De gelykstaat

HET ENIGE WAT JE van de geschiedenis kunt leren, is dat je absoluut niet moet proberen er iets van te leren. De geschiedenis van de joden in Nederland zit vol verrassende en interessante feiten, maar wat zou je er voor conclusies uit kunnen trekken? Dat hoe succesvol een minderheid tijdelijk ook is en hoe tolerant de meerderheid zich tegenover hen ook opstelt, het uiteindelijk allemaal niets betekent als het er echt op aan komt.

Een aardige tentoonstelling in het Joods Historisch Museum in Amsterdam (nog tot en met 24 november iedere dag van 11.00 tot 17.00 uur te zien) laat iets zien van het emancipatieproces van de joden in Nederland sinds de burgerlijke gelijkstelling in 1796, dit jaar precies 200 jaar geleden. Het museum verkondigt braaf dat het voor de multiculturele samenleving van vandaag van belang is kennis te nemen van dit soort emancipatieprocessen uit het verleden. Maar de tentoonstelling laat vooral zien hoe de gedragingen van minderheid en meerderheid in de maatschappij geregeerd worden door opportunisme, machtsspelletjes en eigenbelang.
De joden hadden het hier niet zo slecht, want ze hadden het geluk te leven in een land dat tot in de jaren vijftig van onze eeuw scherp verdeeld was tussen protestanten en katholieken. Lange tijd hadden die beide bevolkingsgroepen nog liever met joden van doen dan met christenen uit het vijandige kamp. Het specifiek Nederlandse zuilenstelsel kon zo'n kleine groep als de joden weliswaar geen volwaardige zuil bieden, met eigen scholen, vakbonden en beroepsorganisaties, maar toch wel een positie als getolereerde en zelfs geaccepteerde minderheid naast de andere minderheden die in Nederland nu eenmaal met elkaar moesten zien te leven.
Maar het zuilenstelsel is nu verleden tijd, protestanten en katholieken bestrijden elkaar niet meer, nieuwe culturele minderheden kunnen daar niet meer van profiteren. Hoogstens is er een vaag gevoel blijven bestaan dat tolerantie een deugd is en discriminatie verkeerd, een en ander nog gevoed door schuldgevoel vanwege het feit dat Nederland niet heeft kunnen verhinderen dat juist vanuit hier tijdens de Tweede Wereldoorlog het hoogste percentage joden is gedeporteerd en vergast. Dat feit drukt steeds zwaar op welke lezing van de geschiedenis van de joden in Nederland dan ook. Toch valt er veel voor te zeggen dat het in feite losstaat van het moeizame streven naar emancipatie en gelijkberechtiging en dat Nederland zonder die Duitse bezetting en de moord op de Nederlandse joden nog altijd geen problemen zou hebben met een groot joods bevolkingsdeel. Al kunnen we dat natuurlijk onmogelijk zeker weten.
JODEN ZIJN PAS LAAT naar Nederland gekomen. In de middeleeuwen ging het slechts om enkele individuen en daarop werd met evenveel jodenhaat gereageerd als in de rest van Europa.
Aan het einde van de zestiende en in de eerste helft van de zeventiende eeuw vestigden zich in Amsterdam veel Portugese kooplieden, die aanvankelijk niet als joden te boek stonden, maar als nieuw-christenen (al dan niet gedwongen tot het katholicisme bekeerde joden). Uiteindelijk bleek dat de protestantse Republiek hen ook - of zelfs liever - als joden accepteerde. In de loop van de zeventiende eeuw herbekeerden zij zich derhalve tot het jodendom of durfden zij voor hun ware godsdienst uit te komen - nog altijd weten we niet precies hoe zij dat zelf hebben gezien.
Het ging om een welgestelde groep joden, goed in staat de eigen zaakjes te regelen. Zij slaagden erin een eigen bestaan op te bouwen, zij het dat ze wel aan enige restricties waren gebonden. De joden waren niet vrij om zich overal in de Republiek te vestigen en konden een groot aantal beroepen niet uitoefenen, omdat ze geen lid konden worden van de gilden. Maar in het geheel genomen hadden zij het hier niet slecht.
Het opvallende is dat dit niet eens volledig veranderde toen in de loop van de zeventiende eeuw andere groepen joden in Nederland neerstreken: arme Oosteuropese - zogenaamde asjkenazische - joden. Misschien was de groei van de economie zodanig dat die nieuwe groepen geruisloos konden worden opgenomen. In elk geval ontdekten de leiders van de joodse gemeenschappen al gauw dat ze konden worden getolereerd zolang ze er zelf zorg voor droegen dat de armlastigen werden geholpen. Vandaar dat armenzorg en religie van oudsher sterk met elkaar verweven raakten en de armste joden traditioneel niet tot de meest progressieven hoorden. Zij hadden in eerste instantie bij hervormingen alleen maar te verliezen.
In hun boek Immigranten in Nederland 1550-1993: Nieuwkomers, Nakomelingen, Nederlanders wijzen Jan Lucassen en Rinus Penninx op een dramatisch verschil tussen joden en zigeuners. Ook zigeuners waren oorspronkelijk welkom in de Nederlanden, in de vijftiende eeuw kregen zij steeds weer geleidebrieven waarin werd verklaard dat ze zich behoorlijk en als goede christenen gedroegen.
Omstreeks 1500 vindt er echter een omslag plaats, volgens deze auteurs omdat de hogere overheid de lagere overheden en vervolgens de bevolking dwingt om te discrimineren. De overheid ging steeds meer jacht maken op wat ze aanduidde als zigeunerbenden. De zigeuners of wie daarvoor werden aangezien, raakten steeds meer gemarginaliseerd en in het begin van de achttiende eeuw eindigde dit met vogelvrijverklaringen en standrechtelijke executies. Vervolgens verdwenen de zigeuners anderhalve eeuw lang uit Nederland of doken in de anonimiteit onder. Het meest opvallende is dat de jacht op de zigeuners in de tweede helft van de negentiende eeuw weer werd opgenomen alsof er niets gebeurd was. En voortduurde tot na de Tweede Wereldoorlog, toen er vanuit Nederland 245 zigeuners naar Auschwitz werden gestuurd, die daar op dertig na allemaal werden vergast.
De geschiedenis van de joden in Nederland verliep - afgezien van Auschwitz - anders. In de loop van de achttiende eeuw kwam er onder invloed van de Verlichting steeds meer debat, ook onder verlichte joden, over de uitzonderingspositie van deze bevolkingsgroep. Isaac de Pinto ging in 1763 zelfs in discussie met de Verlichtingsfilosoof Voltaire, die hij van vooroordelen betichtte. Voltaire bekende daarop in een brief zijn ongelijk; hij gaf toe dat er onder de joden ook zeer respectabele en onderlegde personen waren, daarvan was De Pinto immers het sprekende bewijs.
HOEWEL HET overgrote deel van de joden prinsgezind was - het statige huis van de joodse bankier Benjamin Cohen in Amersfoort werd zelfs de uitvalsbasis van de Oranjepartij en diende in 1787 als toevluchtsoord voor de uit Den Haag gevluchte stadhouder Willem V - was er toch ook een kleine groep joodse nieuwlichters die sympathiseerde met de Patriotten en de idealen van de Franse Revolutie. Direct nadat de Franse legers in 1795 de Republiek waren binnengevallen en de Bataafse republiek was gesticht, verenigden zij zich in de patriottenclub Felix Libertate en bestookten ze de op 1 maart 1796 ingestelde Nationale Vergadering met rekesten om de joden tot volwaardige burgers te verklaren. Dat viel niet zo goed bij de Patriotten, die de joden immers als tegenstanders hadden leren kennen. Maar zij konden, op basis van de Rechten van de Mens en de Burger, toch moeilijk anders besluiten, anders zou dat hebben betekend dat de joden niet als mensen werden beschouwd.
Zo werd op 2 september 1796 uiteindelijk gedecreteerd, dat ‘geen Jood zal worden uitgestooten van eenige rechten of voordelen, die aan het Bataafsch Burgerricht verknocht zij, en die hun begeeren mocht te genieten, mits hij bezitte alle die vereischten, en voldoe aan alle die voorwaarden, welken bij de algemene Constitutie van iederen activen burger in Nederland, gevorderd zullen worden’.
Niet alleen de patriottische afgevaardigden, ook de leiders van de joodse gemeenschappen - de parnassiem - hadden hier grote moeite mee, omdat ze zagen aankomen dat hiermee uiteindelijk ook hun macht over de joodse gemeenschap kon worden gebroken. Maar onder koning Lodewijk Napoleon gingen de hervormingen door die van de 'joodse natie’ een kerkgenootschap zoals alle andere maakten. Evenmin als de meeste andere napoleontische hervormingen werden deze met de komst van koning Willem I teruggedraaid. De jurist Jonas Daniël Meijer werd de raadgever voor joodse zaken van koning Willem I, zoals hij dat ook al voor koning Lodewijk Napoleon was geweest.
Het gerommel in de joodse gemeenschap ging nog decennia door, tot de nieuwlichters ook daar aan de macht kwamen en vervolgens conservatieven werden, want in Nederland hoefden joden zich niet te bekeren tot het christendom om geaccepteerd te worden en hoefde ook de religie zich niet te hervormen. In dit land van vreemde en archaïsche kerkgenootschappen konden ook de joden hun overleefde tradities blijven koesteren. Ze hoefden zich niet aan te passen, of liever: ze pasten zich aan aan een verdeeld land van minderheden en groepsculturen door zichzelf te blijven.
ER VALT TOCH IETS te leren uit dit enigszins triviale verhaal. Ook toen al kwamen veranderingen tot stand door vreemde combinaties van idealisme en opportunisme, kleine belangen en grote ideeën, toevalligheden en de juiste trendgevoeligheid op het goede moment.
Het Joods Historisch Museum heeft zijn tentoonstelling over de Gelykstaat der joden stilletjes vergezeld laten gaan van een expositie over de ontwikkeling in dezelfde periode van het joods bedrijfsleven in Nederland.
Formele gelijkstelling en economische bloei, het heeft tijdens de oorlog allemaal niet mogen baten. De joden, die hier vier eeuwen gastvrij waren ontvangen, werden afgeslacht, net als de zigeuners die precies zolang waren opgejaagd en uitgezet. Of misschien waren de zigeuners, omdat ze terecht wat meer wantrouwen koesterden en niet zo precies waren geregistreerd, uiteindelijk nog in een betere positie om zich te kunnen redden.
De tentoonstelling De Gelykstaat der Joden: Inburgering van een minderheid, 1796-1919 in het Joods Historisch Museum duurt nog tot en met 24 november 1996. De gelijknamige bundel (Uitgeverij Waanders) bevat bijdragen van onder meer Judith Belinfante, Salvador Bloemgarten, Joost Divendal, Florike Egmond en Boudien de Vries.