De gelukkige stad

Creativiteit is het sleutelwoord voor de revitalisering van oude steden. Bouw een opera of een Guggenheim, haal de hippe jonge creatieven binnen en zelfs grijze steden als Bilbao, Glasgow en Rotterdam gaan glanzende economische bloei tegemoet. Maar is dat wel zo?

«Europese Cultuurhoofdstad» is een raar predikaat. Bij steden als Avignon, Bologna, Praag en Brugge kan iedereen zich een zeker cultureel profiel voorstellen, bij Liverpool, Porto en Rotterdam wordt dat al moeilijker, de gedachte dat Cork, Lille, Stavanger en Essen in dat rijtje thuishoren is zelfs een beetje lachwekkend. Geef toe: bij Lille, Rotterdam en Liverpool denk je aan ongelukkige, grijze steden, vervormd door crisis en oorlog, met lelijke centra, nare buitenwijken, kansloze immigranten, criminaliteit en slecht weer. En toch zijn ze allemaal Cultuurhoofdstad geweest, of ze worden het in de nabije toekomst. Daarbij gaat het allang niet meer om tijdelijke status, om een jaartje meetellen in Brussel en een brokje subsidie. Cultuur en creativiteit zijn essentiële factoren geworden in de revitalisering van steden, en het Hoofdstad-predikaat is het vaandel van een serieuze strategie. «Creativiteit» is zelfs een rage in de wereld van bouwwethouders en stadsontwikkelaars. Allemaal hebben zij The Rise of the Creative Class van de Amerikaanse econoom Richard Florida op hun nachtkastje liggen. Allemaal dromen ze van Sydney, Barcelona, Seattle of San Francisco, heerlijke steden, waar in de jaren negentig economische en culturele bloei hand in hand gingen. Kijk naar Bilbao, zeggen ze: was dat niet ook een verarmde, uitgebluste industriestad? En werd dat niet door de bouw van één uitzonderlijk museum door Frank Gehry de grootste toeristentrekker van Baskenland? Dat moet in Enschede ook kunnen.

De beleidsmakers presenteren dus – met Florida’s boek in de hand – ronkende portfolio’s en blinkende websites waarin de lof wordt gezongen van hun stad als creatief domein. Er moet worden geïnvesteerd in broed- en werkplaatsen voor muzikanten, kunstenaars, webdesigners en reclamebureaus; in musea, loungecafés, designerhotels en – ’t hipst van allemaal – in een masterplan door Rem Koolhaas. Nijmegen en Arnhem hebben samen een «creativiteitscentrale». Eindhoven ziet zich (met Leuven en Aken) uitgroeien tot «brainport». Groningen heeft «Gist». Het is allemaal bruisend, en voor de cultuurbevordering is het niet slecht. De vraag is of het in economische zin ook hout snijdt.

Richard Florida, afkomstig uit Pittsburgh, zag in de jaren tachtig hoe nieuwe, moderne bedrijven in zijn stad, zoals Lycos, hun tenten verplaatsten naar «hippere» plaatsen als Boston. Daar, in de buurt van de grote universiteiten, waren kennelijk de mensen te vinden die dat soort bedrijven nodig had: creatieve buitenbeentjes, onafhankelijke denkers, vrije geesten. Het viel op, vond Florida, dat bedrijven zich vestigden waar getalenteerd personeel voorhanden is, in plaats van andersom. Dat was geen volstrekt nieuw inzicht – de aanwezigheid van menselijk kapitaal als vestigingsvoorwaarde – maar Florida concentreerde zich op de rol van creatieve mensen. Waarom clusterden creatieve mensen op bepaalde plaatsen bij elkaar en op andere niet?

Florida sprak veel jonge werknemers die de keuze voor een nieuwe baan in een nieuwe stad lieten afhangen van de aanwezigheid van een levendige muziekscene. Economische en lifestyle-argumenten bleken even zwaar te wegen. Geen grunge, geen creatieven; geen creatieven, geen bedrijven. Het waren (toevallig) de jaren van de dotcom-boom, toen IT-talent schaars was en nerds en andere marginalen opeens zeer gezocht waren; het werd de «golden age» van Seattle, Sydney, Austin, Boston, Barcelona en Cool Britannia.

Florida’s conclusie was simpel. De creatieve steden deden het goed, niet omdat daar aan traditionele economische voorwaarden werd voldaan, zoals de beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen of goede transportverbindingen, en ook niet omdat de lokale regeringen er zwaaiden met belastingvoordelen. Nee: die steden deden het goed omdat creatieve mensen er wilden wonen en omdat de bedrijven die mensen volgden. Wat die creatieven zochten, was vooral de mogelijkheid hun identiteit als creatieve mensen te bestendigen, bijvoorbeeld in culturele experiences van hoge kwaliteit. Ofwel: een Guggenheim. Essentieel was daarbij dat de moderne werkers geen sterke bindingen hadden met plaatsen of banen. «Weak ties» waren veel effectiever, zegt Flordia, omdat «strong ties» mensen minder geneigd maakten vernieuwing van buitenaf te accepteren.

Nu zijn in Florida’s visie een boel mensen creatief. Iedereen die wel eens voor zichzelf moet denken, hoort erbij. De echte creatieven verdienen hun geld met «het scheppen van betekenisvolle nieuwe vormen» – wetenschappers, uitvinders, professoren, dichters en schrijvers, acteurs, designers, architecten, opiniemakers, journalisten, redacteuren. Daar achteraan komen de «creatieve professionals», die vooral werken in de kennisindustrie – hightechbedrijven, financiële en juridische diensten, de gezondheidszorg, et cetera. In Florida’s terminologie hoort dertig procent van de Amerikaanse werknemers tot de creative class.

Maar waarom willen die creatieven wél in San Francisco wonen en niet in San Diego? Volgens Florida moet er aan drie factoren tegelijkertijd worden voldaan: een groot reservoir van talent (bijvoorbeeld: een fijne universiteit), een sterke gerichtheid op technologie (veel R&D, veel patenten) en een hoge mate van tolerantie. Alleen in een open samenleving zouden creatieven zich thuis voelen en tot ontplooiing komen. De mate van tolerantie is – onder meer – af te lezen aan de door Florida bedachte Gay Index: een drukke homoscene is een goede indicatie voor een tolerante stad. Die index haalde het wereldnieuws: homo’s waren nu eens niet de schimmel in de badkamer van de beschaving, maar de orchideeën in de vensterbank, de lakmoesproef voor het creatieve potentieel van een stad. Waar zij zich thuis voelen, kan men rustig investeren. De 3T-formule gaf eenvoudig antwoord op de vraag waarom de ene stad wel bloeide en de andere niet. Baltimore: wel technologie, wel talent, maar geen tolerantie. Miami, New Orleans: hippe lifestyle-mekka’s, maar geen technologie.

Wat Florida aantoonde was dat er een zekere correlatie bestaat tussen de aanwezigheid van creatief menselijk kapitaal en economische voorspoed. Wat hij niet aantoonde was of er ook een causaal verband tussen is. Toch is op die aanname de strategie van veel steden gebaseerd.

Nu is de revitalisering van grote steden een urgente kwestie. Grote steden kampen met kolossale problemen: overstromingen (New Orleans), branden (Parijs), aanslagen (Londen), bijna-faillissement (Berlijn), verpaupering, leegstand, racistisch geweld. Overal verlaat de middenklasse de stad en verhuist naar suburbia, waar de grotere bedrijven en de hightech-industrie ook al gevestigd zijn, handig langs de snelweg. Die uittocht leidt weer tot verkeerscongestie en sprawl.

Veel stadsbestuurders gaan die problemen te lijf met een creativiteitsstrategie. De aandacht voor cultuur en toerisme in het grotestedenbeleid is natuurlijk aantrekkelijk – want prettiger dan chemische industrie – en heeft in Europa al een langere traditie. Zo hebben Parijs en Berlijn al veel langer het idee van een «lifestyle economy», gebaseerd op cultuur, omarmd. De burgemeesters van zulke steden zijn zelf ook cool: Ken Livingstone (haalde voor Londen de Olympische Spelen binnen), San Francisco’s Gavin Newsom (stond het homohuwelijk toe), Kwame Kilpatrick (de «hiphopburgemeester» van Detroit), Bertrand Delanoë (Parijs) en Klaus Wowereit (Berlijn; beiden openlijk homo). Inmiddels hebben echt sombere steden als Manchester en Cleveland vergelijkbaar beleid ingezet. Hun bevolking is de laatste halve eeuw met dertig tot veertig procent afgenomen. Ook zij creëren nu programma’s om homo’s, bohémiens en jonge creatieven naar hun stad te lokken.

Dat je jonge creatieven kunt binnenhalen met een druk uitgaansleven en een goede terrascultuur is niet onwaarschijnlijk. Berlijn heeft haar reputatie van bruisende stad bovendien voor een deel te danken aan de spotgoedkope atelierruimte. Maar kunnen die jonge creatieven ook de motor van een bestendige economische ontwikkeling zijn? Daar is enige realiteitszin geboden.

De weak ties spelen de strategie parten. De gangmakers zijn grillig. Florida’s visie is gevormd in de jaren negentig, toen de dotcom-bomen de hemel in groeiden. Toen de boom over was, kampten New York, Boston en San Francisco met leegstand en banenverlies. San Francisco zag sinds 1999 ongeveer tien procent van de banen uit de stad verdwijnen en daarmee vier procent van de bevolking. De banengroei in de hippe steden uit Florida’s erelijst loopt ver achter bij het nationaal gemiddelde in de VS, niet alleen van modale en blue collar-banen, maar ook van banen in de goed betaalde sectoren, IT, technologie en financiële dienstverlening. En dan zijn er de aanzienlijke sociale kosten. De steden die Florida vooral liefheeft – Austin (Texas) en San Francisco – hebben de grootste inkomenskloof van de VS en kampen met grote populaties daklozen. Vancouver heeft de hoogste onroerendgoedprijzen van Canada én de hoogste percentages drugsverslaving en armoede. De middenklassers verhuizen en masse naar de voorsteden, wat leidt tot toenemende verstopping – want Vancouver heeft wel flink geïnvesteerd in het binnenhalen van de Olympische Winterspelen, maar nooit echt in infrastructuur of _light rail-_verbindingen.

In de hele creativiteitsrage wordt te weinig ingezien dat een krachtige middenklasse nog altijd essentieel is voor een evenwichtig stedelijk leven. De leden van de «creative class» die er economisch gezien werkelijk toe doen, zijn niet de jonge kunstenaars, de latte-drinkers, de loftbewoners, maar de volwassen veertigers, de tweeverdieners met kinderen. Die hebben de neiging te kiezen voor veiligere, economisch stabielere steden. De snelstgroeiende steden in de VS zijn «saaie» provinciale gaten als Denver, Phoenix, Boise en Orlando. Hun inwoners verwachten investeringen in scholen, infrastructuur, vervoer, veiligheid, en die krijgen ze ook.

De coole steden die de fundamentele grotestadsproblemen over het hoofd zien – infrastructuur, de behoeften van de middenklasse, veiligheid – ten faveure van investeringen in broedplaatsen, festivals en operagebouwen, lopen het risico alleen kortetermijnresultaten te boeken. De creatieve strategie kost weinig, is fun, vraagt weinig offers en past naadloos in een tijd waarin iedereen creatief is, van de Idols-kandidaten tot de bondscoach. Het is de weg van de minste weerstand, maar misschien ook wel van de minste winst. 

Met dank aan Bas Jacobs.

Richard Florida, The Rise of the Creative Class: And How It’s Transforming Leisure, Community and Everyday Life, Perseus Books, 416 blz. Bij het schrijven van dit artikel is ook gebruik gemaakt van Joel

Kotkin, «Uncool Cities», Prospect Magazine, oktober 2005