De gekleurde kamer

‘ALLOCHTONEN KRIJGEN is makkelijk, ze houden is de kunst’, zegt Fadime Örgü, nummer 35 op de voorlopige VVD-lijst. Haar kanttekening snijdt hout. Van de huidige allochtone kamerleden is alleen Mohamed Rabbae zeker van herverkiezing. Tara Singh Varma (nummer 9 bij GroenLinks) en Hubert Fermina (nummer 24 bij D66) staan op onverkiesbare plaatsen en Oussama Cherribi (nummer 39 bij de VVD) en Thanasis Apostolou (nummer 46 bij de PvdA) zijn afhankelijk van de formatiebesprekingen. John Lilipaly (PvdA) houdt ermee op. Hamid Houda en Evan Rosenblad (allebei PvdA) waren al eerder afgevallen.

John Lilipaly, die twaalf jaar geleden de eerste migrant in de Kamer was, meent dat de snelle doorstroming samenhangt met de recrutering van allochtonen. ‘Ze komen te gemakkelijk op de lijst. Dan vallen ze tegen en worden ze na vier jaar weer vervangen.’ Hij voegt eraan toe dat ook autochtone politici met weinig politieke ervaring daar last van hebben. Vroeger kwamen mensen in de Tweede Kamer nadat ze een lange mars door de partij en de gemeenteraad hadden afgelegd. Sinds alle partijen vernieuwing nastreven is het echter bon ton geworden om mensen met weinig politieke ervaring op de lijst te zetten. Voor al die buitenstaanders is de kans op mislukking groot.
Maar allochtone politici maken het zichzelf extra moeilijk. De PvdA'er Rick van der Ploeg is niet bang dat mensen hem voor eeuwig als een econoom blijven zien, als hij woordvoerder wordt op economisch terrein. Cherribi en Örgü willen echter geen minderhedenzaken in hun portefeuille. Ze willen af van het etiket allochtoon. Örgü: 'Van de andere allochtonen weet ik het niet, maar de drie Turkse kandidaten kun je geen allochtoon meer noemen, die zijn hier óf geboren en getogen óf zeer ingepolderd.’ Cöskun Cörüz, de nummer dertig op de CDA-lijst, geeft voor zijn terughoudendheid ook een strategisch argument: 'Ik heb toch al een speciale antenne voor wat leeft onder migranten. Als iemand anders die problematiek onder zijn hoede neemt, is er alleen maar meer aandacht voor migranten.’
Lucy Kortram, nummer 29 op de lijst van de PvdA, wil wel multiculturele zaken in haar portefeuille. Niet om haar kleur, maar om haar kunde. Het is immers het terrein waarop zij, als adviseur interculturele relaties, in de loop der jaren expertise heeft opgedaan. Dat geldt ook voor andere allochtone kandidaten. De meesten zijn werkzaam geweest in de multiculti-sector. Het braak laten liggen van deze ervaring kan de positie in de fractie verzwakken, vooral als de onderwerpen die ze wél krijgen van minder gewicht zijn.
ER BESTAAT een ambivalentie in de opstelling van de politieke partijen. Ze willen wel een pluriform beeld van zichzelf naar buiten brengen, maar ze zorgen er niet voor dat de allochtone kamerleden onderwerpen onder hun hoede krijgen waarmee ze vaak in de publiciteit kunnen komen. Eenmaal in de Kamer worden ze onzichtbaar gemaakt. Zo heeft in de afgelopen kabinetsperiode geen enkel allochtoon kamerlid zijn opwachting gemaakt in Buitenhof.
Deze ambivalentie zit ook in de verkiezingscampagnes van de partijen. Lilipaly stelde vier jaar geleden aan het campagneteam van de Partij van de Arbeid voor dat hij speciaal campagne zou gaan voeren onder Molukkers. Maar dat werd door de campagneleiding niet op prijs gesteld. Cherribi vroeg vier jaar geleden om posters te laten maken met in het Arabisch: 'Stem Oussama Cherribi, stem VVD.’ Maar daarvoor kreeg hij geen toestemming. Ook bij de komende campagne zal er door de partijen weer een algemene campagne worden gevoerd, gericht op alle Nederlanders. Nebahat Albayrak (PvdA) maakt zich daar geen zorgen om. De Turkse organisaties weten haar toch wel te vinden.
VOLGENS POLITICOLOOG Mellouki Cadat is het probleem dat de politieke partijen wel zwarte politici willen recruteren, maar bang zijn voor zwarte politiek. Ze zijn benauwd voor een zwarte beweging die de aangeboden plaatsen in de Kamer niet in dank aanvaardt, maar opeist. Het voorval in Den Haag, waar op een vergadering van GroenLinks plots tientallen Turkse leden steun kwamen betuigen aan een Turkse kandidaat, Ahmet Daskapan, spreekt boekdelen: onmiddellijk was het krampachtigheid troef. Ook het Zwart Beraad in de Amsterdamse Bijlmer heeft een gevoelige snaar geraakt.
Vijftien jaar geleden eisten de Rooie Vrouwen domweg posities op. De vrouwen in de fractie wisten een beweging achter zich. Voor de huidige allochtone kamerleden is dat niet het geval. Alle partijen hebben een werkgroep Migranten of een stuurgroep Etnische Groepen, maar in geen enkele partij vormen zij een machtsfactor. De stuurgroep Etnische Minderheden van de Partij van de Arbeid stuurde acht pagina’s commentaar op het verkiezingsprogramma in. Zonder resultaat.
Chan Choenni, tot voor kort voorzitter van de werkgroep Migranten in D66, meent dat voor migrantenpressiegroepen het tij aan het keren is. Op grote schaal wordt specifiek achterstandsbeleid vervangen door algemeen beleid. De ruimte voor belangenbehartiging neemt daardoor af. Er is ook geen beweging mogelijk die alle allochtonen verenigt. De verschillen zijn te groot. De belangen van de fundamentalistische Turk, de progressieve Creool, de rijke Chinees en de werkloze Marokkaan kunnen niet onder één noemer worden gebracht.
HET MULTI-ETNISCH Vrouwenoverleg binnen de Partij van de Arbeid is wel succesvol. Het netwerk, bestaand uit een tiental vrouwen, heeft een flinke invloed gehad op het rapport Wisselwerking van de Commissie-Van Thijn en bleek uiterst effectief in het verkrijgen van posities: twee leden zitten in het partijbestuur, twee zaten in de commissie die de kandidaten voor de Tweede Kamer selecteerden en de drie allochtonen met de hoogste notering op de lijst zitten allemaal in het MEV: Khadija Arib (nummer 12), Lucy Kortram (nummer 29) en Nehabat Albayrak (nummer 41).
Albayrak verwacht dat deze band hun opereren op het Binnenhof gemakkelijker zal maken. Ze staan minder geïsoleerd in de fractie. Ze hebben ook alledrie beloofd het netwerk trouw te blijven bezoeken en daar verantwoording af te leggen voor hun opereren. 'Dat is noodzakelijk om als kamerlid te overleven.’
Het succes van het netwerk bij het innemen van posities is echter ten koste gegaan van andere allochtone kandidaten. Toen op het congres werd geprobeerd om Leo Balai (62) hoger op de lijst te krijgen, zei de voorzitter van de selectiecommissie, Dunning, dat er al een Surinamer bij de eerste vijftig stond. Bij een actie voor een Turkse kandidaat herhaalde hij dit argument. Zo wordt de minimumeis - 'uit alle groepen moet één kandidaat op de lijst staan’ - direct een plafond: één is genoeg. Zo wordt de ene Surinamer een directe concurrent van de andere Surinamer en de ene Marokkaan een directe concurrent van de andere Marokkaan.
Alleen voor D66 hoeft dit mechanisme niet op te gaan. Daar bepalen immers de leden de samenstelling van de lijst. Er kunnen dus zo veel allochtonen worden gekozen als de achterban wil. Maar blijkbaar hechten de leden van D66 niet aan een pluriforme lijst, want bij de eerste twintig plaatsen staat geen enkele allochtoon. Benito Fraenk, die op de conceptlijst een plaats kreeg toebedeeld in de tweede tranche, voor de plaatsen 5 tot en met 15, duikelde naar de negenentwintigste plaats. Hier wreekt zich het feit dat er binnen de partij geen groep is geweest die actie heeft gevoerd voor de allochtone kandidaten. Choenni: 'D66 is geen partij van actiegroepen. Dat past ook niet in de traditie. D66 is een partij van individuen.’
DE HOUDING van de politieke partijen ten aanzien van allochtonen - veel ruimte bieden aan individuen en tegelijkertijd het ontmoedigen van allochtone pressiegroepen binnen de partij - past perfect in de Nederlandse politieke cultuur. Het verhullen en ontkennen van machtsverschillen is hier immers de dominante praktijk. Het is ook de toon in het minderhedenbeleid: etnische verschillen worden erkend, maar moeten niet worden gepolitiseerd.
De diverse kandidaten voor de Tweede Kamer hebben zich deze cultuur eigengemaakt. Ze beseffen dat hun achtergrond bij hun recrutering een rol heeft gespeeld, maar dat dit in de Kamer niet meer het geval mag zijn. Ze zeggen allemaal dat ze geen afgevaardigde zijn van de allochtonen of van een etnische groep, maar een ware volksvertegenwoordiger willen zijn. Cörüz: 'Het behartigen van belangen is een taak van maatschappelijke organisaties. Kamerleden moeten belangen afwegen.’
Een regulier overleg tussen allochtone politici uit de diverse politieke partijen maakt dan ook weinig kans. Na de verkiezingen van 1994 is het wel geprobeerd, maar de meeste Kamerleden lieten het afweten. Alleen Tara Singh Varma en Hubert Fermina toonden animo. Toch heeft het Zwart Beraad laten zien dat er van overleg tussen allochtone politici een dreiging kan uitgaan.
In de Verenigde Staten bestaat zo'n overleg al langer. Zwarte Democraten en Republikeinen uit het Huis van Afgevaardigden en de Senaat komen geregeld bijeen om afspraken te maken over de vraag hoe bepaalde gemeenschappelijke belangen het best kunnen worden behartigd. In de Nederlandse politiek is dat ondenkbaar. In de Verenigde Staten worden politici van oudsher meer gezien als vertegenwoordiger van een bepaald belang, van een bepaalde regio. Dat maakt ook etnische belangenbehartiging gemakkelijker.
Lucy Kortram is voorstander van een geregeld samenkomen, ook als politiek overleg onmogelijk blijkt: 'In alle organisaties waar ik kom, stimuleer ik allochtonen om zichzelf te organiseren. Dus waarom dan in de Tweede Kamer niet? Vanuit een bijzondere positie heb je bepaalde ervaringen gemeenschappelijk. Het parlement is immers een wit bolwerk. Zonder de tegenstellingen op te zoeken, kunnen wel oplossingen worden gezocht om mogelijke achterstelling van allochtone politici weg te nemen en een betere samenwerking mogelijk te maken.’
DE INTEGRATIE van allochtonen in de politiek is tot dusver verlopen zonder dat de politieke cultuur veranderde. Een recente wijziging van de kieswet kan die rust doorbreken. Vroeger konden kandidaten op onverkiesbare plaatsen alleen in de Kamer komen als ze de helft-plus-één van de kiesdeler aan voorkeurstemmen kregen. Sinds 1 december is maar een kwart-plus-één van de kiesdeler nodig, zo'n zestienduizend stemmen. Dat biedt politici met een specifieke achterban de kans om zich ondanks een lage positie toch de Kamer in te vechten.
Iwan Leeuwin, GroenLinks-lijsttrekker in Diemen, heeft inmiddels een comité samengesteld om op deze manier Tara Singh Varma de Kamer in te loodsen. Singh Varma kreeg vier jaar geleden, zonder actie, al dertienduizend voorkeurstemmen. Het comité zal eerst op het GroenLinks-congres op 7 februari proberen Singh Varma alsnog hoog op de lijst te zetten, maar als dat niet lukt, gaat de particuliere campagne van start. Diverse maatschappelijke organisaties (ZAMI, Landelijke Federatie Surinaamse Vrouwen, Lalla Rookh, een organisatie van Hindoestaanse vrouwen, het Allochtonenpastoraat en het 4 en 5 mei-comité) hebben al hun steun toegezegd.
Ook bij het CDA is een allochtoon van plan om een voorkeurstemmenactie te gaan voeren: Hady-Jane Guds, die nu op de achtenzestigste plaats staat. 'Dat je op de lijst staat, betekent dat de partij je capabel genoeg vindt om de Kamer in te gaan. Nu is het aan mij om te zorgen dat ik voldoende stemmen trek om er ook daadwerkelijk in te komen.’
BIJ DEZE voorkeuracties wordt veel nadrukkelijker dan de partijen doen de etnische stem gemobiliseerd. Als ze slagen geeft dat hen ook een ander soort machtspositie. Hun is geen gunst verleend, ze hebben zelf hun plek veroverd. Ze kunnen daardoor een onafhankelijker positie innemen. Nu wordt van de kandidaten vooral onafhankelijkheid ten opzichte van de achterban en trouw aan de partij gevraagd.
Patricia Rémak-Boerenstam, de hoogste allochtoon op de VVD-lijst, werd ook geconfronteerd met deze asymmetrische invulling van het begrip onafhankelijkheid. De partij was blij dat de VVD-fractie in Amsterdam-Zuidoost niet meedeed aan het Zwart Beraad. Toen Rémak tot woede van de Surinamers in Zuidoost in Het Parool de Bijlmer met een mand krabben vergeleek, vroeg niemand zich af of dat niet ten koste ging van haar electorale aantrekkelijkheid, maar toen zij in Trouw een kritisch geluid liet horen over de nota Minderheden van Rijpstra en Kamp, werd haar onmiddellijk te verstaan gegeven dat ze terughoudend moest zijn in haar omgang met de pers.
Farah Karimi (nummer 11 op de lijst van GroenLinks) meent dat een grotere vrijheid voor het individuele kamerlid een voorwaarde is om een echte pluriforme democratie te krijgen. De huidige praktijk staat daar haaks op. De fractiediscipline is groot en allochtone kamerleden hebben de neiging om de braafsten van de klas te zijn. Volgens John Lilipaly zijn ze meer dan collega’s bereid om het collectief voorop te zetten. Hij hoopt dat de nieuwe lichting allochtonen wat gewiekster wordt. Een grotere vrijheid voor kamerleden kan ook leiden tot meer stijlverschillen. Nu stelde GroenLinks dat de meer activistische stijl van politiek bedrijven van Tara Singh Varma alleen past in een grote fractie.
Een grotere onafhankelijkheid van het individuele kamerlid geeft allochtone politici de mogelijkheid om een nieuwe positie te ontwikkelen tussen de zaakwaarnemer en de volksvertegenwoordiger, tussen de belangenbehartiger en de belangenafweger in. Zo zou er een volksvertegenwoordiger kunnen ontstaan die zijn engagement met zowel de achterban als de partij uit door kritiek te leveren. De houding van John Lilipaly ten opzichte van de Molukkers in Vught was daarvan een goed voorbeeld. Hij bekritiseerde de politiek omdat de bewoners te lichtzinnig tot verhuizing werden gedwongen, maar ook de bewoners omdat ze voor hun verbeterde huizen niet meer huur wilden betalen.
Van volwaardige politieke participatie van allochtonen is pas sprake als allochtone politici de vrijheid hebben om zowel de minderhedenorganisaties kortzichtigheid als de partij of de overheid kleurenblindheid te verwijten, als ze een afwijkend standpunt kunnen innemen zonder bij de volgende verkiezingen door de achterdeur te verdwijnen.