priesters begrepen de taal. Wilde je het woord van God horen, ‘doe dan als ik zeg!’ zeiden de heiligen. ‘Vandaag de dag is economie de taal van macht’, zegt Chang. ‘Het is zó belangrijk voor de gevestigde machtsstructuren dat totale dominantie essentieel werd.’ Latijn gaf de katholieke kerk controle over de boodschap. Economische instituties als Cambridge doen hetzelfde met de economie.

Dat de neoklassieke school de strijd won als de dominante mainstream-theorie en daarmee ‘de taal van de macht’ werd, verbaast Chang niet. ‘Het is in essentie een conservatieve ideologie die de bestaande verdeling van inkomen, rijkdom en macht accepteert en als startpunt neemt’, legt hij uit. ‘Het laat de status-quo ongemoeid en mensen die van diezelfde status-quo profiteren nodigen graag mensen uit die zeggen dat je goed bezig bent en opperen hoogstens wat kleine tweaks.’

Hoe machtig dit verhaal geworden is bleek na de financiële crisis van 2008. Deze crisis kwam totaal onverwacht – menige mainstream-econoom geloofde zelfs dat de economische wetenschap volbracht was, want ze hadden bedacht hoe recessies en crises te voorkomen. Het blijft ongelooflijk hoe weinig er sindsdien echt veranderd is, zegt Chang.

Chang wist dat zijn werkwijze consequenties zou hebben voor het verloop van zijn carrière

‘Vergelijk het met een astronoom die zegt dat geen enkele meteoriet de aarde nog zal treffen omdat we een manier hebben bedacht om ze weer terug te kaatsen. Vervolgens wordt de aarde geraakt door de grootste meteoriet uit de geschiedenis’, zegt hij. ‘In elke andere wetenschap zouden deze mensen te schande worden gemaakt, maar in de economie ontbreekt serieuze aansprakelijkheid van economen.’

In een interview met de Financial Times in 2013 grapte Chang over zijn goede verkoopcijfers. Als we de markt moeten vertrouwen, zoals veel van zijn collega’s beargumenteren, ‘dan betekent dit zeker dat ik een van de beste economen ooit ben!’ Terug op de campus kreeg hij naar zijn hoofd geslingerd dat met die logica J.K. Rowling zeker de beste schrijver ooit is? ‘Wat zeg je daarop terug’, zucht Chang.

Publiek succes, zoals Chang dat heeft, wordt weinig gewaardeerd in de academische kringen. Belangrijker is dat je publiceert in de belangrijke journals, maar daar komt Chang niet voor in aanmerking met zijn alternatieve werkwijze. Het is een mismatch die je vaker ziet. In de bestsellerslijsten waar Chang in staat, vind je ook verschillende ‘andersdenkende’ economen als Kate Raworth met haar Doughnut Economics en Mariana Mazzucato’s Entrepreneurial State.

Hun naamsbekendheid is groot, hun boeken worden veel gelezen en ze krijgen uitnodigingen voor lezingen over de hele wereld. Niet al hun werk zal altijd even baanbrekend of hoogstaand zijn, daar valt namelijk best over te twisten, maar het laat duidelijk zien dat er sinds de crisis van 2008 in de samenleving een grote behoefte leeft aan een andere manier van kijken. Toch lijkt achter de voordeur van belangrijke instituties als Cambridge, maar ook verschillende overheden, nog een andere realiteit te bestaan.

Vanuit zijn nieuwe standplaats soas zet Chang zijn missie voort. Ook daar zal hij zijn studenten onderwijzen in de neoklassieke school – omdat je dat nou eenmaal nodig hebt om als econoom aan de bak te komen – maar zal hij pluralisme uitdragen. De neoklassieke school heeft, net als de andere scholen, zeker zijn waarde, vindt hij. Waar hij tegen ageert is de alleenheerschappij: ‘Totale dominantie is altijd verkeerd.’

Studenten die bij hem in de leer gaan kunnen twee zaken van hem verwachten: 1) een werkwijze die met twee benen in de werkelijkheid staat, en 2) een ‘open mind approach’ waarin er ruimte is voor een diversiteit van theorieën. De manier waarop economen naar de wereld kijken is veel te smal geworden, zegt hij: ‘We moeten leren accepteren dat er verschillende manieren zijn om de werkelijkheid te begrijpen.’

‘Blijf je hangen in stille wanhoop terwijl je kijkt hoe de wereld om je heen gevormd wordt volgens een of andere theorie die je niet snapt? Vertel, ben je blij met hoe je samenleving functioneert? Vind je dat de ideeën en het beleid van jouw overheid in lijn zijn met wat jij denkt dat het belangrijkste is voor ons allen? Geloof je dat de belastingen eerlijk zijn verdeeld tussen multinationals en werknemers? Vind je dat alles in het werk is gesteld om elk kind een zo eerlijk mogelijke kans op succes te bieden?’ vraagt Chang zijn lezers in zijn nieuwe boek.

‘Het grootste verschil tussen mensen is niet wát ze denken maar hóe ze denken’, zegt Chang na een korte stilte aan het einde van het gesprek. ‘Sommige mensen moeten iets te geloven hebben. Iets hebben om aan vast te houden. Veel marxistische economen zijn vrije-markteconomen geworden omdat het voor hen belangrijker was om houvast te vinden in een doctrine. De Sovjet-Unie viel uit elkaar en ze waren in de war. Anderen waren pragmatischer. Je hebt een baan nodig, je wilt publiceren in de goede academische tijdschriften. Wat doe je?’

Chang wist dat zijn werkwijze consequenties zou hebben voor het verdere verloop van zijn carrière maar dat nam hij voor lief. ‘Ik werd econoom omdat ik verschil wilde maken in de echte wereld. Niet omdat ik de ambitie had om professor X te worden op universiteit Y.’ Hij is nooit aan zichzelf gaan twijfelen, zegt hij, ‘omdat ik de echte wereld had om me aan te laven’.

‘Verschillende mensen hebben gezegd: die Ha-Joon Chang is geen echte econoom, dat is een historicus. Dat is niet erg leuk’, zegt hij met een niet-aflatende glimlach. ‘Maar dat geeft niet, want ik wist wat me te wachten stond toen ik dit pad koos. Ik had geen illusies over dat deze mensen me niet mochten. Ik heb mijn eigen ruimte uitgehakt.’