De gekte van topsport olympische cult

Hoe gek moet je zijn om aan een wielerwedstrijd van meer dan zesduizend kilometer mee te doen? Een blik in de ziel van de topsporter. ‘Alleen volwassenen, mensen die snappen waar ze mee bezig zijn, zijn er geschikt voor.’
VELE DUIZENDEN atleten werken zich op dit moment in Atlanta in het zweet, in de gaten gehouden door minstens zoveel journalisten, bekeken door honderdduizenden toeschouwers en miljarden televisiekijkers, en door die gezamenlijke massa vereerd en op een voetstuk geplaatst. Zij zijn de sterksten, de snelsten, de besten ter wereld.

Om die ijle hoogten van de sportieve Olympus te bereiken, moet een sporter aan een onmenselijk streng regime onderworpen zijn geweest. Doping daargelaten, vereist een Olympische prestatie een voorbereiding van jaren. Het afwerken van urenlange trainingen, dag na dag. Het afbeulen van het lichaam. Het aftasten van de grenzen van de pijn. Al die zelfkastijding voor een moment of fame - wie doet eigenlijk zoiets?
De Franse socioloog Jean-Marie Brohm fulmineert al drie decennia lang tegen sport, tegen wat hij noemt het verderfelijke ‘opium sportif’ dat een geestloze aanbidding aanwakkert van zogenaamde 'helden’. Volgens de verstokte communist Brohm zal er voor sport dan ook geen plaats meer zijn in een andere, universele samenleving. Maar tot het zo ver is, worden volgens hem overal ter wereld sporters door eindeloze, repetitieve training vervormd tot masochistische, monddode machines: 'Sport creeert autoritaire, agressieve, narcistische en volgzame karakters. Sport verandert jonge mensen in wezensvreemde arbeidskrachten voor de kapitalistische markt.’
Zou het werkelijk zo erg zijn? Dat een beetje sporten gezond is, weten we allemaal. En ook dat een atletisch, getraind lichaam een schoonheidsideaal is. Maar is topsport wel gezond? En is topsport wel leuk? De verhalen over ernstige blessures, dopingschandalen met dodelijke afloop, versleten lichamen of fatale hartaanvallen bij jonge sporters, anorexia nervosa bij (vooral) vrouwelijke atleten, misbruik van sporters door machtszieke trainers - ze liegen er niet om.
Vreemd genoeg hebben deze ernstige zaken het imago van topsport nooit blijvend aangetast. Sport is en blijft amusement, en een ongeluk hier of daar maakt het alleen maar attractiever.
WAT ZOU TOPSPORTERS bezielen om zich in die molen te laten mangelen? Peter Blitz is sportpsycholoog. Hij heeft al vele topsporters begeleid. Zijn recept voor succes is eenvoudig, en, volgens hem, het enige juiste. Hij verzucht: 'Een echte topper is niet degene met de meeste spierballen. Een topsporter moet kunnen omgaan met een enorme druk, de druk van het moeten presteren voor een verwachtingsvol publiek op het moment dat het eropaan komt. De draaglast van topsport is buitengewoon zwaar. Niet veel mensen kunnen dat aan; het vereist veel zelfkennis, zelfvertrouwen, inzicht, intelligentie en verantwoordelijkheidsgevoel. De echte topsporter is volwassen.’
Zulke mensen zijn er niet veel, beseft Blitz. 'De ideale topsporter lijkt veel op een robot.’ Onder die absolute top zitten helaas maar al te veel subtoppers die zich met ploeteren en zwoegen omhoog proberen te werken, en vaak op een verkeerde manier: 'De meeste mensen kampen met het probleem dat ze niet kunnen presteren op het moment dat het werkelijk moet. Als gevolg daarvan gaan ze meer trainen, maar als je gaat trainen zonder zelfvertrouwen, raak je snel geblesseerd. Er zijn een heleboel teleurgestelde sporters die het niet halen.’
Wat drijft zulke mensen om toch maar door te gaan? Blitz: 'Je moet het vergelijken met iemand achter de speeltafel, die al heel wat geld heeft ingezet. Die zal blijven inzetten, want hij wil zijn geld, zijn investering terug. Een sporter die vele jaren van zijn leven in zijn sport heeft geinvesteerd, kan dat heel moeilijk loslaten. Die zal doorgaan, vooral zolang het gewenste succes uit blijft. Dat is een menselijk trekje. Veel sektes werken trouwens ook volgens dat investeringsprincipe.’
Als sport zulke verslavende, bijkans sektarische vormen gaat aannemen, kan het toch niet meer gezond zijn? 'Ach’, zegt Blitz, 'ik denk dat alle Nederlanders, op de baby’s na, wel ergens verslaafd aan zijn. Het heeft te maken met zingeving. De een gelooft in God, of in zijn werk, de ander traint tien jaar lang dag in dag uit om een paar centimetertjes hoger te kunnen springen.’
MONIQUE VAN DER Weide (32) is zo iemand. Al veertien jaar bekwaamt ze zich in het hoogspringen. In juni van dit jaar werd ze voor de vierde maal Nederlands kampioene met een sprong van 1 meter 77. Haar topprestatie leverde ze in 1990, toen ze een Nederlands record van 1 meter 88 sprong. 'Daarna raakte ik langdurig geblesseerd, en sindsdien ben ik eigenlijk bezig die prestatie te evenaren. Ik ben er helemaal bezeten van. Ik ben gek op trainen, ik ben een echt trainingsbeest. Het kan me niet teveel zijn. En verder is het wereldje erg leuk, de wedstrijden in het buitenland, de trainingskampen, de mensen die je ontmoet. Daar doe ik het voor. Ik denk niet dat het ongezond is, zolang je tenminste op een verstandige manier traint. Je moet accepteren dat niet elke dag een topdag kan zijn. Goede begeleiding is heel belangrijk. En goed luisteren naar je lichaam en - vooral - reele doelen stellen.’
Monique van der Weide gelooft wel dat een topsporter een beetje gek moet zijn: 'Je moet ergens een tik hebben. Wat voor tik dat is, moet je mij niet vragen. Maar als je er zo veel voor moet doen en laten, moet je wel gek zijn van sport.’
Ton Leenders (36), topsporter van 1980 tot en met 1993, meervoudig Nederlands kampioen gewichtheffen, denkt er anders over. Topsporters zijn misschien gek, zegt hij, maar dan alleen omdat ze afwijken van het gemiddelde: 'Bij een topsporter moeten twee dingen in het bloed zitten: de wil om te winnen, en de koelheid dit onder zware druk te doen. Dat is maar weinigen beschoren. Verder zijn topsporters normale mensen. Wat mij is opgevallen - en dat geldt niet zozeer voor mezelf - is dat het vooral bescheiden mensen zijn. In de gewone maatschappij heb je eerder met mensen te maken die zich moeten waarmaken, die iedere gelegenheid aangrijpen om zich te doen gelden. Dat komt door een gebrek aan zelfvertrouwen. In de topsport zijn al je prestaties in cijfers uitgedrukt, je rangschikking is bij iedereen bekend. Dus je hoeft jezelf niet te overschreeuwen om erkenning te krijgen.’
Volgens Leenders bestaat er in Nederland een verkeerd beeld van topsporters. 'De meeste mensen beseffen niet wat er allemaal komt kijken bij een topprestatie. Wij zijn echt geen gekken die de hele dag maar zitten te trainen. In het buitenland heeft men dat beter in de gaten. Daar oogst een topsporter wel respect.’
IEMAND DIE volgens zijn trainer Erik de Bruin 'zijn leven in dienst stelt van de sport’ is discuswerper Pieter van der Kruk (24). Sinds twee jaar doet hij aan topsport. Op een haar (vijf millimeter) na miste hij de limiet voor de Olympische Spelen. Dat was een zware teleurstelling. Hij traint tussen de acht en tien keer per week, naast een parttime baan. Om te kijken hoe ver hij kan komen ('Want ik weet dat ik vrij getalenteerd ben’) en om een bepaalde bekendheid te verwerven ('Dat lijkt me ook wel leuk’). In ieder geval niet omdat het gezond is: 'Nee, ik vraag me weleens af of het wel goed voor je is. Wanneer ik rust houd, krijg ik last van hartkloppingen. Toen ik twee jaar geleden begon met het echte, intensieve trainen, kreeg ik meteen allerlei blessures, daar ben ik nu pas een beetje vanaf. Wielrennen lijkt me nog zwaarder, ik kan me niet voorstellen dat dat goed voor je is.’
Toch fietste Martin Feijen (40) in nog geen vijftien etmalen van de Noordkaap naar Gibraltar, een afstand van 6227 kilometer. Hij werd eerste in deze Ultra Cycling Race, en voelt zich er geen haar minder gezond om. Feijen is ultra-atleet, gespecialiseerd in lange wedstrijden als de vijf-, tien- of zelfs vijftienvoudige triathlon. Feijen: 'Je lichamelijke kracht is veel groter dan je denkt, je lichaam past zich heel goed aan aan extreme inspanningen. De beperking zit veel meer in je mentale kracht. Als je concentratie op is of je hebt geen zin meer, dan moet je stoppen. Maar een lichaam is ontzettend taai.’
Maar na, pak hem beet, 57 kilometer zwemmen, 2700 kilometer fietsen en 633 kilometer hardlopen (de vijftienvoudige triathlon) moet je lichaam toch moord en brand schreeuwen? Feijen: 'Dat gepraat over kwaaltjes en pijntjes, daar houd ik niet van. Ik vind dat een vorm van aandachttrekkerij. Natuurlijk is het zwaar en krijg je weleens problemen. Daar moet je niet over zeuren.’
Feijen sport fanatiek (naast een veeleisende, fulltime baan) omdat hij er wel bij vaart: 'Ik moet bewegen, dat zit nu eenmaal in me. Voordat ik ging sporten was ik vaak chagrijnig, nu niet meer. Het trainen houdt me in balans, biedt tegenwicht voor mijn baan. Als ik sport, verdwijnen alle spinnewebben uit mijn hoofd en voel ik me weer fris. Ik kan het iedereen aanraden.’ Maar waarom dan meteen ultrasport? 'Omdat dat het beste bij me past, ik ben echt een type voor de lange afstand. Verder komt het ook voort uit nieuwsgierigheid en dwarsheid. Als iedereen zegt: je bent gek, het is ongezond, onverantwoord - dat prikkelt mij. Dan wil ik laten zien dat het wel kan.’
Feijen is ook niet bang dat hij zijn lichaam uitwoont: 'Dat je lichaam ervan zou slijten vind ik een dooddoener: het lichaam wordt veel gebruikt, dus het zal wel slijten. Dat is nooit wetenschappelijk aangetoond. Het zijn natuurlijke, normale bewegingen, en ik denk dat het lichaam dat kan hebben. Zelfs als ik wel zou slijten, zal ik er geen spijt van hebben dat ik dit gedaan heb, want ik heb nu veel lol van die sport.’
Martin Feijen is zeker geen prototype van de topsporter met oogkleppen op, die alleen maar traint en de rest van de wereld aan zich voorbij laat gaan. Feijen: 'Ik vind dat iedere topsporter een hele of halve baan zou moeten hebben, zich nuttig zou moeten maken, desnoods met vrijwilligerswerk. Ik ben ervan overtuigd dat dat de prestaties ten goede komt, en ook het geestelijk welzijn van de atleet. Want dan heb je een sociaal leven, vrienden, kennissen, en zit je niet als een nomade in de woestijn te sporten. Als je je helemaal fixeert op een ding gaat dat uiteindelijk belemmerend werken, want je kunt je niet goed meer ontspannen. Op een gegeven moment krijg je dan blessures. Ik denk dat iemand als Ellen van Langen in een veel te eng wereldje zit, en ik heb de indruk dat al haar blessures het gevolg zijn van die enorme fixatie.’
DE ULTRA-ATLEET, de discuswerper, de gewichtheffer en de hoogspringster blijken allen vrij normale mensen te zijn. Met een bepaalde tik, dat wel. Maar masochistische machines, zoals Jean-Marie Brohm stelt? Zeker niet. Peter Blitz: 'De topsport is natuurlijk wel een rare wereld. Een wereld die precies een afspiegeling is van de maatschappij: ook misdadig, ook crimineel, ook daar zijn mensen die over lijken gaan, mensen die profiteren en mensen die het gelag betalen, je ziet er dezelfde machtsuitoefening en dezelfde slachtoffers.
Er zijn absoluut takken van sport die schadelijk zijn. Neem bodybuilding, dat is een typisch voorbeeld van een sport die erg neurotiserend en verslavend werkt. Daar gebeuren nare ongelukken met al die middelen die ze slikken. Of neem turnen. Dat zou niet mogen kunnen. Die hele jonge, misvormde meisjes, die zich dag in dag uit afbeulen, gestimuleerd door volwassenen. Ik zeg altijd: turnen bestaat bij de gratie van de pedofiele neigingen van de juryleden.’
Men gaat in de sportwereld regelmatig over de schreef, en vooral met kinderen. Blitz: 'Seksuele intimidatie komt veel vaker voor dan wij vermoeden. Of denk aan anorexia, meisjes die zich uithongeren omdat hun trainer zegt dat ze te dik zijn. Een heleboel van dat soort zaken zouden we kunnen vermijden, als we er ons bewust van waren dat echte topsport een keiharde, professionele bezigheid is, waar eigenlijk alleen volwassenen, mensen die snappen waar ze mee bezig zijn, geschikt voor zijn.’