Gerhard Schroder

De gelanceerde kanselier

Tussen Gerhard Schröder en de Duitse kiezers komt het niet meer goed. Wat ging er in de afgelopen zes jaar mis met de hervormingskanselier?

In maart 2003 presenteerde bondskanselier Gerhard Schröder in de Bondsdag eindelijk zijn plan voor ingrijpende economische hervormingen. In een vlammend betoog van ruim een uur gaf de sociaal-democraat zijn visie op één van Duitslands grootste naoorlogse dilemma’s: hoe lossen we de structureel hoge werkloosheid en het begrotingstekort op met behoud van een betaalbare verzorgingsstaat? Het was de allerlaatste mogelijkheid voor de rood-groene coalitie om te laten zien dat ze de taak die ze in 1998 op zich nam ook waar kon maken. Vooraanstaande kranten vergeleken Schröders emotionele oproep om er «met z’n allen tegenaan te gaan» zelfs met de roemruchte speech van Churchill uit 1940: «Ik heb niks anders te bieden dan bloed, arbeid, zweet en tranen.» De wat ongelukkig gekozen historische parallel ten spijt gaf het aan hoe hoog de verwachtingen waren over het aanbinden van de strijd met de almaar groeiende economische malaise.

Anderhalf jaar later kent Duitsland vele verliezers. Tegen Agenda 2010 en Hartz IV, een concrete uitwerking van de in 2003 aangekondigde drastische hervormingen, demonstreren al wekenlang iedere maandag tienduizenden Duitsers uit de voormalige DDR-Länder. De nieuwe wetten, waarin onder meer wordt vastgelegd dat werk lozen na een jaar (voor 55-plussers na achttien maanden) in een uitgeklede bijstand vervallen, komen vooral in dit deel van Duitsland met een werkloosheid van soms meer dan twintig procent hard aan. De ironie wil dat met de Montagdemonstrationen in het najaar van 1989 de bijl werd gezet in het communistische bewind van de DDR en het beginpunt werd gevormd van een hoopvolle toekomst voor een in 1990 herenigd Duitsland.

De SPD lijdt bij deelstaatverkiezingen de ene na de andere «historische» nederlaag. Over een gunstige uitslag van de verkiezingen over twee weken in Noordrijn-Westfalen, al vier decennia een stevig SPD-bolwerk, maakt geen socialist zich inmiddels nog enige illusie. De partij is haar identiteit kwijt en de achterban straft dat niet alleen electoraal af. Oude socialisten leveren massaal hun partijboekje in. Binnen de fractie is het ook een en al ruzie. Twaalf dissidenten riepen vorig jaar: «Wir sind die Partei» en roepen nu om het aftreden van hun leider. Oskar Lafontaine, de in 1999 afgetreden minister van Financiën, roert zich weer: hij probeert de linkse onvrede te mobiliseren en is daarmee na jaren toekijken vanuit de coulissen opnieuw de luis in de pels van de SPD. De hervormingen, die onder meer voorzien in bezuinigingen op werkloosheidsuitkeringen en een versoepeling van het ontslagrecht, rijmen volgens de dissidenten niet met het sociaal-democratische gezicht van de SPD.

De oppositie blokkeert vanuit de Bondsraad (een soort Eerste Kamer, maar dan met meer macht) de regering bij iedere wetswijziging. Ook roept ze dat alle hervormingsvoorstellen vijf jaar te laat komen, en bovendien niet ingrijpend genoeg zijn. De vakbonden zijn op hun beurt woedend en vinden dat de SPD werknemers en mensen zonder werk regelrecht de armoede in jaagt. De vakcentrale Deutsche Gewerkschaftbund (DGB) verlangt van de regering vooral overheidsinvesteringen om de stagnatie een impuls te geven. In Duitsland heet de totale impasse inmiddels Reformstau: iedereen wacht op iedereen zonder iemand te willen steunen.

En Schröder zelf? Van het blakende zelfvertrouwen waarmee hij in 1998 de verkiezingen won is weinig over. «Een keizer zonder kleren», noemen de grote kranten hem. De Frankfurter Allgemeine Zeitung schreef deze zomer dat voor de kanselier de politieke avondschemering is aangebroken en dat heel Duitsland toekijkt hoe de kanselier wegkwijnt. De progressievere Süddeutsche Zeitung constateerde iets milder dat de SPD en de kanselier zondebok zijn geworden voor alles wat er in Duitsland misgaat, maar stelt ook dat de partij vanaf de eerste dag dat zij regeert niet authentiek overkomt.

Iedere Duitser, links of rechts, weet het zeker: met der Gerhard komt het nooit meer goed. Tweederde van alle Duitsers gaf vorige maand in een enquête aan hem niet meer terug te willen zien in de politiek. Want na zes jaar praten over hervormingen is er niets tot stand gekomen. De werkloosheid is niet gedaald, het begrotingstekort dreigt voor de derde keer boven de Europese norm uit te komen. De waslijst met goede bedoelingen is om zeep geholpen door Schröders onbeholpen, zwalkende beleid vol schijnhervormingen. En nu er eindelijk drastische maatregelen aankomen, is het politiek en psychologisch gezien te laat. In 1998 gloorde er nog hoop op herstel door een gunstige wereldeconomie, in 2004 sluit Duitsland aan bij een algehele West-Europese recessie.

Wat ging er in de afgelopen zes jaar mis met de SPD en waarom heeft deze kanselier niet kunnen waarmaken waarmee hij tot twee keer toe de verkiezingen won?

Het werd allemaal aan de Hollandse kust onder het genot van blikjes bier en kistjes haring bekokstoofd: Gerhard Schröder moest de nieuwe leider van de SPD worden en de verkiezingen van 1998 gaan winnen. Het weekblad Der Spiegel beschreef dat onlangs in een chronologische terugblik op zes jaar rood-groene coalitie als «een geschiedenis van totaal gemiste kansen». In de lente van 1997 trok SPD-voorman Bodo Hombach zich in het vakantiehuisje van zijn moeder in Noordwijk terug om te bedenken hoe de SPD na vijftien jaar christen-democratisch bewind weer klaar gestoomd kon worden om regierungsfähig te worden. Terwijl in het herenigde Duitsland het maar niet wilde vlotten met de economie zag Hombach hoe in Nederland onder leiding van de sociaal-democratische premier Kok zich een klein wonder voltrok: lage werkloosheid, hoogconjunctuur en een flexibele arbeidsmoraal.

Het poldermodel leek de toverformule. Lang brainstormen op het strand met af en aan reizende SPD-kameraden resulteerde in een manifest met als titel Gegen den Luxus der Langsamkeit, über die Deutsche Krankheit und den richtigen Weg in eine moderne Innovationsgesellschaft. De sociaal-democratie moest niet meer benaderd worden vanuit strakke principes maar moest pragmatisch zijn en neoliberalisme met behoud van solidariteitsprincipes durven toepassen. Het traktaat werd even later als prominent artikel in Der Spiegel gepubliceerd. De auteur was Gerhard Schröder, SPD-minister-president van Nedersaksen. Hij had wel zin om «de provincie», waar hij sinds 1990 regeerde, in te ruilen voor «het grote politieke werk».

Het verliep volgens plan: met Hombach als Schröders campagnemanager en rechterhand won de SPD glansrijk de parlementsverkiezingen. Zelfbewust beloofde hij Duitsland weer tot de economische motor van Europa te maken. Achteraf gezien was zijn electorale zege niet het gevolg van een ideologisch voortvarende koers, maar van een algehele Helmut Kohl-moeheid die de kiezers had bevangen. Duitsland was toe aan «iets anders»: aan het nieuwe elan van de SPD-leider.

Samen met de Grüne Partei van Joschka Fischer trad de generatie-’68 aan de macht. Duitsland kreeg een linkse regering die nadrukkelijk koos, zich spiegelend aan de Derde Weg van Tony Blair en Bill Clinton, voor de politiek van het Neue Mitte: een opstelling die een breuk betekende met het traditiegetrouw sterk geprofileerde landschap van de Duitse politiek. In Bonn trad een nuchtere Macher aan.

Volgens commentatoren was het nieuwe gezicht van de SPD erg ijdel en «mediageil». Hij liet zich graag in Italiaanse maatpakken en zuigend aan een dikke sigaar in aantrekkelijke poses fotograferen door glossy bladen. In de media werd wekenlang gespeculeerd of hij zijn haar verfde, nadat een oplettende journaliste ontdekte dat zijn dunne en grijs wordende kapsel na een vakantie opeens zwart en voller oogde. Maar deze kritische kanttekeningen bij zijn imago mochten, zo spraken de media zichzelf bestraffend toe, er niet toe doen. Schröder toonde zich immers tomeloos ambitieus als het ging om een onmogelijke opdracht: het af- en ombouwen van het peperdure sociale stelsel, het terugdringen van de hardnekkig hoge werkloosheid (gemiddeld elf procent), het terugdringen van de staatsschuld en een aanpassing aan de eisen van de «nieuwe economie» als gevolg van de globalisering en de digitale, technologische revolutie.

Daarnaast voltrok zich met de komst van Schröder een morele breuk met het verleden. Hij profileerde zich assertief over de geopolitieke positie van Duitsland. Hij sprak over «Duitsland als grote mogendheid», hetgeen onder Kohl gold als een taboe, en rekende af met het beeld van een tobbende en schuldbewuste samenleving. Hij had genoeg van de gewetensvolle ideologische debatten en het bruine verleden als ijkpunt bij iedere actuele politieke kwestie. De zeer kostbare verhuizing van het machtscentrum van het provinciaalse Bonn naar het Pruisische, kosmopolitische Berlijn symboliseerde dit nieuwe zelfbewustzijn.

«We zijn een land zonder complexen, een normale volwassen natie», liet hij als voorzitter van de Europese Unie regelmatig weten. «Duitsland moet op zijn eigen kracht vertrouwen en internationaal niet telkens weer het boetekleed omhangen», riep hij in de Bondsdag. Het werd hem niet in dank afgenomen, ondanks de in intellectuele kringen gevoerde discussie over de last van de gijzeling door het verleden. Velen vonden hem rücksichtslos trappen op de open zenuw van de naoorlogse rechtsstaat. Uitgerekend hij, een geesteskind van Willy Brandt, koos voor een waterige ideologische koers en vertaalde de geopolitieke volwassenheid van Duitsland in militaire termen: meedoen aan internationale vredesoperaties waarmee voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog Duitse soldaten buiten het eigen grondgebied zouden opereren.

Het duo Schröder-Fischer werd meteen op de proef gesteld met de onhoudbare Kosovo-crisis. Zonder aarzeling kozen zij voor militaire deel name op de Balkan. «Voor het eerst staan we godzijdank aan de goede kant», zei Fischer blijmoedig, hoewel het gezicht van de voormalige activist in die dagen asgrijs kleurde van het nachtenlang debatteren. Met dit historische moment – deelname aan een oorlog om een punt te zetten achter het eigen oorlogsverleden – waren de Duitsers over de streep. Andere vredesmissies zouden volgen.

Met zijn zelfverklaarde volwassen identiteit en economische ambities heeft Schröder zichzelf overschreeuwd. Duitsland toont zich weliswaar al decennialang een voorbeeldige democratie, maar de erfenis van het verleden – Hitler en de DDR – bleek toch een valkuil.

Net als iedere Duitser is Gerhard Schröder een product van een land dat na de oorlog vanuit het puin op zoek moest naar een nieuwe identiteit. Schröder groeide op in een straatarm gezin zonder vader. Zijn vader Fritz sneuvelde in 1944, het jaar van Gerhards geboorte, als soldaat op een slagveld in Roemenië. In de zomer van dit jaar bezocht Schröder tijdens een dienstreis voor het eerst het graf van zijn voor hem totaal onbekende vader. Vanuit de bosjes fotografeerden journalisten een diep in zichzelf gekeerde, aangeslagen man.

Toen Schröder begin jaren zestig besloot rechten te gaan studeren in Göttingen voltrok zich in Duitsland het Wirtschaftswunder. De West-Duitsers begonnen op te krabbelen uit de armoede van de jaren vijftig en hadden weer iets om trots op te zijn: een goed draaiende economie, een harde D-Mark, Autobahnen en vakanties in Spanje. Maar daar kwam de protestgeneratie tegen in het geweer: woedend verweten zij hun ouders dat zij het verleden ontkenden en zich vastklampten aan de nieuwe welvaart. Schröder werd sociaal advocaat en begon in Nedersaksen actief te worden binnen de sociaal-democratische partij van Willy Brandt. Hij was dan geen, zoals Joschka Fischer, stenengooiende activist met lang haar, wel zat hij geheel in de sfeer van het toen heersende linkse klimaat in de woonkamers van een Wohngemeinschaft tot diep in de nacht te discussiëren over hoe de macht van de werkgevers gebroken kon worden ten bate van de uitgebuite staalarbeiders.

Nu wordt Schröder juist door die groep onder meer bitter verweten dat hij ze verloochend heeft. De vele foto’s in de kranten van Schröder tijdens werkbezoeken aan Duitse bedrijven zouden hem volgens vakbondsleiders in de kern typeren: hij staat, gekleed in een blauwe blazer met een dikke stropdas en een bouwhelm op zijn hoofd, handen te schudden met de bonzen van de grote industrie. Als je de helm wegdenkt, komt Schröders ware aard te voorschijn: hij kiest voor de werkgevers.

Hoe hypocriet Schröder het verleden van zijn partij gebruikt om zijn eigen wankele machtspositie te redden, bleek onlangs bij zijn reactie op de verkiezingsnederlaag in Türingen. Tijdens een persconferentie legde hij drie troefkaarten op tafel: het pacifistische standpunt van zijn regering bij de oorlog in Irak; het glorieuze verleden van de SPD als een partij die dapper de strijd aanbond tegen Hitler en tijdens de Koude Oorlog onder Willy Brandt verzoening met Oost-Europa nastreefde, en zijn eigen eenvoudige komaf.

Veel zal het niet helpen. Was Schröder aanvankelijk populairder dan zijn partij, inmiddels heeft hij in zijn vrije val de SPD meegesleurd. In retrospectief is de enige echte grote fout geweest dat Schröder een gelanceerd kunstproduct was, bedacht door een deel van de partij dat in Noordwijk bij gebrek aan beter uitkwam op de Nedersaksische premier. Dat nu valt Schröder niet te verwijten. Na de roemruchte periode van Willy Brandt en Helmut Schmidt viel de SPD in een diep gat. Anders dan in de Britse Labour Party was er nauwelijks discussie in eigen kring. Toen de partij eenmaal in de regering zat, wreekte die interne zwakte zich.

Een tweede ambtstermijn verwierf Schröder in 2002 nog vooral door zijn kordate aanpak van het wassende rivierwater uit Oost-Europa en door zijn opmerkelijk duidelijke standpunt over Irak. Maar de echte problemen schoof hij, telkens van standpunt wisselend, voor zich uit: Duitsland behoeden voor gevaarlijk grote armoede.

Hij vergat bovendien politiek uit te buiten dat de wortels van de ellende liggen bij zijn voorganger Helmut Kohl. De CDU-kanselier was geobsedeerd door de hereniging van een geografische tweeling die niet veel meer met elkaar gemeen had. De nieuwe inrichting van het uitgewoonde huis van Honecker bleek al snel financieel een zware wissel te trekken op de Duitse economie. Omdat Kohl, in tegenstelling tot Thatcher in Engeland, de sanering van de verzorgingsstaat links liet liggen, kreeg Schröder deze erfenis op zijn bord. Al sinds Bismarck kan Duitsland bogen op de beste sociale wetten van Europa. De Duitsers zijn zo gewend geraakt aan wekenlang betaald kuren bij een eerste spoortje hartritmestoornis, aan de dertigurige werkweek en het stipt naleven van de Feierabend dat iedere beperking van sociale zekerheid gepaard gaat met grote gevoelens van onzekerheid en weerstand. Iedere kanselier zou tegen de conservatieve mentaliteit op de werkvloer aan zijn gelopen. Duitsers duidelijk maken dat de geglobaliseerde economie andere eisen stelt, zoals flexibel werken op contractbasis, vergt óf groot geduld óf een harde hand van de grote baas in Berlijn.

De Duitse kranten schrijven inmiddels onomwonden dat Schröder zich voorbereidt op zijn eigen Alttag. Hij kan eindelijk meer tijd aan zijn gezin besteden, aldus Die Zeit. Dit jaar adopteerde hij met zijn vierde echtgenote, de 41-jarige Dora Kopf, die negen jaar geleden haar carrière als journaliste opgaf voor de rol van first lady, een Russisch weesmeisje. President Poetin hielp bij de bemiddeling. Vals schreef de krant dat Schröder vast geïnspireerd was geraakt door Tony Blair, die vier jaar geleden werd verrast door de zwangerschap van zijn echtgenote en later apentrots de kerngezonde baby Leo aan de internationale pers toonde. Maar het Russische weesmeisje kan de positie van Blairs Duitse zielsverwant niet meer redden. Hij is in zijn Neue Mitte doodgelopen.

_______________________

Een nieuwe Historikerstreit?

door Merel Boers

In Duitsland dient een langverwacht debat zich aan: hoe moet de DDR herdacht worden naast de nazi-tijd? Sinds vorig jaar november rommelt het na een voorstel van Günter Nooke (burgerrechtenactivist in de DDR, nu parlementslid voor CDU/csu) over de plaatsen waar het Duitse verleden herdacht wordt. Aangezien er een vast budget is voor het subsidiëren van Gedenkstätten en het meeste hiervan naar holocaust-gerelateerde projecten gaat, pleitte Nooke voor een herverdeling van het geld. Het ging hem met name om het herdenken van de slachtoffers van de Oost-Duitse dictatuur. Het voorstel repte van «ein würdiges Gedenken aller Opfer der beiden deutschen Diktaturen». De Zentralrat der Juden signaleerde hierin een gelijkstellen van het Derde Rijk en de DDR en waarschuwde voor een relativering van de wandaden van de nazi’s.

Het voorstel werd herschreven en in mei opnieuw ingediend. Weer sprak de vice-president van de Zentralrat, Salomon Korn, zijn kritiek uit. Hij beschuldigde Nooke van een «Waagschalen-Mentalität», omdat hij sprak over het «eerlijker verdelen» van de subsidies. Korns voornaamste punt van kritiek betrof de verschillen in dimensie tussen beide dictaturen: de nazi’s opereerden in heel Europa, de DDR was een strikt Duitse aangelegenheid. Kortom, dat er meer subsidie naar holocaustmonumenten ging, was vanzelfsprekend. In de Duitse pers werd paniekerig gereageerd op deze discussie: gaan nu de slachtoffers van de holocaust en de DDR concurreren? Krijgen we weer een Historikerstreit?

In 1986 stond intellectueel Duitsland op zijn kop tijdens de Historikerstreit. De historicus Ernst Nolte probeerde de misdaden van de nazi’s te relativeren met zijn theorie dat het Derde Rijk een reactie was op de Russische Revolutie, dat Auschwitz zijn oorsprong vond in de Goelag. Het debat werd een oeverloos wegen van de wandaden van Hitler en Stalin. Hoewel het tussen Korn en Nooke alleen nog maar over de eventuele herverdeling van het geld gaat, tekent zich tussen de regels door een herhaling van dit debat af. De Historikerstreit was achteraf geen echte ruzie, omdat Nolte weinig medestanders had en de meeste deelnemers vonden dat de holocaust uniek was.

Als de discussie opnieuw losbarst, zou het verloop veel genuanceerder en minder voorspelbaar kunnen zijn. Korns argument van de Europese dimensie van de holocaust versus de Duitse dimensie van de DDR is geldig voor Duitsland. Met de uitbreiding van de EU naar het oosten krijgt de DDR als stalinistische dictatuur echter ook een Europees gezicht. In de Oost-Europese collectieve herinnering neemt het stalinisme bovendien een prominentere plek in dan de holocaust. Duitsland zit klem tussen twee visies op de twintigste eeuw. Worst case scenario: een verbeten strijd tussen slachtoffer organisaties om de hoogste plaats in de rangorde van het lijden. Het gedonder zou deze herfst al kunnen beginnen, als één van de twee belangrijkste DDR-monumenten een forse subsidie krijgt. Er is 17,5 miljoen euro nodig voor de restauratie van de Gedenkstätte Hohenschönhausen, de voormalige centrale gevangenis van de Stasi in noordoost-Berlijn. Hier zaten DDR-dissidenten in voorarrest. Hohenschönhausen is echter zo hapsnap gebouwd dat de betonnen muren zichtbaar verkruimelen. Tot nu toe werd de Gedenkstätte fifty-fifty gesubsidieerd door de Duitse staat en de deelstaat Berlijn. Met dit geld (zo’n twee miljoen euro per jaar) kan het verval echter niet worden tegengegaan: het gaat volledig op aan de kosten die het groeiende aantal bezoekers met zich meebrengt. Al sinds 2002 liggen de bouwwerkzaamheden stil. Tijdens een recent bezoek liet burgemeester Klaus Wowereit van Berlijn weten de gevangenis in oude glorie te willen herstellen als nationaal herdenkingsoord. Volgens de burgemeester zal de staat een wezenlijk grotere bijdrage leveren dan Berlijn. Met het toekennen van de subsidie aan Hohenschönhausen zou de Duitse regering echter een politiek signaal uitzenden in de discussie over Gedenkstätten.

Op zich is dit conflict op den duur onvermijdelijk: de omvang van de holocaust maakt het moeilijk ruimte te vinden voor het lijden van «anderen». Een officiële, nationale herdenkingsplek voor de onderdrukking onder de DDR-dictatuur, gefinancierd door de staat, zou meer aandacht genereren voor de DDR-slachtofferlobby, die tot nu toe zeer bescheiden is. De voorzitter van een vereniging voor slachtoffers van de Stasi spreekt voorzichtig de hoop uit dat door de groeiende faam van Hohenschönhausen steeds meer mensen doordrongen raken van de gruwelijke kanten van de DDR, die in binnen- en buitenland nog steeds een relatief «schoon» imago heeft. De verkiezingen in de deelstaten Sachsen en Brandenburg maken duidelijk dat niet alleen rechts-extreme partijen aanhang winnen in het onzekere Oost-Duitsland. Steeds meer kiezers grijpen terug naar de PDS die nog steeds druk bevolkt wordt door oud-SED-leden.

Vooralsnog gaat de stichting die de voormalige Stasi-gevangenis beheert ervan uit dat het geld voor de restauratie rond komt. Dan kan Hohenschönhausen haar ambitie als nationaal antistalinistisch monument waarmaken. Of deze herfst inderdaad een nieuwe Historikerstreit aankondigt, wellicht met Europese dimensies, is nog onduidelijk. Schrijnend is wel dat de restauratie van Hohenschönhausen waarschijnlijk eerder klaar is dan het Berlijnse holocaust-Mahnmal.