Verslaafd aan de joint

De gelukkige blower bestaat niet

De Groene Amsterdammer vroeg een ervaringsdeskundige terug te kijken op 25 jaar blowen. Van de eerste joint tot de Jellinek. ‘Bijna al mijn vrienden waren blowers, bijna iedereen was gesjeesd. Ik had geestelijk vrijwel stilgestaan.’

MIJN EERSTE JOINTS rookte ik in de derde klas van de middelbare school, met vrienden in de lunchpauze. Ervaren dat je je werkelijkheid kan veranderen door iets te inhaleren is overweldigend, zeker als je vijftien bent.
Al snel leerde ik dat het tientje black zero dat ik zenuwachtig besteld had niet de beste hasj was. Ik hoorde van coffeeshop De Tweede Kamer in Amsterdam, daar hadden ze de beste stuff van de stad. Dat shopje zit tot de dag van vandaag in de Heisteeg en nog steeds geldt het als een adres voor hoge kwaliteit hasj en wiet.
Er was op mijn school een groepje jongens dat dagelijks blowde, ik hing daar losvast bij. Zij waren door de week vaak in High Noon, een andere shop, en rookten veel meer dan ik. Slimme maar lastige pubers die in bandjes speelden, naar ‘alternatieve’ muziek luisterden en samen blowden. Sommigen van hen haalden later hun eindexamen niet, anderen net wel. Ik rookte in die tijd mijn joints samen met een vriendje dat net als ik wat voorzichtiger was. We hadden lachkicks van één joint die we samen deelden; wat wij aan hasj in een joint deden was hetzelfde als wat de andere jongens van tafel veegden als kruimels die niet de moeite van het bewaren waren.
Ik had het naar mijn zin als ik stoned was, ontdekte dat ik in een andere wereld terechtkwam als ik blowde. Ondertussen werd het thuis steeds minder huiselijk met ouders die hun rol niet naar verwachting en wens konden invullen, scheidden en vaak in het ziekenhuis werden opgenomen. De dagelijkse fietstochten naar het ziekenhuis waren draaglijker als ik ze stoned met mijn walkman op deed. Iets weerhield mij toen van het dagelijks roken van joints, ik deed het ook niet vaak alleen.
In die tijd had ik een krantenwijk van een lokale krant en beperkte het blowen tot de dag van bezorging, de woensdag, en tot vrijdagmiddag na school in de coffeeshop. Wat me opviel, was dat ik als ik woensdag blowde pas de vrijdag erna echt nuchter wakker werd. Geleidelijk aan wilde ik vaker blowen, ik zocht naar uitvluchten, excuses, redenen om vooral op zaterdag naar de Tweede Kamer te gaan, later ook op zondagavond.
Mijn ouders wisten wel dat ik blowde, dat was hun door de school-leiding verteld. De stichting die zich toen met drugsvoorlichting voor ouders bezig-hield, probeerde hen vooral gerust te stellen. Wiet en hasj waren veel onschuldiger dan alcohol, en verslaafd kon je er niet aan raken. Het was maar een fase waarin de jongeren zaten. Experimenteergedrag. Het diende gedoogd te worden. Ook al zagen wij zelf dat de fanatieke, dagelijkse blowers somber en ambitieloos werden en slecht scoorden op school, we spraken deze voorlichting vooral niet tegen. We vonden zelf dat wij prima konden omgaan met drugs.
Na het begin van mijn studie ging ik op kamers wonen. Ik kocht vaker wiet en ging ook door de week overdag blowen. Ik hield me niet meer aan mijn eigen regel dat ik pas weer ging blowen als ik die ochtend echt nuchter wakker geworden was. Nu was ik vaak ’s middags te vinden in de Tweede Kamer, hun wiet had de reputatie dat die zo sterk was dat je ervan flipte. Mij beviel dat heel goed; ik hou van grenzen opzoeken. Ik las tergend langzaam de tijdschriften die op tafel lagen en had discussies met de, voor een coffeeshop, bovengemiddeld ontwikkelde bezoekers. Dat kleine kamertje was ons magisch universum. De sfeer was er goed, de barmannen waren niet veel ouder dan de gemiddelde bezoeker, ze waren -gevat en draaiden goede muziek. Als iemand dat rokerige hol voor het eerst binnenkwam, was de reactie altijd hetzelfde: wat een boel mensen in een kleine ruimte, wat een relaxte sfeer, wat een geweldige muziek. Toeristen werd door de vaste bezoekers steevast bezworen dat ze een verborgen diamant gevonden hadden, de beste shop van de stad, klein maar heel fijn.
Mijn studie verliep slecht, ik was niet geïnteresseerd in de meeste vakken en had niet de discipline hard te studeren voor de vakken waar ik echt geen aanleg voor had. Ik wisselde van studie en verhuisde naar Rotterdam. Het eerste jaar daar blowde ik weer alleen in de weekends, als ik terug-ging naar Amsterdam en direct de Tweede Kamer opzocht. Ik haalde mijn propedeuse in dat jaar. Ik woonde aan de rand van de stad op een kamer in een villawijk ver van andere studenten en had ’s avonds bijna geen contact met medestudenten, voelde me geïsoleerd. Het jaar daarop verhuisde ik naar een buurt in het centrum van Rotterdam. Ik keek uit op bordelen. Twee vrolijke Surinaamse cocaïnedealers en broers waren onze overburen, ze runden een vage jazzclub waar gerenommeerde muzikanten optraden, het maakte de indruk van een witwasconstructie. Op de hoek zat een donker café waar harddrugs werden gedeald en -gebruikt. Op de hoek daartegenover zat wat jarenlang mijn huiskamer zou worden: De Drie Musketiers, nachtcafé annex coffeeshop, 24 uur per dag geopend, 365 dagen van het jaar.
Op weg naar huis kwam ik altijd langs de enorme ramen en kon de verleiding meestal niet weerstaan, ging naar binnen, altijd voor minstens een paar uur. Vaker nog ging ik rechtstreeks en welbewust af op de voordeur die bewaakt werd door de uitsmijters Wesly en Ivan, en werd -begroet als one of the guys. Het was als thuiskomen. Ik sloot vriendschap met sommige dealers en leerde wietoogsten te knippen, ging mee naar zo mogelijk nog vagere cafés waar bijna alleen criminelen kwamen en leerde wietplantages in te richten en te oogsten. Ik rookte en dronk soms de hele nacht door en ging om zes of zeven uur naar bed, ik zat helemaal in de scene van blowende nietsnutten, vrijbuiters, uitkeringstrekkers en hele en halve criminelen die destijds de toon zetten op de Nieuwe Binnenweg.

NET ALS DE TWEEDE KAMER was De Drie Musketiers een universum op zich, het verschil was dat De Drie veel groter was en dat er alcohol -geschonken werd. Waar de Tweede Kamer vooral de slimmere en soms ook oudere blower aansprak, was De Drie Musketiers een vergaarbak van alles wat niet netjes was. De prostituees van de bordelen aan de overkant kwamen er na werktijd, soms samen met heel brede mannen. Regulier maar dorstig uitgaanspubliek dat door wilde gaan als de andere kroegen gingen sluiten, zwervers, kunstenaars, verdwaalde studenten, veel taxichauffeurs en criminelen; alles zat aan de bar te blowen en te drinken. Als een van de eigenaars binnenkwam, ging de bijzonder krachtige geluids-installatie op vol, ongeacht het tijdstip, en dreunde de muziek tot ver in de straat waar ik in woonde. Het is vaak voorgekomen dat ik in bed lag, wakker werd en besloot nog 'even’ naar De Drie te gaan om pas de volgende ochtend naar bed terug te keren.
Met mijn studie ging het ondertussen echt slecht, ik blowde iedere dag om de ellende te vergeten die ik veroorzaakt had met blowen. Ik was na de spannende eerste joint van weekendblower geworden tot iemand die de dag begon met koffie en joints. Ik stond op wanneer ik wakker werd, en aangezien ik ’s nachts vaak nog aan de bar zat, was dat laat ’s ochtends of zelfs laat ’s middags. Mijn dag- en nachtritme was omgekeerd geraakt, ik zat in het wereldje waarin met het woord 'roken’ blowen bedoeld werd, waar regulier, wit werk zeldzaam was, waar wietkweken en -dealen de enige manier van succes leek. Ik werkte zwart bij om genoeg geld te hebben voor het blowen en feesten. Als ik moest kiezen tussen brood en blowen koos ik ervoor mijn geld uit te geven aan een zakje wiet. Jarenlang moest ik maar hopen dat er geld uit de pinautomaat kwam als ik mijn pincode intoetste. Ik zat klem. Maar ik wilde dat niet weten, laat staan vertellen aan niet-blowende vrienden, mijn ouders, laat staan aan hulpverleners.
Dat heeft een aantal jaren geduurd, totdat er echt geen uitweg meer was en ik via een bevriende psycholoog in behandeling kwam bij een gerenommeerde psycholoog die in verslaving gespecialiseerd was. Pas na vier à vijf sessies verzuchtte hij oprecht verbaasd: 'Jij bent écht verslaafd.’ Ook in zijn beroepsgroep was het een jaar of vijftien, twintig geleden nog geen gemeengoed dat cannabis verslavend kon zijn. Ik stopte na een half jaar met zijn hulp en bleef daarna anderhalf jaar nuchter maar somber. Tien jaar had ik besteed aan heel veel blowen en het behalen van een propedeuse, ik had weinig zelfvertrouwen en zelfkennis meer over, had geestelijk vrijwel stilgestaan en in een totaal ander universum geleefd. Bijna al mijn vrienden waren blowers, bijna iedereen was gesjeesd, mislukt in wat ze zich hadden voorgenomen. >
Mijn redding van de ondergang bestond uit mijn liefde voor sport en cultuur en enkele nuchtere vrienden met wie het contact nog niet helemaal verwaterd was. Ik reed in die tijd dagelijks op rolschaatsen, vaak deed ik die direct na het douchen bij het opstaan aan en pas weer uit als ik ging slapen. Dat hield me fit en zorgde voor wat nuchtere energie en plezier, hoe stoned ik er ook aan begonnen was. Later kreeg ik een mountainbike en daarop reed ik naar een parcours buiten de stad, ging daar los, blowde tussendoor een paar keer en reed terug. Een van mijn blowvrienden had een auto en daarmee reden we stoned en hard doorblowend naar Den Haag waar we door de duinen scheurden, af en toe pauzerend voor een joint.
De collectie van Boijmans leerde ik ondertussen bijna uit mijn hoofd. Als ik ’s ochtends wakker werd, het regende en ik weer eens colleges aan het missen was, besloot ik dan maar het beste van de dag te maken door - uiteraard knetterstoned - het museum op te zoeken. Dat vluchtgedrag, niet studeren, wel blowen en sporten en ’s nachts feesten, zorgde voor -afstand tot de nuchtere wereld. Omdat ik toch af en toe mensen tegenkwam die me dierbaar waren, ontwikkelde ik de gewoonte om te liegen over mijn studie, de voortgang daarvan en mijn welzijn. Ik schaamde me: ik was een vrij slimme jongen met veel kansen en mogelijkheden geweest en ik was veranderd in een verslaafde loser die rondhing in dubieuze kringen en op de koop toe ook nog eens heel somber was.
Op ieder moment van de dag dat ik niet in mijn eigen wereldje ronddraaide, wilde ik terug, stoned worden, lekkere muziek horen.
In het blowerswereldje vertellen mensen vaak dezelfde verhalen, -althans de verhalen hebben dezelfde strekking en structuur. 'Ik blow -omdat ik het lekker vind, ik kan niets doen aan de dingen die me overkomen, de hele wereld is tegen me, ik heb geen andere keus dan maar weer een jointje te roken en er het beste van te hopen, alle inspanning is zinloos.’ Regelmatige gebruikers zitten vast in de 'comfortabele’ en zelfversterkende cirkelredenering van het slachtofferschap. Misschien dat er een groep is die heel af en toe een jointje rookt, de meeste blowers die ik ken hebben er een heel moeizame relatie mee, kunnen helemaal niet zo makkelijk hun gebruik echt de baas blijven.
Die doorgewinterde blowers moeten wel toegeven dat hun werk en -leven lijden onder hun verslaving en dat ze beter af zouden zijn als ze -matig zouden kunnen gebruiken. Blowers willen maar één ding echt: meer blowen. Net als andere verslaafden doen ze daar veel voor, liegen is dan snel gebeurd. Toegeven dat je aan blowen verslaafd bent, is een afgang en toegeven dat je er niet zelf mee kunt stoppen nog meer.
Dat liegen, ook tegen jezelf, ondermijnt je eigenwaarde en zorgt voor een enorme afstand tot je sociale omgeving, tot de nuchtere werkelijkheid. Die afstand is dan weer aanleiding om door te gaan met blowen en vooral op te trekken met je medeblowers in de coffeeshop. Blowers roken ook door omdat ze denken dat hun leven niets meer voorstelt zonder wiet of hasj. Dus zelfs als het geld op is en als er bijna geen nuchtere vrienden meer over zijn en zelfs als ze zich heel somber voelen over het liegen en slecht voor zichzelf zorgen, willen ze niet gauw toegeven dat ze verslaafd zijn en dat dat de oorzaak van hun probleem is. Als ze dat wél toegeven, is het vaak zo dat stoppen veel moeilijker blijkt dan gedacht en vaak niet in één serieuze poging lukt. Daardoor aanvaarden ze maar dat blowen hun leven is, dat ze nooit echt zullen kunnen stoppen.

NADAT IK met de hulp van die psycholoog gestopt was, leek het me een goed idee om naar Amsterdam te verhuizen. Daar kon ik aan de slag met een aardig baantje en zou ik me waarschijnlijk meer op mijn plek voelen dan in Rotterdam. Ik was na mijn eerste echt succesvolle stop weliswaar nuchter maar ook ongelukkig. Na anderhalf jaar probeerde ik uit nieuwsgierigheid weer een jointje. Ik schreef op in het dagboek dat ik had bijgehouden tijdens de therapie dat ik heel verstandig zou omgaan met de aandrang om door te gaan met blowen, ik zou alleen een voorgedraaide joint kopen en daarmee basta.
Niets van terechtgekomen. Ik raakte extatisch van die eerste joint in anderhalf jaar en genoot met volle teugen van de trip weg uit de werkelijkheid, van de volle focus op het zintuiglijk genot. Aanvankelijk kocht ik alleen voorgedraaide joints, daarna alleen buiten gekweekte wiet, die is niet zo sterk. Maar al snel rookte ik weer minstens een gram zo sterk moge-lijke nederwiet per dag. Ondertussen wilde ik niet toegeven aan -mezelf en mijn omgeving dat ik weer volledig verslaafd was, dat de hele dag in het teken stond van blowen.
Ik hopte van baantje naar baantje totdat ik samen met een goede vriend stopte, voor de tweede keer. Dat hield ik ruim een jaar vol totdat ik in een nachtcafé een oude bekende tegenkwam die me vroeg voor hem een joint te draaien. Een van de vaardigheden waar ik werkelijk in uitblonk. Hij stond erop dat ik hem ook aanstak, ik nam, na tegenstribbelen, een heel klein trekje.
Die nacht noteerde ik in mijn dagboek dat het gevoel van rust, van helemaal in het nu leven me zo aansprak aan blowen. Geen zorgen over gisteren of morgen maar er nú zijn, nú genieten, nu heel intens luisteren naar muziek, nu heel scherp denken, nu jezelf en sociale verhoudingen beter denken te begrijpen. Ook noteerde ik dat die gedachten heel gevaarlijk waren, want ik had al eerder aangetoond niet beheerst om te kunnen gaan met wiet.
De volgende dag ging ik naar de coffeeshop en was ik weer de stiekeme blower. Al jaren was ik niet meer de vrolijke blower die ik ooit was, blowen was een verslaving, dat erkende ik inmiddels volmondig. Het vinden van een partner, het behouden van leuk werk, het leggen van sociale contacten buiten de coffeeshopscene, het niet meer liegen tegen vrienden en mezelf: het lukte allemaal niet. Inmiddels had ik geen schulden meer, maar ik was aan het overleven in plaats van te leven. Ik wilde zo graag stoppen maar net als in het verleden lukte me dat hooguit voor dagen, weken of heel soms maanden, misschien dik een jaar maar nooit langer. Het falen begon me te verbitteren, ik bleef de schuld daarvoor buiten de verslaving zelf leggen en wist geen uitweg, zag geen oplossing.
Een van mijn beste blowvrienden, die net als ik ook al jaren worstelde met zijn verslaving, wist me te verleiden tot een belofte: als ik binnen een jaar niet zelf gestopt was, zou ik moeten toegeven dat ik dat niet zelfstandig kon en me aanmelden bij een instantie voor verslavingszorg. Dat is nu ruim een half jaar geleden.
Binnenkort ga ik naar mijn laatste sessie leefstijltraining bij de Jellinek-verslavingskliniek. Ik heb me vorig jaar herfst aangemeld en succesvol cognitieve gedragstherapie gevolgd, ik ben weer clean, nuchter, nu vijf maanden. Aansluitend heb ik me ook aangemeld voor de workshop sociale vaardigheden waarin ik in een groep met andere ex-verslaafden leer hoe ik mijn grenzen moet aangeven, hoe ik kritiek en complimenten kan uiten en ontvangen, enzovoort. Dat heb ik als 41-jarige namelijk nog onvoldoende onder de knie.

TERUGKIJKEND kan ik zeggen dat het blowen, de verslaving me in staat heeft gesteld de wereld om me heen te vergeten zodat ik me kon richten op wat ik in plaats van de nuchtere werkelijkheid belangrijk vond. Ook heb ik een bijna oneindige stoet aan paradijsvogels leren kennen en zien voorbijtrekken, ik heb er een paar vrienden aan overgehouden. Conservatief geschat heb ik dik vijf kilo wiet en hasj gerookt. Er zijn ongetwijfeld mensen die verstandig met cannabis kunnen omgaan en eens in de paar weken een joint roken, maar in coffeeshops zitten meestal mensen die dat niet kunnen. Wat mijn verslaving me gekost heeft, is sociale ontwikkeling, mijn opleiding en daarmee kansen op goed betaald werk en ook veel levensvreugde. De gelukkige blower bestaat niet, ik heb ze althans in de 25 jaar dat ik tussen ze zat niet ontmoet.

De naam van de auteur is bij de redactie bekend