De geruisloze grote motor

De middeleeuwse God hing meestal zwijgend boven het toneel. Zijn Zoon moest de aardse zaken maar afhandelen. En diens moeder natuurlijk, want de middeleeuwer was dol op Jezus’ familie. Vooral omdat ze zo menselijk waren.

VOOR DE MIDDELEEUWEN is God enkele maten te groot. Daarom wordt Hij maar zelden uitgebeeld of beschreven, en dan nog bij voorkeur in de gedaante van Zijn Zoon, ook als het duidelijk over Hemzelf gaat. Krachtens de leer van de Drieeenheid kon dat. God was ook Zijn Zoon, in menselijke contouren verschenen op aarde. En uit hun wederzijdse liefde sproot de Heilige Geest voort.
God als Vader zien we zelfs heel weinig. Op het toneel blijft Hij in nevelen gehuld. Hij zetelt ergens hoog aan katrollen op een wolk of orakelt wat vaag weg vanachter de coulissen. Daardoor kan Zijn geluid uit alle hoeken het publiek bereiken, welk effect nadrukkelijk wordt aanbevolen in regieaanwijzingen. God is overal en nergens. Daarom kan Zijn bijrol - Hij heeft weinig tekst - zo veelzeggend zijn. Daarin wordt, heel pikant, een tipje opgelicht van de sluier waaronder zich de meest absolute Hoofdrol aller tijden bevindt.
Doorgaans is Hij een oude man met een donkere of grijze baard. Hij moet er streng doch rechtvaardig uitzien. Daarom draagt Hij steevast een rode mantel, tegelijk een teken van Zijn scheppingsdrift en van Zijn even vlammende als gerechtvaardigde wraakzucht. Zijn schepsels hebben Hem immers verraden. En sterker nog, ze blijven dat doen. Sinds de zondeval krabbelt de mens onthand over aarde, een bijna willoze prooi van de duivel die telkens terugvalt in dezelfde zonden. God kijkt toe hoe Zijn kinderen rondstumperen. Pas als ze om Zijn hulp vragen, biedt Hij een helpende hand. En als ze in hun domheid volharden, poogt Hij hen te waarschuwen met pest, honger, vloedgolven en ander ongerief.
De behoefte om zich met deze abstracte almacht te verstaan, neemt aan het eind van de middeleeuwen sterk toe. Op het toneel wordt geprobeerd om God actiever en menselijker te presenteren, bereid tot elke discussie. God ontwikkelt Zich tot gesprekspartner van Adam, Maria en zelfs de duivel, waarbij Hij in vraag en antwoord verduidelijkt dat Hij slechts uit liefde Zijn kinderen kastijdt. Adam en Eva mogen nu ook iets terugvragen wanneer Hij uitlegt waarom Hij hen zo zwaar straft na het snoepen van de Boom der Kennis.
Desondanks blijft Zijn voornaamste rol die van een woedende vader, die telkens op het punt staat om de mensheid voor eeuwig te verdoemen. Hoofdschuddend legt Hij de daden van Zijn schepselen op de weegschaal, in het licht van de finale die Hij in de vorm van het Laatste Oordeel persoonlijk zal voorzitten. Als voorproefje wordt vaak uitgebeeld en gespeeld hoe Hij als strenge rechter de aanklacht aanhoort van Masscheroen, de advocaat van de duivel, of van baas Lucifer zelf. Waarom moeten zij als duivels eeuwig verdoemd blijven? Tenslotte zijn ze van oorsprong engelen, vervallen tot duivels door slechts een overtreding uit hoogmoed. En daarmee hebben ze vervolgens elk recht op genade voor altijd verspeeld, terwijl de mens voortdurend dezelfde zonden pleegt, maar steeds weer in genade wordt aangenomen. Hoe kan dat?
God is het eigenlijk wel eens met deze aanklacht en betreurt hardop dat Hij de mens ooit heeft geschapen. Maar dan is er Maria. Als advocaat van de mens durft ze Hem, Vader en Zoon tegelijk, nog eenmaal tot mededogen te bewegen. Het publiek houdt de adem in bij haar sterk ontroerende optreden, nu de mens langs de afgrond scheert. Maria haalt alles uit de kast. Als hoogtepunt toont ze Hem haar borsten als bron van de vergevingsgezindheid die Hij met haar melk heeft ingedronken.
God zwicht. Een zware zucht van verlichting deint over het plein, misschien wel kreten van blijdschap. De moedermaagd heeft weer een groots mirakel geklaard, namelijk de bruuskering van Gods rechtvaardigheid. Want het blijft oneerlijk tegenover de duivels. Iedereen op dat plein kan immers weten dat elk mens de eeuwige verdoemenis meer dan verdiend heeft. Is het verblijf op aarde tot nu toe niet een lange aaneenschakeling geweest van roof, moord, verkrachting en oorlog? En is het vooral niet zo dat God permanent wordt geloochend? En heerst er niet de grootste onverschilligheid met betrekking tot het door Hem zo helder in bijbel en natuur uitgestippelde bestemmingsplan?
DEZE TAMELIJK agressieve rol, die tegelijkertijd moest blaken van vurige liefde, stelde hoge eisen aan de daarvoor aangezochte acteurs. Andersom konden deze zich zo sterk met hun rol identificeren, dat ook na de voorstelling een zeker aura om hen heen bleef hangen. Ze konden er indrukwekkend uitzien met hun purperrode mantel, volle grijze baard en golvend lange haren. En ongetwijfeld hadden ze een bulderende stem, die uit alle hoogten en diepten over het plein moest waaien. In ieder geval kon de tweestrijd tussen God en duivel met hun respectieve volgelingen zover gaan, dat de vijandelijkheden ook na de voorstelling werden voortgezet. Uit voorzorg bleven beide partijen gedurende de dagenlange opvoeringen van een passiespel in 1501 te Mons (Bergen) goed van elkaar gescheiden. Ze aten en logeerden in zorgvuldig gekozen herbergen, die op ruime afstand van elkaar waren gelegen. Spel en werkelijkheid liepen hier doorelkaar. En dat was nu juist de bedoeling van dat theater.
Zulke hevige effecten voor het publiek en ook voor de acteurs zelf veronderstellen een diep geloof in God en duivel. Bij niemand in de middeleeuwen komt de gedachte op om aan hun bestaan te twijfelen. God sprak vanzelf, ongeveer zoals het weer. Dat bestond ook, al viel het even moeilijk te vatten. Het probleem op aarde was alleen dat zovelen Zijn bestaan negeerden, Zijn geboden in de wind sloegen en verzuimden Zijn schepping te voltooien.
Voor alle zekerheid putten middeleeuwse filosofen zich uit in de meest inventieve godsbewijzen. Het lijkt wel alsof er een competitie opgezet is in het ontwerpen van ongerijmde godsbewijzen, een sport om het meest onaantoonbare toch zichtbaar te maken en de grootste godloochenaars op de knieen te krijgen. Daarbij dacht men overigens niet speciaal aan heidenen, omdat joden en moslims ook God erkenden en alleen moeite hadden met Zijn christelijke familie.
Alles in de schepping is in beweging en daardoor eindig, onderworpen aan het verloop van de tijd. Alles is ook met de zintuigen waar te nemen, of het nu gaat om zien, horen, ruiken of voelen. Het ijkpunt voor zulke bewegingen en waarnemingen kan alleen een instantie zijn die al deze kenmerken mist, anders zouden ze ons nooit kunnen opvallen. Bovendien moet er iets zijn dat alles in beweging zet. Maar zelf is die Grote Motor dus onwaarneembaar, tijdeloos en niet te vatten. Kortom: God.
Een ander godsbewijs presenteert de stelling dat God wel moet bestaan aangezien Zijn naam aan iedereen bekend is. Dat betekent dat Hij in ieders geest zetelt. En dat moet zelfs voor de dwaas gelden die durft te beweren dat hij niet in God gelooft. Zo'n opmerking kun je alleen maar maken als je wel weet wie God is!
Deze ongrijpbare en onzichtbare God wordt in de loop van de middeleeuwen steeds meer vertaald in figuren die wel te vatten en te volgen zijn. Via het concept van de Drieeenheid krijgt Hij familie. Hij zendt Zijn Zoon naar aarde om de mens van de erfzonde te verlossen. Iedereen zat na de dood, beladen met Adams schuld, in het voorportaal van de hel te wachten op wat er definitief zou gebeuren. Wanneer Gods Zoon aan het kruis onze erfschuld heeft ingelost, begeeft hij zich dan ook meteen na zijn wederopstanding naar de hel om al die zielen te verlossen, Adam en Eva voorop.
Deze menswording van God is in de middeleeuwen met grote gretigheid omarmd. Zijn hele familie wordt eindeloos van menselijke contouren voorzien. Dit toenemende streven heeft veel weg van een inhaalmanoeuvre om het goddelijke alsnog te domesticeren en in huiselijke dimensies te kunnen aanbidden en vereren. Vooral Jezus, ook Maria en zelfs Jozef kolken omhoog in soms wanstaltige karikaturen van menselijk gedrag, doorgaans in het goede, maar merkwaardigerwijze niet uitsluitend in deze zo voor de hand liggende hoedanigheid.
We zagen al dat tegenover de vrijwel onzichtbare God op Zijn troon een supermoederlijke Maria wordt geplaatst, die de sublimatie vormt van wat men zich aan warmte, bekommernis en zorg in een vrouw kan en vooral wil voorstellen. En natuurlijk trekt zij God naar zich - en naar ons - toe door Hem aan te spreken als haar Zoon.
Haar aardse echtgenoot Jozef wordt gespeeld en afgebeeld als een sterk bejaarde, kromgetrokken kabouter die voortschuifelend op vreemde muiltjes voortdurend een kluchtige indruk maakt, niet in de laatste plaats omdat hij tijdens de bevalling van zijn vrouw het huishouden doet. Bovenal is hij de exponent van een totale gebondenheid aan de aarde tegenover het ongrijpbaar goddelijke, dat daardoor des te sterker uitkomt. Aan hem moet je meteen kunnen zien dat de mens in wezen niets van de goddelijke mysterien kan begrijpen als hij zich niet losmaakt van de dagelijkse beslommeringen. En ook de eenvoudigste sterveling moet meteen begrijpen dat hij onmogelijk de verwekker van Jezus kan zijn. Alles van bovenaards belang ontgaat hem. Blijkt Maria zwanger van een langs een zonnestraal binnenscherende duif, dan is hij kwaad en denkt dat ze hem heeft bedrogen. Er is veel engel voor nodig om hem uit de droom te helpen. Later bedrinkt hij zich in de kroeg, terwijl Maria op de ezel met het Kind zit te wachten voor de vlucht naar Egypte. Alweer moet hij letterlijk het land worden uitgeduwd om zijn beschermende taak te volbrengen. Lallend zien we hem voor de ezel uitlopen op een schilderij van Melchior Broederlam in Dijon, een laatste druppel persend uit de meegenomen kruik. Telkens belichaamt Jozef dat totale menselijke onbegrip ten overstaan van zijn God. En natuurlijk zit de duivel daar achter.
De hoogste compensatie voor de goddelijke onvatbaarheid wordt echter gevonden in zijn Zoon. Ook deze is God. Maar dank zij zijn aardse leven en de berichten over zijn wederwaardigheden daar kon men zich een goede voorstelling maken van zijn uiterlijk en gedrag. En zijn voorkomen werd nu tevens gebruikt bij de veraanschouwelijking van de daden van God de Vader. In plaats van die bejaarde Vader die we hier en daar aantreffen is Hij nu ook een rijzige jongeman in lang gewaad, met lange haren en volle baard.
DEZE UITBEELDINGEN van God de Vader in de gedaante van Zijn Zoon geven allerlei ontwikkelingen te zien in het menselijke gedachtengoed. Op de miniaturen in handschriften loopt Hij rond als de grote Schepper, keurig verdeeld over zeven plaatjes. Deze verdwaalde, dolende regisseur staat soms met zijn rug half naar de kijker, om het probleem te vermijden hoe Hij in godsnaam moest worden uitgebeeld. In het kader van de stedelijke positivering van arbeid, geboren binnen een nieuw type economie, durft een enkele kunstenaar Hem de attributen van een handwerksman te geven. Dan doet Hij Zijn scheppingswerk met hamer en troffel. De renaissance zal dit beeld in grote uitbundigheid voortzetten door van God een ware architect te maken, compleet met passer en meetlat.
Dat durft men in de middeleeuwen niet goed aan. Tenslotte was er ook het gebod dat dicteerde dat men zich geen afbeeldingen zou maken van het Allerheiligste. Misschien werkte ook dat in op die onthutsende vlucht naar Jezus, die aan het eind van de middeleeuwen menselijker wordt dan ooit. Hij schreeuwt het uit van de pijn tijdens de martelingen en aan het kruis. Ook huilt hij, de tranen staan dik op zijn wangen. En hij spartelt tegen wanneer zijn gemaltraiteerde lijf, besmeurd met vegen bloed, wordt uitgerekt op de nog liggende dwarslatten om het op de juiste lengte te brengen.
Steeds is het de bedoeling om de kijker of lezer met deze horror uit te dagen tot het mede ondergaan van dit onmenselijke lijden. Zou jij, mens, niet schreeuwen van zulke pijn? Daarom moeten we worden bewogen om ons zo verregaand mogelijk te identificeren met die uiteengetrokken Verlosser. Voel de schurende pijn wanneer er repen vel van je huid worden getrokken. Proef stervend de azijn van een verkoelend ogende spons. Stel je voor hoe nog vlak voor je dood je zijde wordt opengescheurd met een lans. En bedenk dan, dat hij al die kwellingen vrijwillig onderging om ons van al onze schulden te verlossen. Alles wat wij hebben misdaan, laadde hij op zijn schouders. En daarvoor is hij gestorven. Is dat niet het hoogste wat iemand voor een ander kan doen?
Zo leidde de uitbeelding van uiterst menselijk gedrag bij hevig lijden juist weg van wat mensen zo benepen maakte, aards, gebonden aan zichzelf en niet in staat tot enige transcendentie. Op die manier vormde de Zoon de ware brug tussen het meest aardse en het hoogst goddelijke, een brug die zelfs voor de simpelste sterveling de eeuwigheid begaanbaar moest maken.
Die groeiende behoefte om de ongrijpbare God in de gedaante van Zijn Zoon te presenteren kon ook andere wegen inslaan. Soms is daar in eerste instantie weinig van te begrijpen. Nog begrijpelijk is dat men in het kader van al die vermenselijking ook wilde beschikken over taferelen uit Jezus’ jeugd. Weliswaar vertelden de evangelien daar weinig over, maar de lacunes waren in de eerste eeuwen van het christendom ruim opgevuld met (quasi-)getuigenissen over Jezus’ leven.
Op grond van dergelijk materiaal wordt hij in de late middeleeuwen meermalen voorgesteld als een soort etterbak, een uiterst onaangenaam jongetje dat zich ronduit misdraagt. Zijn vriendjes jaagt hij de dood in door ze tot miraculeuze spelletjes te verleiden waar hij alleen maar goed in is, zoals het lopen over water of zonnestralen. Volwassenen die hem een duimbreed in de weg leggen straft hij onmiddellijk met de dood. Een enkele keer wekt hij ze weer tot leven om zijn moeder Maria een plezier te doen, aangezien ze bijna lijfelijk wordt bedreigd door de buren vanwege dat geklier van haar Zoon.
Wat kan hiervan toch de betekenis zijn? Slaat de drang tot allermenselijkste uitbeeldingen van God door? Dat zou betekenen dat men Hem ook in zulke dimensies wil presenteren, om maar duidelijk te maken dat niets menselijks Hem vreemd was. Maar omdat Hij toch God blijft, is Zijn menselijkheid in elk opzicht extreem, of het nu om het goede gaat of het kwade. En tevens zou Zijn offer een extra accent krijgen, ook in dit opzicht een bovenmenselijke krachttoer, aangezien Hij eerst tot inkeer moest komen na al dat misbruik van Zijn bijzondere gaven tijdens zijn jeugd.
Bizar blijft het. Dat geldt ook voor de uitbeelding van de goddelijke seksualiteit. Moeder Maria en grootmoeder Anna spelen geregeld met Zijn goddelijke geslachtje, dat Hij op latere leeftijd ook zelf nogal eens beroert. Suggesties van menselijk gedrag? Ongetwijfeld, maar verwijzingen naar vruchtbaarheid in spirituele zin zijn niet afwezig. Aan het kruis of bij de afname daarvan bezorgen sommige schilders Hem een erectie, die opbolt onder Zijn lendendoek. Ook hier speelt meer dan een betekenis een rol. Er wordt niet alleen nogal bruusk verwezen naar Zijn komende wederopstanding, maar ook naar de realiteit van de menselijke conditie bij een executie: men overschrijdt de drempel met een zaadlozing.
MEN HOEFT NIET christelijk te zijn om in God te geloven. Voor de meeste mensen roepen de middeleeuwse God en de toen uitgevonden godsdienst nu weinig meer op dan gedachten aan folklore. Desalniettemin worden heel wat mensen nog steeds beheerst door de gedachte dat er een bestemming moet zijn in het aardse leven, een doel, een centrale gedachte, zelfs een regelende instantie. In de middeleeuwen heette dat allemaal God. Die kennelijk onbedwingbare hang naar zin en zingeving geeft ook in een ontkerstende wereld oordelen over het ‘zinloze’ geweld in Bosnie. Het kan toch de bedoeling niet zijn om elkaar uit te moorden in dienst van even ego- als etnocentrische idealen?
Maar wat is dan wel de bedoeling? In de middeleeuwen wordt daarover niet getwijfeld, wel over de middelen en wegen om dat doel te bereiken, waarbij men elkaar over en weer van heterodoxie en ketterij beschuldigt. Toch is het benoemen van de zijns- en bestemmingsvraag in termen van een heilssysteem vol ritueel en goddelijke personages in aardse uitdossingen weinig meer dan een oppervlaktekleed van het vraag- en antwoordspel, dat de mens in alle tijden en culturen blijkt te beheersen. Of anders gezegd, de God in deze zo rap ontkerkelijkte wereld heet nu Zin, Ontwikkelingshulp, Toekomst. Dat maakt de middeleeuwen met die ogenschijnlijk zo oubollige God aanzienlijk minder naief. Zeker als we bedenken dat ook de ongrijpbare aids, kernenergie en schizofrenie tot de moderne afsplitsingen behoren, die we evenzeer omringen met de rituelen van wetenschap en woorddienst.
God gaat nooit dood. Alleen neemt Hij steeds andere gedaanten aan. En dat is allemaal in de middeleeuwen begonnen.