Ellie Smolenaars, Passie voor vrijheid: Clara Wichmann (1885-1922)

De geromantiseerde idealiste

Ellie Smolenaars

Passie voor vrijheid: Clara Wichmann (1885-1922)

Aksant, 248 blz., e 24,90

Clara Wichmann was een van de interessantste vrouwen die Nederland in de twintigste eeuw heeft gekend. Ze was de dochter van een Duitse, in Utrecht docerende hoogleraar geologie, een bijzonder in literatuur en filosofie geïnteresseerde moeder en ze behoorde tot de eerste vrouwelijke rechtenstudenten in Nederland. Op het terrein van de rechtstheorie, waarin ze in 1912 cum laude promoveerde, verrichtte ze baanbrekend werk en als medewerker van het CBS deed ze onderzoek naar de criminologische statistiek. Zoals zoveel socialisten in die tijd was ze ervan overtuigd dat een groot deel van de criminaliteit werd veroorzaakt door de maatschappelijke verhoudingen, al zou zij dit standpunt altijd met de nodige nuanceringen en gevoel voor verhoudingen verdedigen.

Opgroeiend in een beschermd milieu in de achteraf zo vredig en optimistisch lijkende jaren vóór de Eerste Wereldoorlog, werd Clara Wichmann sterk beïnvloed door het toen zeer en vogue zijnde idealisme. De burgerlijke cultuur was haar veel te zelfgenoegzaam en te materialistisch en ze dweepte met sterke geesten die leefden voor grootse idealen. Het was welhaast onvermijdelijk dat ze enige jaren een volgelinge was van de roemruchte hegeliaan en profeet van de «Zuivere Rede», G.J.P.J. Bolland. Het tekende haar onafhankelijkheid dat zij na een aantal jaren om principiële redenen afscheid nam van deze reactionaire, antidemocratische filosoof.

Na aanvankelijk actief te zijn geweest in de beweging voor vrouwenkiesrecht werd Clara Wichmann in politiek opzicht steeds radicaler. Zo ontwikkelde zij zich tot anarchiste en antimilitariste, trouwde met de tien jaar jongere dienstweigeraar Jo B. Meijer, polemiseerde met de communistische Henriëtte Roland Holst en ontpopte zich tot theoretica van het syndicalisme. Het was deze revolutionaire ontwikkeling die ervoor zorgde dat haar werk in de jaren zeventig werd herontdekt en dat zij een icoon van het feminisme werd. Hoewel het Clara Wichman Instituut in 2004 is opgeheven, is het naar haar vernoemde proef processenfonds, dat tot doel heeft de rechtspositie van vrouwen te verbeteren, nog altijd zeer actief. Ook reikt de Liga voor de Rechten van de Mens jaarlijks de Clara Meijer-Wichmann Penning uit.

Uiteraard verdient iemand als Clara Wichmann – die bovendien de zuster was van de namaak kunstenaar, potkachelbohémien en fascist Erich Wichmann – een serieuze biografie. Ellie Smolenaars heeft uitgebreid onderzoek verricht naar het milieu en de werkzaamheden van Clara Wichmann, waarbij zij kon beschikken over een schat aan materiaal, zoals de dagboeken, notities en correspondentie van haar heldin. Zij wilde echter geen traditionele biografie schrijven, maar «een spannend drama (…) vol verrassende gedachten en ontwikke lingen». Om dit te bereiken hanteert ze een andere stijl, naar eigen zeggen «dicht op de huid, proberend beelden te scheppen van waar, hoe en waarom alles plaatsvond».

Om deze reden beschrijft Smolenaars het leven van Clara Wichmann als een alwetende verteller, die niet alleen aanwezig was bij de gebeurtenissen die ze schetst, maar die bovendien op de hoogte is van de gedachten van haar onderwerp. Op basis van citaten uit brieven en dagboeken beschrijft ze allerlei scènes uit het leven van Clara Wichmann, «reconstrueert» ze gesprekken die haar heldin heeft gevoerd met haar vriendinnen, ouders, broer en geliefde en laat ze zelfs zien hoe sommige van haar denkbeelden zich hebben ontwikkeld.

Bij deze werkwijze past geen noten apparaat, zodat de lezer maar moet aannemen dat de biografe het materiaal op correcte wijze heeft toegepast. Hoewel ik best wil aannemen dat Smolenaars verantwoord te werk is gegaan, is het me toch niet helemaal duidelijk wat de winst is van deze methode. Ik ken tal van «gewone» bio grafieën die vol «drama» zitten en die voortdurend «verrassen», en die uit letterkundig oogpunt beter geschreven zijn dan deze vie romancée. Sterker nog, de bladzijden die Willem Otterspeer in zijn briljante en meeslepende maar tegelijkertijd «traditionele» biografie van Bolland aan Clara Wichmann heeft gewijd, zijn veel beeldender, verrassender dan dit nogal gekunstelde werkje, dat bovendien veel te weinig recht doet aan Wichmanns verdiensten als wetenschapper en essayiste. Otterspeer citeert wel gewoon een brief en verhaspelt die niet tot een van de ongeloofwaardige pseudo-dialoogjes waarmee het boek van Smolenaars vol staat.

Wat Smolenaars hier presenteert is allesbehalve nieuw, maar was in de jaren dertig zelfs mode. Toen verschenen er veel voor een breed publiek geschreven biografieën die pretendeerden een veel levensechter, artis tieker verhaal te brengen dan het «fantasieloos» werk van academische historici. Tegen dergelijke «geromantiseerde» levensbeschrijvingen werd niet alleen van leer getrokken door een literair begaafde historicus als Johan Huizinga, maar ook door een literator als Anthonie Donker, die vol afkeer sprak van «de op effect beluste (…) zwendel in historische figuren, de roekeloze psychologische speculatie en de tulpenhandel in levensbijzonderheden».

Over Clara Wichmann is, zeker met het materiaal dat Smolenaars tot haar beschikking had, een uitstekende, wetenschappelijke biografie te schrijven die allesbehalve «saai» of «fantasieloos» behoeft te zijn en die bovendien veel meer recht kan doen aan de maatschappelijke en culturele context. Uiteraard is het publiek dat geïnteresseerd is in het leven van een lichtelijk geëxalteerde burgermansdochter die de modefilosofie van Bolland inruilde voor anarchistische idealen, die buitengewoon doortimmerde essays schreef en contacten onderhield met tal van intellectuelen, niet overdreven groot.

Wie een groter publiek wil bereiken, zou dus kunnen kiezen voor een historische roman, want ook daarvoor biedt het leven van Clara Wichmann – van haar goed gedocumenteerde jeugd in Buddenbrooks-achtige kringen tot aan de dood in het kraambed – meer dan voldoende stof. Dat valt in ieder geval verre te prefereren boven een bastaardvorm als de vie romancée. Bastaarden zijn immers, aldus Thomas Huxley, behept met «the faults of both parents and the virtues of neither».