De gematigdheid aan de macht

‘HET MARXISME heeft het geloof in de aanvaardbaarheid van terreur gewekt. Het heeft als ideologie de democratie herhaaldelijk in doodsnood gebracht en in enkele landen doen ondergaan. Marxistische politiek, dat is politiek die met geweld tegenstanders ecarteert, niet verlevendigt, maar doodt; marxistisch politiek denken is denken zonder tegenmelodie.’

Dat zijn geen woorden van Frits Bolkestein (die van Marx trouwens alleen maar het Communistisch manifest heeft gelezen), maar van Joop den Uyl, gesproken op een conferentie van de Nederlandse Sociologenvereniging in 1964.
Toch sidderde Nederland op zijn grondvesten toen Den Uyl vijfentwintig jaar geleden aantrad in het Catshuis, met in zijn kielzog het meest progressieve kabinet dat het Koninkrijk ooit heeft gekend. Het was alsof de natie alsnog was uitgeroepen tot radenrepubliek, alsof P.J. Troelstra’s schromelijk mislukte coup van november 1918 toch nog werd uitgevoerd. Ondernemend Nederland schreeuwde moord en brand. De vaderlandse legertop liet straaljagers boven het Binnenhof met hels geweld door de geluidsbarrière breken om de ministers en parlementsleden tijdens de behandeling van de defensiebegroting te herinneren aan de smalle marges van het politieke bedrijf. Den Uyl hoefde zich niet à la zijn onfortuinlijke Chileense collega Salvador Allende met een gietijzeren pan op het hoofd en een luchtbuks in de hand tegen militaire belagers te verweren, maar voor Nederlandse begrippen ging de oppositie tegen het kabinet-Den Uyl wel ver, heel ver.
IN DE HYBRIDE onderbuik van de Nederlandse staat gonsde het van schimmige noodscenario’s, uit te voeren wanneer Den Uyl nog één stap verder zette in zijn programma van een ‘betere verdeling van macht, kennis en inkomen’. Net voordat hij definitief verdween in de psychedelische nevelen van de dementie wist Joseph Luns zich tegenover zijn biograaf J.G. Kikkert te herinneren hoe een gezelschap hogere militairen hem medio jaren zeventig in het Navo-hoofdkwartier in Brussel had opgezocht om de secretaris-generaal te polsen voor een post als hoogste leidinggevende in een soort militaire junta die men voornemens was uit te roepen in de Staat der Nederlanden.
Luns’ spectaculaire onthulling is altijd in het luchtledige blijven hangen (hoewel militair specialist Bram Stemerdink van de PvdA zich er ook nog iets van kon herinneren), maar het verhaal tekent in ieder geval wel de sfeer van de gierend uit de katrollen schietende polarisatie die het kabinet-Den Uyl opriep bij het behoudende volksdeel.
Interessant in dat verband is ook het gelegenheidsboek Ministerraad 1989, dat in 1979 ter gelegenheid van Den Uyls zestigste verjaardag verscheen bij uitgeverij Van Gennep en een soort allusie was op het derde kabinet-Den Uyl, dat er in werkelijkheid natuurlijk nooit van is gekomen. Liesbeth den Uyl was een van de medewerkers aan dat boek, en volgens insiders was het uit haar pen dat het relaas was gevloeid over een militaire coup tegen Den Uyl, die in dit fictieve boek een dramatisch leidmotief vormt.
De links-radicale Amsterdamse hoogleraar politicologie Kees van der Pijl ontvouwde nog niet zo heel lang geleden tegenover schrijver dezes de contouren van een sinister 'destabiliseringsprogramma’ dat in de nadagen van het kabinet-Den Uyl zou zijn uitgevoerd en waar volgens mige van zijn bronnen mogelijk zelfs de Molukse treinkapingen bij Wijster en De Punt (1975 en 1977) deel van hadden uitgemaakt.
Al deze conspiratieve theorieën liggen als een soort mistig gordijn boven Nederlands jongste geschiedenis. Wellicht dat er ooit helderheid over komt, bijvoorbeeld wanneer Gerard Mulder de subsidieaanvraag voor zijn grote Den Uyl-biografie rond heeft en zich eindelijk kan storten op het nog grotendeels onontgonnen, enige tientallen vierkante meters beslaande persoonlijke archief van Joop den Uyl, dat zijn familie heeft laten onderbrengen bij het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam.
HOE HET OOK ZIJ, dat Joop den Uyl de geschiedenis ingaat als de grootste revolutionair van de Nederlandse naoorlogse parlementaire geschiedenis mag meer dan ironisch worden genoemd. Op een revolutionair temperament heeft men Den Uyl nooit kunnen betrappen, ook niet in zijn Amsterdamse studentenjaren, eind jaren dertig, toen hij zich geleidelijk aan losweekte van het streng gereformeerde milieu waarin hij was grootgebracht, als een van de vijf telgen van de mandjesmaker Johannes den Uyl en boerendochter Agetha van Leeuwen uit Hilversum.
Met een niet te stillen leeshonger stortte de student economie, heen en weer sporend tussen Hilversum en Amsterdam, zich op de schappen van de net geopende Openbare Bibliotheek aan de Prinsengracht. De leermeesters die hij daar tot de zijne maakten waren de compromisloze individualisten, niet de dromers van grootse stelsels ten bate van het collectief, waarvan er in die tijd toch genoeg waren. Het politiek-culturele tijdschrift Forum, wars van welke totalitaire verleiding ook, was een soort dieptebom in het bewustzijn van de jonge student. Ter Braak, Du Perron, Slauerhoff, Marsman en Vestdijk waren toen nog niet de culturele totempalen waartoe ze na de oorlog zouden uitgroeien. Integendeel, ze waren - de in 1936 overleden Slauerhoff daargelaten - allen nog bij leven en in welzijn, en hun werk was pure subcultuur, beleden door een klein gezelschap ingewijden.
Du Perrons roman Het land van herkomst fungeerde lange tijd als een soort vervangende Heilige Schrift. Den Uyl liet zijn verloving met Liesbeth afhangen van haar mening over dat boek. In de jaren tachtig zou Marcel van Dam Den Uyl verwijten dat hij geen 'feeling’ had voor de individualisering, maar de thematiek die de Forum-schrijvers onder de oppervlakte van het schoolboekjescliché van de 'vorm of vent’-discussie aansneden, was juist in zijn geheel gewijd aan de problematische houding tussen individuele vrijheid en de druk van de groep. Ieder op hun eigen manier waren de Forum-schrijvers pioniers van een cultuur-aristocratisch, om niet te zeggen elitair levensgevoel in de Nederlandse polders. 'Wij waren door niets zo gebiologeerd als onszelf’, zo portretteerde Marsman eens het levensgevoel van de Forum-generatie. Ze vestigden de aandacht op de traditie van het radicale individualisme in de Europese letteren, van Stendhal tot Multatuli, van Nietzsche tot Kafka, en schreven zelf romans en gedichten die op die radicale ego-gerichtheid voortborduurden, van de zwarte piratenromantiek van Slauerhoff tot de vitalistische visioenen van ultieme vrijheid van Marsman.
OOK OP POLITIEK gebied roerde Forum zich. Ter Braak en Du Perron richtten uit angst voor het oprukkende fascisme het Comité van Waakzaamheid op, maar fulmineerden evengoed tegen het 'leren jassen en laarzen’-communisme in de Sovjetunie, wat hen binnen het comité weer in aanvaring bracht met de de westerse schrijvers die wél stonden te juichen bij de vijfjarenplannen van Stalin en consorten. Ter Braak schreef Politicus zonder partij, een soort desperate filosofische zoektocht naar een manier om zelfstandig te kunnen blijven denken in een steeds totalitairder wordende wereld. Du Perron brak vele malen een lans voor André Gide, de decadente Franse schrijver wiens sympathie met een soort artistiek communisme tijdens een reis door het Russische arbeidersparadijs rücksichtslos ten einde kwam en die zich de woede van vele salonsocialisten op de hals haalde door onbekookt van zijn desillusie te berichten.
Het was in dezelfde periode dat Jacques de Kadt zijn eerste belangrijke werken publiceerde. De Kadt analyseerde het stalinisme als een eigentijdse voortzetting van het tsarisme. Vooral zijn Het fascisme en de Nieuwe Vrijheid maakte grote indruk op Den Uyl. Het was van beslissende invloed op zijn verdere politieke gedachtengoed.
Forum vormde hem allereerst op persoonlijk gebied. Het blad stond voor de exploratie van het ik, het was een soort existentialisme avant la lettre, van een Nederlandse dimensie voorzien door de nadruk op lucide denken (en schrijven). Als politiek-cultureel programma verkondigde Forum een permanent wantrouwen tegen grote woorden en allesomvattende schema’s.
De Forum-generatie, zo vertelde Den Uyl in 1978 aan Ischa Meijer, ging met zijn verbeelding als student op de loop door de eeuwige innerlijke strijd die in hun werk verscholen zat, 'het vagevuur van de vertwijfeling’ zoals de PvdA-leider het toen noemde. Tegelijkertijd was het de pragmatische nuchterheid die hem aansprak bij Du Perron en Ter Braak. Den Uyl: 'Een gedachte van Ter Braak: de waarheid ligt nooit in het midden, niet in de diepte, meestal aan de oppervlakte. Dat is het maxime voor een politicus. Dát is ook mijn opgefokte weerzin tegen de strategie. Als je ’t op het eerste gezicht niet herkent, hou dan maar op. Politiek heeft alles van doen met hoeveel mensen iets ervaren - dus aan de oppervlakte waarneembaar. Je moet leren om met je rug te denken.’
IN DE BILDUNGSJAHRE van Joop den Uyl dus geen wapperende rode banieren, dansen rond de meiboom en andere folkloristische rituelen uit de socialistische liturgie. Thuis in Hilversum weende zijn moeder bittere tranen dat haar meest begaafde kind, de enige die ze kon laten studeren, in het Sodom en Gomorra van Amsterdam was gevallen voor de socialistische dwaalleer (vader Johannes overleed al in 1929, toen Joop tien was), maar in feite had haar oogappel de innerlijke tweestrijd van de gereformeerden verruild voor een andere, niet minder heftige innerlijke worsteling, die van Forum. In het kielzog van Ter Braaks Van oude en nieuwe christenen had Den Uyl zich ontwikkeld tot een ultra-sceptische agnost, maar het is de vraag of hij ooit echt calvinist-af is geworden. 'Als ik praat hoor je de kerkklokken op de achtergrond’, vertelde hij eens.
Het laatste restje vertrouwen in de kerk verloor Den Uyl in 1940, toen de voormannen van christelijk Nederland in alle talen zwegen over de gevaren die de nazi’s voor de joden betekenden. 'Ook zonder bijzonder discriminerende maatregelen tegen de joden had de Kerk moeten spreken, want de jodenhaat was groeiende en wie aan de joden raakt om reden van het jood-zijn, richt zich in een Godsgeheim’, schreef Den Uyl in het eerste bezettingsjaar, tevens het jaar dat hij een studentenkamer in Amsterdam betrok. Hij werd actief in het studentenverzet, hielp onderduikers.
Publicist Milo Anstadt, die Den Uyl leerde kennen toen hij als joodse jongeman in Amsterdam ondergedoken zat, schreef tien jaar geleden in de Haagse Post een drukwekkend artikel over de jonge Den Uyl van de oorlogsjaren. Anstadt leerde hem door en door kennen tijdens de lange gesprekken die ze voerden als Den Uyl hem op zijn onderduikadres opzocht voor wat intellectuele verstrooiing. Anstadt: 'Ik was toen net bekomen van mijn communistische heilsverwachtingen, maar was nog onvoldoende genezen om niet naar nieuwe te zoeken. Ook Joop had kortelings een religie vaarwel gezegd. Met onze zeer verschillende achtergronden waren we voor elkaar een bron van raadsels, die we wilden oplossen, omdat wij het gevoel hadden erbij te kunnen winnen. Beiden waren we geboeid door de folklore van elkaars vroegere leven, ik in de gereformeerde, hij in de Oost-joodse. Nu, achteraf, heb ik het idee dat de invloed van onze gesprekken voor ons beiden veel groter is geweest dan we ons ooit rekenschap van hebben gegeven.’
DEN UYL LEERDE Anstadt over de theoloog Karl Barth en gaf hem Ter Braak te lezen. Anstadt op zijn beurt maakte Den Uyl vertrouwd met de grote namen van de jiddische literatuur: Sholem Aleichim, Sholem Ash, Mendele Mojshe Sforim, Perec. Anstadt: 'Zijn inzicht in de ideologie van de gerechtigheid, die de Oost-joodse literatuur met het Oude Testament verbond, verdiepte zich. Ik geloof dat de idee van de gerechtigheid tenslotte de belangrijkste draad van zijn leven is geworden. Joop heeft zich heel sterk gesolidariseerd met het jodendom, zodat ik mij later met mijn kritische houding ten opzichte van Israel en sommige joodse pretenties bijna een afvallige voelde tegenover hem.’
Den Uyls pro-Israelische gezindheid deed inderdaad bijna mythisch aan. Als minister-president zou hij in samenwerking met zijn minister van Defensie Henk Vredeling alles op alles zetten om Israel via geheime wapenleveranties te versterken in de strijd met de Arabische buurstaten. Maar ook beklijfde er van de gesprekken die hij in de oorlog met Anstadt voerde veel van de Talmoedische mentaliteit, met als belangrijkste fundament een totale heid op het primaat van het recht. 'De wet is de moeder van de vrijheid’, zo luidde de kernzin van Weg naar de vrijheid, het nieuwe beginselprogramma van de PvdA dat Den Uyl begin jaren vijftig, na een korte carrière in de journalistiek als adjunct-hoofdredacteur van Vrij Nederland, schreef als directeur van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de sociaal-democraten waarvan hij in 1949 directeur werd.
De politicus Den Uyl was geboren, altijd op zoek naar een compromis tussen gerechtigheid voor de massa en vrijheid voor het individu. Eenmaal in de actieve politiek in de Amsterdamse gemeenteraad liet hij geen gelegenheid onbenut om te fulmineren tegen de wereld achter het IJzeren Gordijn. Bijvoorbeeld in 1962, toen hij als lid van de Amsterdamse gemeenteraad heftig uitvoer tegen de net opgetrokken Berlijnse Muur. De afgevaardigden van de CPN pikten het niet. 'We zijn hier niet om kritiek uit te oefenen op de publieke werken in Berlijn’, protesteerde men van die kant.
IN FEITE WAS Den Uyl binnen de PvdA een 'vreemdeling in een vreemd land’ toen hij in september 1966, na een korte, weinig florissant verlopen periode als hoge ambtenaar op het ministerie van Economische Zaken, werd uitverkoren als lijsttrekker van de PvdA bij de Tweede-Kamerverkiezingen. Nieuw Links veroverde de macht binnen de partij en Den Uyl was allesbehalve een Nieuw-Linkser. Als oppositieleider moest hij keer op keer slag leveren met een jongere generatie sociaal-democraten, die de ene na de andere karaktermoord op hem uitvoerden en hem in de loop der jaren overigens stuk voor stuk aan de rechterzijde zouden passeren.
Hoewel Den Uyl Nieuw Links wel kon waarderen als een soort ideologische straalmotor zag hij niets in de verregaande roep om nationalisering. 'Ach, man, sodemieter toch op, wat doe je hier nog’, riep de latere Vroom & Dreesmann-filiaalhouder Arie van der Zwan naar Den Uyl toen in oktober 1966 in hotel Americain door de PvdA werd vergaderd over Tien over rood, het revolutionaire beginselprogramma dat de 'jonge wilden’ van de sociaal-democratie hadden ingediend. Den Uyl deed dat pamflet luchtig af als een oprisping van een paar onbezonnen heethoofden uit de wereld van universiteit en journalistiek. Toen in 1969 op initiatief van de PvdA-afdeling Doniawestal een motie werd aangenomen waarmee de PvdA-kamerfractie tot verregaande vormen van oppositie werd gecommandeerd, nam Den Uyl daar beleefd kennis van en beloofde hij beterschap, zonder dat hij daar ooit werkelijk uitvoering aan gaf.
'DE BELANGRIJKSTE drijfveer van Den Uyl was de partij bij elkaar te houden’, zo verklaarde Marcel van Dam maart 1991 in een terugblik op Den Uyls tactiek om Nieuw Links aan zich te binden zonder zich erdoor te laten leiden. 'Een afsplitsing of een breuk was niet in het belang van de partij, die hoognodig aan verjonging toe was en eindelijk eens regeringsverantwoordelijkheid wilde dragen. Vanuit deze gedachte genereerde hij de kracht en de motivatie om voor allerlei tegenstellingen de meest ingenieuze compromissen te bedenken. Als zijn tegenstanders geen concessies deden, dan kwam er een van hem.
Den Uyl is er op die manier in geslaagd de culturele revolutie van de jaren zestig te integreren in de Nederlandse politiek en in de maatschappij. Het is een politiek proces geworden en geen buitenpolitiek verschijnsel, zoals in Duitsland met de Rote Armee Fraktion. In het buitenland gooiden ze echte bommen, hier waren dat verfbommen.’
DEN UYL LEERDE als partijleider al heel snel de kunst van de vermomming. En als gewezen streng gereformeerde jongeling had hij inmiddels genoeg intuïtieve kennis vergaard over verhullende vergaderstrategieën. In werkelijkheid bleef hij bevreesd voor al te radicale standpunten, omdat hij in wezen nu eenmaal conservatief georiënteerd was. De lawine aan verontrusting die vanuit het rechtse volksdeel werd geventileerd toen het kabinet-Den Uyl eenmaal op de trappen van paleis Huis ten Bosch aantrad, deed dan ook nogal hysterisch aan. 'Den Uyl komt, berg je maar!’ kopte Elsevier bij wijze van begroeting van het kabinet-Den Uyl.
Het blad raadpleegde gelijk een astroloog om de diepere zieleroerselen van de nieuwe leider te analyseren. Het resultaat moet niet tot geruststelling hebben geleid: 'De enorme concentratie van krachten in het sterrenbeeld Leeuw geeft ongetwijfeld aan dit karakter meer dan middelmatige leidinggevende en vooral ook organisatorische vermogens en een aanleg om zich voor allerlei situaties verantwoordelijk te voelen’, aldus astroloog J.W. Ezerman te Arnhem. 'Zijn streven op allerlei levensgebieden zal er dan ook voornamelijk op gericht zijn om een sterke binding te creëren in een eigen, meer beperkte of selecte kring, van waaruit hij als eenheid kan opereren, en dan liefst tegenover andere eenheden, die hij innerlijk als vijandig of niet de constructief ervaart. Het gevaar van deze configuratie ligt in het feit van zelfoverschatting, alsmede het te sterk poneren van bepaalde opvattingen of stellingen.’
Blijkbaar nam geheel behoudend Nederland met schrik kennis van deze astrologische exercitie, want vanaf het prille begin van het kabinet-Den Uyl sprak de rechts van het midden opererende pers in de meest apocalyptische bewoordingen over de ware bedoelingen van de nieuwe regeringsploeg, terwijl ter linkerzijde van het politieke toneel al even wantrouwig werd gereageerd op de vermeende verborgen agenda van 'Joop Atoom’.
Terwijl Den Uyl links en rechts als het ware in zichzelf verenigde en het conflict aldaar liet verdwijnen, kwam hij zelf tussen twee vuren te liggen. 'Nergens is zo'n overtuiging, zo'n lading voor nodig als om gematigdheid tot de macht te brengen’, verzuchtte hij eens.
HET IS ACHTERAF moeilijk vast te stellen welke van de twee nu de grootste nagel aan zijn politieke doodkist was: het ongeduld van extreem links of de angst van rechts. Vastgesteld kan alleen maar worden dat Den Uyls grote maatschappijhervormende maatregelen eerder een kwestie van retoriek dan van radicale politieke breuken met de traditie waren. Het Nederland van de jaren zeventig, met zijn verkwikkende welvaartsinjectie voor grote delen van een tot dan toe slechts hard sappelende natie, was al van zichzelf in verandering.
Ook zonder een kabinet-Den Uyl was het wel gekomen tot een roep om meer inspraak voor werknemers en studenten, ook zonder Den Uyl zou de steeds groeiende middenklasse wel uitdrukking hebben gegeven aan een honger naar nog meer emancipatie. Je zou Den Uyl zelfs kunnen vergelijken met een man die aan het strand doet alsof hij de golven dirigeert.
Dat alleen al deze politiek van retorische effecten kon leiden tot zoveel paniek bij de diverse multinationals (denk aan de open brief die de leiding van onder meer Shell, Philips en Akzo in diverse Nederlandse kranten liet afdrukken om Den Uyl voor de laatste maal te waarschuwen) doet twee decennia na dato vooral hypochondrisch aan. In plaats van dat men in deze kringen dankbaar op de knieën was gezegen om het Opperwezen te danken voor het feit dat Hij zo'n behendige en behoudende strateeg aan het roer van de opstandige natie had geplaatst, zetten de captains of industry alles op alles om Den Uyl zo snel mogelijk van zijn post te verdrijven.
Terwijl Den Uyl in 1976 in het heetst van de Lockheed-crisis zorgvuldig vermeed dat prins Bernhard zo'n geduchte knauw zou oplopen dat de monarchie overboord zou slaan (die mogelijkheid zat er heel wel in), werd hij door rechts al aangevallen vanwege het typisch uyliaanse compromis waarmee tenminste het vege lijf van de prins werd gered.
Den Uyl ontzegde de prins bij wijze van sanctie voor diens jarenlange gemarchandeer met steekpenningen van de Amerikaanse vliegtuigindustrie het recht op het dragen van militaire uniformen. Het was wel de minste aderlating die het huis van Oranje moest doen en Den Uyl werd dan ook onderscheiden met een koninklijk ereteken voor 'vernuft’. Desalniettemin reageerde rechts Nederland als door een wesp gestoken.
DE VAL VAN Willem Aantjes, Den Uyls politieke partner bij de antirevolutionaire mannenbroeders, luidde het begin van het einde van Den Uyls premierschap in. In de jaren tachtig waren het de gewezen voormannen van Nieuw Links die hem keer op keer attaqueerden vanwege zijn vermeende 'polariserende houding’, nota bene de richting waarin ze Den Uyl in de jaren zestig hoogstpersoonlijk hadden gedirigeerd. Daarbij vergeleken zonk het verraad van Van Agt in 1977 in het niet.