Twee vuistbijlen rusten in mijn handen, links een grovere grijze, rechts een kleinere bruine. De vuursteen waar ze beide uit geslagen zijn, warmt langzaam op in mijn greep, en terwijl een drietal archeologen aan tafel aanwijzingen geeft over de details in hun voorkomen winnen ze aan betekenis. De kleine vuistbijl is bruin van het ingetrokken ijzer, met kleine putjes in de oppervlakte van de steen en een hevige glans, alsof hij zojuist uit een pot lak is gevist. Enkele jaren geleden kwam het artefact boven de grond, daarvoor lag het minstens vijftigduizend jaar onder de grond en dáárvoor in de hand van een Neanderthaler, die er op de Drentse toendra mee zat te snijden, hakken of schaven, er misschien wel een mammoet mee slachtte.

De grijze vuistbijl, in 1967 gevonden bij het Drentse Hijken, is doffer en enigszins bot – volgens de archeologen kun je er nog geen sinaasappel mee schillen. De steen zelf is weliswaar miljoenen jaren oud, maar als werktuig lag het stuk nooit in de grond. Wél in de hand van een vervalser die met zijn ‘vondsten’ de oudste concentraties prehistorische stukken in Nederland te pakken had. Het land stond even op z’n kop. Welke vuistbijl weegt zwaarder?

De interesse van Tjerk Vermaning (1929-1987) in de Nederlandse oude steentijd, het Paleolithicum, begon bij het zien van ‘de vuistbijl van Wijnjeterp’, in 1939 gevonden door een amateurarcheoloog uit Lippenhuizen. Vermaning, woonachtig op een boot, grasmaaimachineslijper van beroep en actief als amateurarcheoloog, zette zijn zinnen op het vinden van net zoiets, maar dan beter, iets wat niemand nog had kunnen vinden. Op een dag in januari 1965 had hij beet op een akker in Hoogersmilde, op een steenworp afstand van de Televisietoren Smilde. Hij trof daar het eerste mammoetjagerskampement van Nederland aan en de pers snelde toe.

‘Wat ging er nu door u heen op het moment dat u die geweldige vondst deed?’ vroeg de presentator van Van gewest tot gewest hem op het land van boer Vos, die de gebeurtenis overigens ook geen windeieren legde. ‘Ja meneer, die vondst die ik hier deed, dat is niet te omschrijven.’ Zijn hart had bijna stilgestaan, zei hij.

Met een glimlach die nooit meer van zijn lippen verdwijnen zou, verscheen Vermaning nu geregeld in de kranten en op televisie. Als een geboren verteller deed hij zijn opzienbarende verhaal. Met een blik recht in de camera: ‘Ik zóu en ik móest aantonen dat die mensen hier waren geweest’, doelend op Neanderthalers in Drenthe. ‘En ik mocht mij dan ook terecht op de borst slaan om te zeggen dat ik de vinder was, de ontdekker, van de alleroudste bewoningsplaatsen van Nederland. Ondanks de armoe die hiermee gepaard ging, ik maar grasmachinemonteur ben en mijn brood bij de weg moet verdienen, had ik toch onze vaderlandse geschiedenis meer dan veertigduizend jaar teruggebracht.’

Het verhaal van de gewone man die zoiets belangwekkends had volbracht, de gelukkige vinder die bovendien maar blééf vinden, raakte bij het publiek een snaar. De pers kreeg geen genoeg van de charmante Vermaning, die journalisten mee het veld in nam en voor het oog van de camera een prehistorisch artefact opraapte. Jongeren met belangstelling voor archeologie en zelf gevonden stenen kwamen bij hem op audiëntie: voor het eerst had Nederland een bekende archeoloog en dat was iemand bij wie je gewoon kon aankloppen.

Tjerk Vermaning op de akker waar hij zijn vondsten deed, 13 mei 1975 © Rob Bogaerts / Anefo / Nationaal Archief

Dat deed ook archeoloog Frans de Vries, die op weg naar school vlak langs zijn boot fietste. Ik ontmoet hem samen met de archeologen Marcel Niekus en Lammert Postma in het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis, Groningen, de plek waar miljoenen vondsten uit Groningen, Friesland en Drenthe bewaard worden. Een deur naar de loods biedt een glimp van een vitrinekast met skelet, maar wij nemen plaats aan een lange tafel met een krat stenen van Vermaning, verpakt in plastic zakjes.

Het was eind jaren zeventig toen De Vries bij Vermaning en zijn vrouw Grada thuis kwam, vertelt hij. Het geluk had zich toen al tegen Vermaning gekeerd: kon hij de stenen van Hoogersmilde eerst nog voor tienduizend gulden verkopen aan de provincie Drenthe, en kreeg hij de Culturele Prijs van de provincie uitgereikt plus een jaarlijkse toelage om verder te zoeken, na de beschuldiging van oplichting door diezelfde provincie werd hij in maart 1975 gearresteerd, in juni 1977 veroordeeld tot één maand voorwaardelijk en een jaar later in hoger beroep weer vrijgesproken.

Het begon met de verdenking van de jonge geoloog en archeoloog Dick Stapert van het Biologisch-Archeologisch Instituut in Groningen waarna de wetenschap, die de amateur eerst nog op het schild had geheven, zich tegen hem keerde. De rechtszaak was een mediaspektakel, met onder de aanwezigen onder meer enkele stenen zelf, bewaakt door twee bodes. Toen het Hof Vermaning wegens gebrek aan bewijs vrijsprak, deed het echter geen uitspraak over echtheid van zijn stenen. Voer voor decennia van speculatie.

Vermaning raakte verbitterd, maar de commotie deed weinig af aan zijn populariteit. Sterker nog: enkele journalisten bleven in hem geloven en een groep amateurarcheologen verenigde zich onder de noemer Aktieve Praktijk Archeologie Nederland (apan) achter hem. Ook de jonge Frans de Vries was overtuigd van zijn onschuld, net als Marcel Niekus en Lammert Postma overigens. Als ‘naïeve jongeling’ natuurlijk, vertelt De Vries nu, zonder te beschikken over de benodigde kennis om de stukken te kunnen beoordelen. ‘Ik kon me gewoon niet voorstellen dat zo’n aardige man de boel zou hebben geflest.’ Postma, tot zijn pensionering universitair docent bij de afdeling onderwijskunde van de rug en actief als amateurarcheoloog, voegt toe: ‘Er was geen enkel inhoudelijk argument om in de stenen te geloven, er was alleen de man. Vermaning was een underdog die werd genegeerd door de wetenschap. De emoties gingen voor.’

De Vries zei Vermaning dat hij archeologie ging studeren en de echtheid van zijn stenen weleens zou bewijzen. Uiteindelijk deed hij het tegenovergestelde. De afgelopen 25 jaar werkte hij, in wisselend gezelschap maar met zes vaste collega’s, aan onderzoek naar de stenen van Vermaning. Met de publicatie van Valsheid in gesteente (uitgeverij Van Gorcum) dit jaar komt een voorlopig eind aan de langst lopende vervalsingsaffaire uit de Nederlandse archeologie. Tegelijk doet het onderzoek weer stof opwaaien en brengt, bijna een halve eeuw na de rechtszaak, een nieuwe dader.

Vervalste vuistbijl Tjerk Vermaning © Frans de Vries

‘De stenen hadden voor Tjerk geen geheim’ , vertelde Vermanings tweede vrouw Betsie, jaren na zijn dood, voor een televisiecamera, opnieuw op die akker in Drenthe. Volgens haar was hij iemand geweest met een ‘natuurlijke gave’ voor stenen. ‘Bij een steen voelde hij feilloos aan of die echt was of niet, hoor.’

Vermanings echtgenote: ‘Bij een steen voelde Tjerk feilloos aan of die echt was of niet, hoor’

Terwijl Vermaning zichzelf als de ‘Messias’ op het gebied van oudheidkunde was gaan zien, holde het geloof in hem en zijn stenen verder achteruit. De apan bleef hem trouw, net als een handjevol media, waaronder De Groene Amsterdammer.

Het is inmiddels het jaar 2000 als een journalist in een artikel met als kop Wie een kuil graaft stelt: ‘Een kwart eeuw na dato ontbreekt nog steeds een unanieme bevestiging van de vakwereld dat het om falsificaties gaat.’ Het artikel is een exposé van het gekissebis tussen gevestigde wetenschappers waar een man de dupe van wordt, een man die sterft zonder zijn levenswerk bewezen te zien, die zijn as laat uitstrooien over de akker van boer Vos.

Er is dan al geen serieuze wetenschapper meer die twijfelt aan de valsheid van de stenen, vertelt De Vries, ‘maar de argumentatie die er lag, was in mijn ogen niet sterk genoeg en inmiddels waren de technische mogelijkheden beschikbaar om die te verbeteren’. Om Vermanings vondsten definitief te kunnen beoordelen, was een nieuwe vondst nodig, en die kwam toen Niekus en zijn team in 2007 alsnóg een mammoetjagerskampement in Drenthe ontdekten, bij Peest. Daarna konden twee onderzoeken in elkaar geschoven worden. Postma: ‘Als je de stenen van Vermaning vergelijkt met authentieke artefacten die vijftigduizend jaar of langer in de bodem hebben gelegen, zoals die van Peest, dan zie je dat natuurlijke verweringsverschijnselen ontbreken. Terwijl de sporen op de stenen van Vermaning weer niet op de echte artefacten voorkomen.’

Windlak, polijstsporen, patinadoorbraak: de verbluffend scherpe fotografie in Valsheid in gesteente, van de hand van De Vries die zich tot fotograaf en vormgever ontwikkelde, neemt de lezer mee tot in de haren van de tijd. De microscoop, waar archeologen doorgaans niet mee werken, verschaft nieuwe inzichten en strak gedirigeerd door een wetenschappelijk toetsingskader maken de onderzoekers eens en voor altijd inzichtelijk waaróm die stenen van Vermaning vals zijn. Waarbij aangetekend moet worden dat de apan niet overtuigd is, leden zich op de website in niet mis te verstane taal uitlaten tegen de wetenschap.

Taaie kost zijn de kleine vierhonderd bladzijden gedetailleerde wetenschap op groot formaat overigens allerminst, de affaire-Vermaning gaat in Valsheid in gesteente vergezeld van smakelijke context, van de ‘haaientand van Swifterbant’ tot de ontmaskering van Japans grootste archeoloog, bijgenaamd ‘Gods hand’. In de richting van het eind van het boek neemt het onderzoek een onverwachte wending. Niekus geeft toe dat hij daar in het begin moeite mee had, zich afvroeg of ze het niet bij de stenen moesten houden. De Vries vertelt: ‘Het aanvankelijke idee was om alleen een boek te schrijven over de vondsten van Vermaning. We waren niet van plan om iets te zeggen over het aspect van whodunit.’

Maar toen ontdekten ze andere vervalste steentijdcollecties, die overeenkomsten met die van Vermaning vertoonden. De omvang van de zaak bleek groter dan gedacht, met minimaal één persoon extra die erbij was betrokken. In Museum Opsterlân, waar de vuistbijl van Wijnjeterp bewaard wordt, het werktuig waar Vermanings liefde allemaal mee begon, stuitten ze op ‘een empirische connectie waar we niet aan voorbij konden’, aldus Postma. De stenen waren aan het museum gedoneerd door Ad Wouters, een prominente amateurarcheoloog van de Nederlandse steentijdarcheologie die tienduizenden stukken gedoneerd en verkocht had, onder meer een grote collectie aan het Museon in Den Haag. De onderzoekers deden een steekproef onder dertig stenen in dat museum en concludeerden dat in ieder geval een kwart daarvan vals moest zijn. Wouters was Vermanings vurigste verdediger geweest.

Echte vuistbijl uit Peest, Drenthe © Frans de Vries

De Brabantse Ad Wouters (1917-2001), voormalig kloosterbroeder en onderwijzer, trad tijdens de rechtszaak tegen Vermaning op als buitengewoon gedreven getuige à décharge. Hij ging zo ver in zijn verdediging dat hij eigenhandig vuistbijlen namaakte en met proeven in een vrieskist aantoonde dat de sporen op Vermanings stenen een natuurlijke oorzaak hadden. Ze moesten wel echt zijn, wilde hij met zijn vervalsingen maar zeggen. Achteraf gezien lijkt dat optreden een onwaarschijnlijk staaltje dubbele bluf.

Wouters hield vol. In 1999 verscheen van zijn hand de publicatie J’Accuse over de zaak en in de televisiedocumentaire De affaire Tjerk Vermaning, van rond diezelfde tijd, blikte hij terug op de geschiedenis. Hij vertelde hoe hij, toen hij hoorde van Vermanings arrestatie, moest ‘kotsen’, zo erg vond hij het. Hij noemde Vermaning ‘een eerlijke, zuiver denkende man, wars van alle leugens’, en het kan niet anders, of de man moet er zelf in geloofd hebben.

Ook Wouters is al jaren niet meer van onbesproken gedrag, maar Valsheid in gesteente legt voor het eerst een nauw verband tussen beide amateurarcheologen. Het wetenschappelijk toetsingskader voor de stenen verschuift in het boek via het opstellen van ‘vervalsingstaken’ naar een ‘daderprofiel’. In verschillende scenario’s wordt de veronderstelde handlanger van Vermaning eerst nog aangewezen als persoon X, maar later is het Wouters die ‘de beginner Vermaning onder zijn vervalsingsvleugels’ nam.

Het bewijs zien zij opnieuw geleverd in de stenen. ‘Kunnen we Tjerk Vermaning de regisseur noemen achter de vervalsingsaffaire die zijn naam draagt? Nee, niet echt.’ Het lijkt erop, vervolgen de auteurs, dat ‘ervaren meestervervalser’ Wouters hem op het idee bracht. Wouters was volgens hen de mastermind achter de schermen, wat de affaire-Vermaning tot iets nog groters maakt dan die al was: onderdeel van de grootste archeologische fraude in Nederland ooit.

Proces ‘Tjerk Vermaning’ is begonnen, de archeologische vondsten in de rechtszaal bewaakt door bodes. Assen, 3 februari 1977 © Bert Verhoeff / Anefo / Nationaal Archief

In het Museon -Omniversum, zoals het museum in Den Haag vandaag heet, in een zaal met levensgrote beelden van de mens in ontwikkeling, van chimpansee tot Neanderthaler, ligt een greep uit de prehistorische collectie gereedschap uitgestald: vuurstenen bijlen en pijlen in een niervormige vitrine als in een cassette met tafelzilver. In 1994 werd bericht over twintig- tot dertigduizend artefacten die het Museon van Wouters zou hebben aangekocht, voor een bedrag van vijftigduizend gulden. Hub Kockelkorn, hoofd collecties, komt bij het tellen in zijn systeem vandaag gek genoeg niet verder dan 2872 stenen, maar hoe dan ook beheert het museum sinds die aankoop een van de grootste collecties prehistorische artefacten in het land.

De affaire-Vermaning gaat in Valsheid in gesteente vergezeld van smakelijke context

Als topstukken in de collectie gelden onder meer twee zogenaamde Lyngby-bijlen, werktuigen vervaardigd uit rendiergewei die bijzonder mooi zijn versierd, het ene met een meandermotief en het andere met een vogelkopje, omschreven als een sneeuwhoen. Het zijn unieke stukken in Europa, boven de grond gekomen bij Roermond en Zwolle.

Kockelkorn was in 1994 al werkzaam in het museum maar niet bij de aankoop betrokken. Het onderzoek van De Vries en collega’s heeft hij op de voet gevolgd, maar wat hun bevinding precies betekent, vindt hij moeilijk te zeggen: ‘Als je weet dat 25 procent van de collectie vals is, dan is 75 procent nog steeds echt, alleen heb je geen idee welk deel.’ Met de pensionering van collega’s verdween kennis van de collectie en het museum zelf veranderde van aard.

Of het Museon-Omniversum er veel aan gelegen is om alsnog duidelijkheid over de stenen van Wouters te krijgen? ‘Als beheerder van de collectie zou ik het wel degelijk interessant vinden als de belangrijke stukken onderzocht worden. Als instelling maakt het ons niet veel uit: we zijn inhoudelijk een andere koers gaan varen. Bij ons zal nooit meer zomaar een tentoonstelling over de prehistorie te zien zijn, de historische collectie is nu vooral ondersteunend voor een actueel verhaal.’

Na de verschijning van Valsheid in gesteente richtte hij een vitrine in met dat actuele verhaal, compleet met valse en echte stenen uit de collectie. Het museum zal geen verder onderzoek initiëren, maar biedt er alle gelegenheid toe. Wie wil, kan aan de slag.

De mythe van Tjerk Vermaning is nog altijd niet uitgewerkt. Recent verschenen een roman, een tentoonstelling en een toneelstuk. Maar de Nederlandse steentijdgeschiedenis, zo stellen de onderzoekers, is vervuild en aan het eind van Valsheid in gesteente pleiten zij voor een grote schoonmaak. Hoe ingewikkeld dat is, vertelt Niekus: ‘Er lopen bij Wouters allerlei soorten falsificaties door elkaar. Je hebt recent gemaakt spul, maar ook authentieke artefacten die zijn bijgewerkt. Dan zijn er de vindplaatsvervalsingen, waarbij de vondsten wel authentiek zijn, maar niet afkomstig van de plek waar ze aan worden toegeschreven.’

De Vries zegt: ‘Wouters vulde de collectie van archeologen aan door te zeggen: “Kijk, dit heb ik jaren eerder gevonden op jouw vindplaats.” Dat werkt twee kanten op: je geeft een cadeau, en dat schept loyaliteit.’ Ook twintig jaar na zijn dood wilden verschillende mensen niet met hen over Wouters praten. Uiteindelijk is de omvang niet alleen onoverzichtelijk, maar met het blote oog ook nog eens bijna onzichtbaar. ‘Wouters was per slot van rekening leraar handvaardigheid, hij kon wel wat.’

Om het geheel nog verwarrender te maken: zowel Vermaning als Wouters heeft wel degelijk echt belangrijke vondsten gedaan. In de tijd van zijn oplichterij was Vermaning zelfs in het bezit van de collectie van meest goede Neanderthaler-artefacten. De Vries: ‘Er is blijkbaar een moment geweest dat de werkelijkheid een handje geholpen moest worden.’

Ook Leo Verhart, oud-conservator van het Rijksmuseum voor Oudheden, zocht Vermaning als tiener met zelf gevonden stenen op in zijn boot. De eerste keer was de amateurarcheoloog niet thuis, weg voor autorijles: om de actieradius van zijn vondsten te vergroten, wilde hij een auto. Bij een volgend bezoek bleek Vermaning met lessen gestopt. Verhart vertelt: ‘Tjerk zei: “Ach, die instructeur kon er niks van.” Dat is voor mij Vermaning ten voeten uit, zo stond hij in het leven, zo stond hij in de archeologie.’

Verhart schreef een boek over vervalsingen in de Nederlandse archeologie, List & bedrog (1995), want voorbeelden zijn er te over, van valse munten tot aardewerk. In de jaren dertig werden toeristen op de Veluwe opgelicht met een jacht op oudheden waarbij de oplichter hele potten uit konijnenholen trok. Maar de affaire-Vermaning is veruit de grootste, die de gemoederen het langst bezighield. Als het over hem gaat, ziet Verhart een parallel met discussies in de huidige samenleving waarbij iemand commentaar levert op de wetenschap, die dan opeens niet transparant zou zijn. ‘Bij Vermaning ging het steeds om een glansje dit, een krasje zus, een voorbeeldje daar, en iedere keer moest daar vanuit de beroepsarcheologie op gereageerd worden.’ Hij noemt het spijkers op laag water zoeken maar ‘die valse vuistbijlen worden echt niet meer echt’.

Als grote verdienste van Valsheid in gesteente ziet hij dat aan die decennia van speculatie nu een einde komt. Maar hij heeft ook commentaar, dat hij optekende in het vakblad Archeologie in Nederland. Van Wouters als Vermanings mastermind hebben de onderzoekers hem niet kunnen overtuigen. Hij noemt Wouters ‘een oplichter’, dat had hij al door toen hij in het museum in Leiden met hem te maken had: ‘Dan haalde ik een doos artefacten tevoorschijn en nog voordat ik die uit de zakjes haalde, zei Wouters al: “Ik voel dat dit echt is.”’

Maar het was volgens hem een oplichter met een bepaalde manier van opereren, waarbij vervalste vindplaatsen en vondsten meestal met authentiek materiaal zijn gedaan. Wouters was daarbij iemand die graag op de voorgrond trad en daarom kan Verhart zich niet voorstellen dat hij in stilte achter Vermaning aan zou hebben gelopen. ‘Laat me helder zijn: ik pleit de man helemaal niet vrij. Hij is werkelijk een vreselijk probleem voor de Nederlandse archeologie. Er zijn zoveel voorbeelden van vindplaatsvervalsingen en veel onderzoek is daardoor onbetrouwbaar. Maar als ik alles in ogenschouw neem, komt er in de kwestie-Vermaning maar één persoon in aanmerking voor de rol van dader, en dat is Vermaning zelf.’

Het natuurwetenschappelijke bewijs van de onderzoekers zegt Verhart zelf niet geheel te kunnen overzien, maar het feit dat stenen van Wouters op dezelfde wijze vervalst zouden zijn, wil volgens hem niet zeggen dat het dezelfde persoon is. En: ‘Sommige dingen zijn gewoon niet meer te achterhalen. Ik ben een groot Vermeer-liefhebber en van hem willen we ook alles weten wat er eigenlijk niet is. Op een bepaald moment houdt het op, en dat moeten we accepteren.’ Verhart ziet nog wel een andere kant aan de affaire-Vermaning: ‘Zo’n vervalsingszaak heeft tot een enorme ontwikkeling van kennis geleid. We hebben nu mooie onderzoeken en staan met de steentijd internationaal op de kaart. Als we Vermaning niet gehad hadden, was dat waarschijnlijk anders geweest.’

Tjerk Vermaning op de akker waar hij zijn vondsten deed, 13 mei 1975 © Rob Bogaerts / Anefo / Nationaal Archief

De drie archeologen zijn ervan overtuigd dat de invloed van Wouters nog altijd onderschat wordt, ook door gevestigde archeologen als Verhart, en dat de omvang van de vervalsing nog groter is dan zij nu hebben vastgesteld. Het grote beeld van de Nederlandse steentijd zal door nader onderzoek niet wezenlijk veranderen – hoewel Postma erop wijst dat dat een aanname is – maar de archeologen achten een schoonmaak wel degelijk belangrijk. Niekus zegt: ‘Neem de Ahrensburg-cultuur, daar hebben we in Nederland zo’n vijftig vindplaatsen van, maar een kwart daarvan komt uit de koker van Wouters; 25 procent kun je dus afschrijven, zo ver gaat het.’

De Vries noemt nog de ‘Danser van Wanssum’ en de ‘Danseres van Geldrop’, twee stenen met een versiering van mensfiguren met, anders dan op voorbeelden in het buitenland, een kuis lendendoekje om. Ze zijn niet onomstreden maar gelden vooralsnog als echt, terwijl Wouters ermee te maken had. De Vries zegt: ‘Die kun je hoogstwaarschijnlijk wegstrepen. Dan blijven er misschien nog wat dingen over met ingegraveerde lijnen erop…’ Niekus: ‘Van sommige daarvan, bijvoorbeeld de Lyngby-bijlen, is de echtheid ook nog maar de vraag.’ De Vries: ‘Dan blijkt dus eigenlijk dat er in Nederland geen paleolithische kunst is gemaakt. Dat zegt iets over de geschiedenis, maar nu zitten we nog steeds met die danser en danseres opgescheept, met hun lendendoekjes.’

In Nuis gaan de stenen van Vermaning terug in het krat. Zijn deze in een archeologisch depot nog wel op hun plek? Voor de archeologen wel, als historische curiositeit. Depotbeheerder Dion Stoop is het daarmee eens. En als iemand over tien jaar opnieuw de stenen op hun echtheid wil bestuderen, haalt hij ze gewoon weer tevoorschijn. 