De genetica van de moraal

Het taboe op biologische verklaringen voor het sociaal gedrag van de mens kalft steeds meer af. Ook moraalfilosofen grasduinen in de genetica. Zoals de evolutionaire ethicus Michael Ruse. ‘Moraliteit is een illusie’, beweert hij. ‘Een lepe oplossing die via de natuurlijke selectie is verankerd in het menselijk genoom.’ Een interview.
WAAR KOMT DE menselijke moraal vandaan? De vraag is al zo oud als de filosofie zelf, en filosofen van Plato tot Kant, Spencer en Huxley hebben er hun tanden op stukgebeten. Sinds enige jaren is er een nieuwe theorie in opkomst, gebaseerd op evolutietheorie en genetica. De in Canada werkzame Britse filosoof Michael Ruse is een van de belangrijkste pleitbezorgers van deze evolutionaire ethiek. Ruse vindt dat filosofen de neiging hebben om de empirische wetenschap te onderschatten of zelfs te negeren. Zonder Copernicus zou de mens nog altijd in het middelpunt van het universum staan en zonder Darwin zouden wij nog altijd geloven dat de aarde in zes dagen is geschapen. Toen in een der Amerikaanse staten het zogeheten creationisme - de schepping door God - als verplichte lesstof naast het darwinisme werd ingevoerd, beklom Ruse de barricaden.

Later richtte hij zijn pijlen vooral op die moraalfilosofen die blind zijn voor de implicaties van de genetische revolutie. Volgens hem zijn zowel de oorsprong van de moraliteit op zich als de specifieke inhoud van de moraal biologisch te funderen. Niet dat hij de pretentie heeft concrete normen en waarden te kunnen afleiden uit de evolutie van de menselijke soort. Ruse maakt kortom niet de stap van ‘zo is het’ naar 'zo behoort het’, in tegenstelling tot diverse negentiende-eeuwse denkers die zich door Darwin lieten inspireren. Vooral sociaal-darwinisten als Herbert Spencer bezondigden zich aan dit soort gevolgtrekkingen. Uit Darwins theorie over de natuurlijke selectie trokken zij de conclusie dat de sterksten zo min mogelijk in de weg moest worden gelegd en dat het 'onnatuurlijk’ was sociaal zwakkeren met behulp van sociale wetgeving te beschermen. Maar er waren ook verlichte varianten. De industrieel Carnegie richtte bijvoorbeeld, op sociaal-darwinistische gronden, tal van openbare bibliotheken op, onder het motto: geef begaafde kinderen uit armlastige gezinnen de kans om hun talenten te ontplooien en hun maatschappelijke 'geschiktheid’ te bewijzen.
Minder bekend is dat ook menig socialistisch theoreticus zich destijds beriep op Darwin. Zo hadden de anarchistische Russische prins Pjotr Kropotkin en de 'Hollandse marxist’ en astronoom Anton Pannekoek de overtuiging dat in kudden of groepen levende dieren het meest gebaat waren bij samenwerking. De neiging tot 'wederzijds hulpbetoon’, dat via de natuurlijke selectie bij sommige soorten reeds sterk was bevorderd, kon in de mensenmaatschappij verder worden ontwikkeld door middel van het socialisme. Tegenover dit vooruitgangsidee stond weer de Britse moraalfilosoof Thomas Huxley, die meende dat de natuurlijke selectie naar haar aard onethisch is en geen progressie vertoont. De betekenis van het menszijn zou er nu juist in bestaan dat wij een morele strijd tegen de blinde, hardvochtige natuur moeten leveren.
SINDS DE OPKOMST van de sociobiologie in het begin van de jaren zeventig heeft het denken over biologie en ethiek een nieuwe wending genomen. Michael Ruse, die zich als ethicus sterk met de sociobiologie associeert, is het met Huxley eens dat evolutie in biologische noch ethische zin vooruitgang impliceert. Het aids-virus doet het in evolutionaire zin erg goed, maar of we hier nu blij mee moeten zijn?
Vanuit Ruses optiek is moraliteit weliswaar een evolutionair produkt, maar dat impliceert nog niet dat de natuurlijke selectie op een of andere manier de vooruitgang bevordert. Moraliteit is volgens hem puur een kwestie van adaptatie. Voor de overleving en reproduktie van het ene organisme (de leeuw, de haai) is het beter dat het geen altruistische eigenschappen bezit, terwijl dit voor een ander organisme (de mier, de hond, de mens) juist wel voordelen biedt. Wij mensen zijn als individuen sterk door samenwerking. Het is vaak efficienter om sociaal en cooperatief te handelen dan om elkaar de nek om te draaien. Onze moraal is, kortom, niets verhevens maar in ons genetisch voordeel. En dus louter biologie.
EEN LUXE SUITE in het Amstel Hotel. Tegenover ons zit de bebaarde profeet van de evolutionaire ethiek. Ruse is in Nederland ter opluistering van het dertigjarig bestaan van het weekblad Intermediair. Zijn gympen vormen een komisch contrast met het stijlvolle interieur. Druk pratend, heftig gesticulerend en met olijke blik beantwoordt hij onze vragen.
Er heeft lange tijd een taboe gerust op biologische verklaringen voor sociaal gedrag. En ook nu nog kan men dit reductionisme maar moeilijk aanvaarden. Wat zijn hiervan de redenen?
Ruse: 'In de eerste plaats had dat te maken met de opkomst van de sociale wetenschappen. Die wilden een eigen terrein veroveren, hoewel Freud nog wel oog had voor de biologische invloed op de menselijke psyche. Het taboe is in de tweede plaats ontstaan door het historische feit van het nazisme. Sociobiologie wordt al snel geassocieerd met rassenwaan en eugenetica. Opvallend is het verschil tussen de meer naturalistische wetenschapstraditie in Engeland en de marxistische tendensen bij sommige Amerikaanse neo-darwinisten. Mijn achterland wordt gevormd door filosofen als David Hume. Critici als Stephen J. Gould en Richard Lewontin, die zich sinds de jaren zeventig hebben afgezet tegen het sociobiologische programma van Edward Wilson, zijn kinderen van uit Europa afkomstige joodse emigranten. Als zodanig zijn zij extra gevoelig voor denkbeelden waarin sprake is van overerving van gedragskenmerken.’
Overschat u de biologische wetenschap niet erg? We weten nog zo weinig van de relatie tussen genen en gedrag. Het genetische onderzoek mag dan de oorzaak van bepaalde ziekten en lichamelijke kenmerken op het spoor zijn gekomen, het staat feitelijk nog in de kinderschoenen.
'Daar ben ik het op zich mee eens, maar zoals Popper al zei: je komt verder wanneer je een idee krachtig lanceert dan wanneer je alles zo omzichtig en waarschijnlijk mogelijk probeert te brengen. De sociale wetenschappen hebben minder te zeggen dan hun beoefenaars zelf menen. Bovendien hebben zij een blinde vlek voor het feit dat de mens ook een biologisch wezen is.’
Slaat u niet een paar stappen over? Volgens de bioloog-filosoof Elliot Sober heeft de biologische selectie het menselijk brein gevormd, dat op zijn beurt een cultureel selectieproces in gang heeft gezet dat los van de natuur staat. En Ayala ziet zaken als kunst en literatuur als pure bijprodukten van onze intelligentie, zonder enige biologische functie. Waarom zou ook de moraal geen zuiver cultureel verschijnsel kunnen zijn?
'Het is niet of natuur of cultuur maar allebei. Het begint bij de biologie - vanuit onze biologische aanleg wordt de cultuur ontwikkeld. De culturele kant van de zaak is zeker belangrijk. Toch word ik soms ’s nachts wakker met de gedachte dat er meer biologisch is bepaald dan we allemaal kunnen of durven toegeven. Biologie regeert ons leven in sterke mate. Neem nu seks, of de verschillen tussen de seksen. Deze kunnen niet geheel tot cultuur worden gereduceerd. Dat geldt zelfs voor de literatuur. Ik zal niet beweren dat Shakespeares oeuvre rechtstreeks voortkomt uit zijn genen, maar waarover hij schrijft, dat zijn de eeuwige thema’s als geboorte, liefde en dood. Thema’s die weer typisch biologisch zijn.
En wat de moraal betreft: hoe deze gestalte krijgt, is inderdaad afhankelijk van de omgeving waarin we opgroeien. Maar mijn punt is dat de basis van moraliteit beslist biologisch is. Niet zozeer de normatieve inhoud maar wel de ondergrond, ons morele vermogen, moet in de genen worden gezocht.’
Ruses evolutionaire ethiek heeft in hoofdzaak betrekking op het meta-niveau: de fundering van de moraal. Volgens hem valt de moraal niet objectief te funderen zoals Kant, Moore of de utilisten dat probeerden. Moraliteit, zo luidt zijn provocerende stelling, berust op een illusie die ons wordt aangesmeerd door onze genen.
De natuurlijke selectie, redeneert hij, heeft bij de mens tot een aangeboren neiging tot altruisme geleid. Het individu heeft baat bij samenwerking om wille van zijn overleving en reproduktie. Dit biologische 'altruisme’ - nadrukkelijk tussen aanhalingstekens, omdat het eigenlijk uit eigenbelang voortkomt - manifesteert zich in de gedaante van moreel altruisme. Moraal is in die zin een soort smeerolie. Of om met Ruse te spreken: 'the quick and dirty way’. Zonder de illusie van moraliteit zijn we niet bereid om samen te werken. Om moreel te kunnen zijn, hebben we het idee-fixe nodig dat onze moraal een vast fundament heeft. Ook Hume wees er al op dat moraliteit subjectief is, maar dat we - om wille van haar functie - in haar objectieve karakter willen, ja zelfs wel moeten, geloven.
Als sociobioloog heeft u zich kennelijk bevrijd van die illusie. Kunt u daarmee leven?
'Kijk naar Hume. Die kwam ook tot inzichten waarop hij sceptisch of gedeprimeerd had kunnen reageren. Maar hij zei tegen zichzelf: “Ik ben een mens, ik moet mij onder de mensen begeven. Ik ga een spel back-gammon spelen met mijn vrienden.” ’
Wat kan een ethicus die de moraal als een illusie beschouwt, nog bijdragen aan de normatieve ethiek?
'Mijn theorie kan inderdaad niets voorschrijven, maar zij werpt wel licht op de diverse historische invullingen van de moraal. Persoonlijk voel ik mij aangetrokken tot de sociale-contracttheorie van John Rawls, een neo-kantiaan die de biologische oorsprong van onze ethiek onderkent. Volgens hem is de mens mogelijkerwijs via natuurlijke selectie begiftigd met een rationeel besef van >f13<fairness, >f11<dat hem naar rechtvaardigheid doet streven. Dit besef verhindert dat een ieder louter egoistisch handelt. Voor zover er ongelijkheid bestaat, moet iedereen het hierover eens kunnen zijn. Een dokter mag meer verdienen dan een willekeurige andere burger, omdat wij baat hebben bij zijn bijzondere kwaliteiten.’
Volgens Rawls komt het sociaal contract tot stand dank zij de objectieve, rationele inzichten van de burgers. Ruse daarentegen spreekt niet van rationele inzichten, die onmiddellijk in praktijk te brengen zijn, maar van sentimenten, die langs evolutionaire weg tot sociale contracten hebben kunnen leiden. En terwijl Rawls fairness niet alleen ziet als een aangeboren eigenschap, maar vooral als een rationeel en objectief wezenskenmerk van de mens, beschouwt Ruse fairness als een toevallig en nota bene illusoir produkt van de natuurlijke selectie.
Als bezwaar tegen Ruses evolutionaire ethiek valt op z'n minst aan te voeren dat hij met zijn grote gympen heenwalst over de relatieve autonomie van de menselijke geest en de socialisatie. Zo is het bijvoorbeeld een feit dat een eeneiige ofte wel genetisch identieke tweeling niet over een identieke hersenstructuur beschikt. Het brein blijkt zich prenataal maar ook gedurende de eerste levensjaren te ontwikkelen onder invloed van omgevingsfactoren, en die zijn voor iedereen anders. Ook de opvoeding drukt een zwaar stempel op de persoonlijkheid. Het is dus maar de vraag of het fundament van emoties en intenties, zoals de morele, moet worden gelokaliseerd in de menselijke genen. Dat geldt zeker voor de meer complexe emoties als schaamte, schuld of fairness. Deze veronderstellen een op cognitie en leervermogen gebaseerde conceptie van de leefwereld. Met andere woorden: waarom zouden de genen, als het om moraliteit gaat, hun primaat niet zijn kwijtgeraakt aan de cultuur?
TEGEN RUSES ANTWOORD dat cultuur altijd weer te herleiden is tot natuur, valt op zichzelf weinig in te brengen. Behalve dan dat de natuurlijke selectie de mens van zo'n flexibel brein heeft voorzien dat hij over een vrijere wil beschikt dan andere zoogdieren. Mensen kunnen er ter bevrediging van behoeften bijvoorbeeld voor kiezen anderen te bedreigen, te behagen of - de meest geavanceerde methode - hen aan te spreken op een morele verplichting. Of die laatste strategie op een collectieve, genetisch bepaalde 'illusie’ berust, valt te betwijfelen. Niet omdat er een objectieve moraal zou bestaan, maar omdat de mens, behalve homo biologicus, ook homo sociologicus is.
Het is dan ook niet uit te sluiten dat moraliteit zijn oorsprong eerder vindt in het maatschappelijke karakter van de menselijke existentie dan in de menselijke genen. De 'morele evolutie’ - van de afschaffing van de lijfeigenschap tot proclamatie van de universele rechten van de mens - die de uitdrukking lijkt van een toenemende sensibiliteit, voltrekt zich razendsnel. Vormt dat niet het bewijs dat hieraan culturele, in plaats van natuurlijke selectieprocessen ten grondslag liggen? Elias’ beschavingstheorie biedt de moraalfilosoof dan ook vermoedelijk meer handvatten dan Darwins evolutietheorie.
Wat Ruse valt aan te rekenen, is dat hij een rechtstreeks verband legt tussen genotype (erfelijke aanleg) en fenotype (individuele verschijningsvorm). En dit terwijl er uit de genetica, de embryologie, de neurobiologie en de psychologie signalen komen dat de materie veel complexer is. Dat neemt niet weg dat de evolutionaire ethiek een raamwerk vormt voor een waarlijk interdisciplinaire benadering van het vraagstuk der ethiek.