De geliefde is dood, wat nu?

Gerard de Nerval, Hersenschimmen. Les Chimeres. Vertaald door Paul Claes, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 48 blz., f39,90; Aurelia of De droom en het leven. Vertaling en nawoord door Menno Wigman, uitgeverij Voetnoot 1994, 88 blz., f34,50.
El Desdichado
Ik ben die duister is, - bestorven, - ongetroost, De Aquitaanse prins met de geslechte toren: Mijn ster is dood - en mijn gesternde luit verkoos De zwarte Zon Melancholie te laten gloren.
Laat in de grafnacht mij, opnieuw door u getroost, De Posilippo en Italies zee behoren, De bloem die mijn mistroostig hart zo kon bekoren, En het prieel waar ‘t wingerdloof rankt om de roos.
Amor of Phoebus ik?… Lusignan of Biron? Nog gloeit de kus der koningin op mijn gelaat; Ik droomde in de grot waar de syrene baadt…
Ik voer al tweemaal groots over de Acheron En bracht als beurtzang op de lier van Orpheus mee Het klagen van de heilige en ’t gekrijs der fee.

EEN NAAM die associaties oproept met aandoeningen van het zenuwstelsel en met de roofvis die ooit voorkwam in de wateren rondom de Haarlemmermeer, maar die te maken heeft met een stuk land dat een zekere familie Labrunie toebehoorde: De Nerval, Gerard, Frans romanticus (1808- 1855), prototype van de poete maudit, befaamd om zijn rusteloze leven dat eindigde aan een hek in de Parijse rue de la Tuerie (nu De La Vieille Laterne). De Nerval was een nerveus zoeker, bijvoorbeeld naar wat hij ‘zijn innerlijke oosten’ noemde, iemand die op geen enkele manier de eigenhandig gestookte mythe wilde afzwakken dat hij zijn droomvrouw, zijn koningin van Sheba, de actrice Jenny Colon had misgelopen; die esoterische literatuur las en herhaaldelijk in de kliniek van dokter Blanche in Montmartre werd opgenomen; die als geestelijk vader van Rimbaud en de surrealisten wordt beschouwd; wiens reputatie werd gevestigd met een intrigerende maar allesbehalve foutloze vertaling van Goethe’s Faust.
De Nerval, geprezen door de jonge T. S. Eliot en bij ons door Marsman, Vestdijk en Rodenko, geldt als een van de initiatoren van de moderne poezie, al is zijn 'je suis l'autre’ merkwaardig genoeg veel minder in de poeticale canon verankerd dan Rimbauds wervende leus van zo'n twintig jaar daarna. De Nerval is geboekstaafd als de dichter van de 'nachtzijde der romantiek’, schrijver van moeilijk grijpbare gedichten, waarin een experiment met meervoudige identiteit wordt bedreven. Tegelijk is hij een getormenteerd, door stemmen geplaagd schrijver die ook in zijn proza verschillende dubbelgangers projecteerde op het literaire beeld dat hij van zichzelf wilde scheppen. Voorts heeft men ons lezers altijd willen charmeren met de legende Nerval, een man die werd gezien in de Jardin des Plantes met aan een blauw lint een kreeft.
KEATS EN SHELLEY zijn de romantici wier invloed op de Nederlandse literatuur duidelijk valt aan te wijzen. Novalis en Holderlin en zeker ook de vernieuwende Fransen zoals Baudelaire komen er wat dat betreft lange tijd bekaaid af. Johan Polak, die overigens meende dat De Nerval zich opknoopte aan een straatlantaarn, merkt terecht op dat Nederland zich verlaat invoegde in de zwarte romantiek, 'waarvan de griezelgeschiedenissen, de ondergangsvisioenen en het als lustverwekkend te ervaren doodslot hun netten over de Europese letteren hebben uitgeworpen tot ver in de twintigste eeuw’. Beperken we ons tot de Nederlandse De Nerval dan zien we dat Frans Erens in 1923 een essay aan hem wijdt, dat Marsman drie jaar later een zeer gedreven uitleg geeft aan een bekend gedicht van hem, en dat Vestdijk in 1938 de opgeworpen bal oppakt om een scheiding te maken tussen wat hij 'prehistorische’ en 'moderne’ poezie noemt.
Ik denk dat te onzent pas na de oorlog - door Paul Rodenko - dwingend wordt gewezen op het belang van de dichter Nerval. Maar het kan zijn dat Rodenko in de jaren vijftig tegen beter weten in nog sterk is beinvloed door Vinkenoogs kreet: 'De Nederlandse poezie begint in 1950.’ Het verklaart wellicht enigszins waarom Rodenko steeds probeert vaderlands poeticaal gedachtengoed met De Nerval te verbinden: in 1947 legt hij een verband tussen de 'pathetische ideeen die zich in de poezie hebben genesteld’ en de irrationele kanten van het steeds heviger tierende existentialisme; in 1955 ziet hij een verband met de 'mythische dimensie’ van Achterberg; in 1957 geeft hij de bundel Gedoemde dichters uit en leidt die vol verwijzingen naar de dichter uit de Valois in; in 1977 (postuum) worden de Vijftigers en hun experimentele explosie in de Nederlandse poezie nog altijd als nazaten van de zwarte romanticus gezien. Het laatste en meest ware statement staat in een soort testament van Rodenko; daar zegt hij ook een verhelderende waarheid, dat prosodische regels in de moderne poezie ondergeschikt zijn aan het zuivere scheppingsproces.
Dat laatste doet misschien vreemd aan bij De Nerval, een dichter die vooral bekend staat om zijn sonnetten. Maar Vestdijk had er al op gewezen: de verzen van deze 'patient’ zien er weliswaar 'zo beheerst uit, dat men ze gemakkelijk voor “klassiek” verslijt, wat ze naar hun vorm trouwens ook zijn’, maar het 'rationele plan’ wordt steeds verruild door 'lunaire sferen die aan het fixerend begrip ontsnappen’: het zijn de 'vervoering’ en het magnetisme tussen de ratio en het onvatbare die de toon zetten. Marsman wijst op de 'donkere grondslag’ van De Nervals wezen, 'het besef dat niet enkel zijn hersens verteerde, maar zijn bloed en vezels doortrok’.
IK HEB het idee dat De Nerval in Nederland naarmate de eeuw vordert minder gek wordt geacht, maar wel nog altijd zeer esoterisch (zo opende De Revisor in 1983 het vertaallaboratorium 'Esoterisme in de poezie’ met twee gedichten van De Nerval in de versie van Petrus Hoosemans). We achten de Fransman ook steeds minder 'maudit’, maar dat zal geen verbazing wekken sinds het tegenwoordig eerder van bijzonderheid getuigt als je je niet in drank, wellust en hasjdampen zwelgt. Paul Claes, die onlangs zijn definitieve vertaling van Les Chimeres publiceerde, verandert tussen 1983 (de eerste publikatie van de bundel in het Nieuw Vlaams Tijdschrift) en 1994 'mauditisme’ als een van de drie kenmerken van De Nervals werk (naast 'symbolisme’ en 'satanisme’) ook in 'seksualiteit’.
Aan de nu gepubliceerde versie is die accentverschuiving niet onmiddellijk af te lezen. 'Nog gloeit de kus der koningin op mijn gelaat’, uit het gedicht 'El Desdichado’ is bijvoorbeeld gehandhaafd. Die koningin is natuurlijk die van Sheba en in haar de gestorven geliefde, of anders de hoofdpersoon uit een novelle die als uitgebreide voetnoot bij 'El Desdichado’ kan worden gelezen: Aurelia, nu verschenen in een verzorgde vertaling van Menno Wigman, die niet nalaat te zeggen dat de drukproeven ervan uit de jaszakken staken van de zelfmoordenaar, hangende aan het hek.
Maken we het mee? Wordt De Nerval nu eindelijk op de Nederlandse literatuur geent? Voor het eerst als prozaschrijver? Daarvoor functioneren de novellen en reisverslagen te zeer als uitbouw van de gedichten, denk ik. En het is natuurlijk een zwaar criterium om de vertalingen eraan te meten, om na te gaan of Claes, de schrijver en dichter, de lijn van de letteren verlegt, maar het belang van een vertaling wordt er wel het scherpst mee geprofileerd. Het is tegelijkertijd de belangrijke vraag die ik mis in het overigens informatieve nawoord van Wigman, die al te traditioneel de plaats van De Nerval louter schetst op de landkaart van de Franse letteren.
LAAT IK 'El Desdichado’, het beroemde openingssonnet van Hersenschimmen, eens bekijken, ook omdat het hier het vaakst is besproken en vertaald. Thema: de geliefde is dood, wat nu? Het gedicht dat uit de vraag ontstaat is meteen de sleutel tot het antwoord. Het subject identificeert zich met ongelukkige ridders (Ivanhoe, Don Quichot, Amadis de Gaukla en Richard Leeuwenhart) van wie de minnares (de 'ster’) verdween en plaats maakte voor melancholie (de 'zwarte zon’). Op het gedicht, waaruit T. S. Eliot een volle regel in The Waste Land opnam, is door exegeten natuurlijk de levensgeschiedenis van De Nerval geplakt, onder meer een affaire met een Engelse in de buurt van Napels en de aanvallen van waanzin die de dichter tweemaal in zijn leven overvielen. Het subject wil ten slotte als Orpheus de geliefde uit de onderwereld vandaan sleuren - maar nu doe ik wat mij in de aantekeningen van Claes tegenstaat, het gedicht vastleggen op een 'situatie’ en een 'verhaal’. Laat ik bij Marsman te rade gaan.
Die verzucht in 1926 dat De Nerval nog nooit 'door worgender visioenen werd gegrepen, nooit bloedde hij zoo’; 'El Desdichado’, dat door hem lyrisch wordt geparafaseerd (id est vertaald), laat enerzijds het 'wegstaren over de wereld’ zien, de 'al-vergeefschheid’; anderzijds is het volgens Marsman een sprekend voorbeeld van wat Nijhoff vlak daarvoor de 'zelfwerkzaamheid van de vorm’ heeft genoemd: reeds na twee regels wordt het gedicht 'vrij-schrijdend’, ontwikkelt het 'stuwkracht’. Marsman laat verder de adjectieven 'onaardsch’ en 'sereen’ vallen.
VESTDIJK HEEFT wat minder met het inderdaad geijkte gedicht op, vindt dat het 'bedreigd wordt door poetische accesoires’. In 1941 vertaalt L. Th. Lehmann het gedicht, een opmaat tot de eigen gedichten. In 1969 wijst J. Guepin erop dat Marsmans commentaar een soort prozagedicht is waarvan sommige parafrasen 'niet mogen’ en dat ontegenzeglijk vooruitloopt op Tempel en kruis (1940). Zodat minder De Nerval dan Marsmans visie op hem literairhistorisch doorwerkt. Guepin vertaalt het gedicht ook. Mij schiet naar aanleiding van zijn essay te binnen dat de zoekende man in het gedicht iedereen kan zijn en dat de ontregelde identiteit van 'elke man’ in 'El Desdichado’ staat tegenover de 'seule toile’ die de geliefde vrouw is. Waarom is dat 'enige’ in elke Nederlandse vertaling verdwenen?
Aan Aurelia, het verslag van de wanen en de stemmen en hun 'samenstel’, geinitieerd door De Nervals psychiater die er zijn observerend nut mee kon doen, valt af te lezen wat De Nerval wilde: zijn hersenschimmen klein krijgen en de nachtelijke geesten aan regels onderwerpen. Dat werden dan sonnetten, ingebed tussen geschriften als Les filles du feu en Voyage en Orient, waar telkens hetzelfde in weerklinkt: ik liep mijn liefde mis, daarom zeg ik u mijn naam, maar mijn naam is divers, en waar hij divers wordt wil ik hem temmen door hem spoorslags de kooi van de kunst in te drijven.