Kunst & identiteit: Kader Attia

De geschiedenis als fantoompijn

Het Westen lijdt aan een vorm van culturele amnesie, vindt de Frans-Algerijnse kunstenaar Kader Attia. Met zijn werk naait hij de geschiedenis weer aan elkaar.

Medium dsc3001
Kader Attia, Arab Spring, performance, Art Basel, 2015 © Art Basel

In de tentoonstelling van Kader Attia in het SMAK in Gent is alles welbeschouwd kapot. En houtje-touwtje weer in elkaar gezet: de kunststof behuizing van een scooter wordt bijeengehouden door een stuk karton, een gespleten blok hout door stukjes ijzer. Stapels doeken liggen als pakketjes gevouwen op witte sokkels, op zo’n manier dat de reparaties boven zijn komen te liggen. Draden in grove steken lopen als stevige, maar weinig subtiele hechtingen door de stof. Het geheel heeft iets weg van een uitdragerij, maar dan met veel witregels tussen de spullen, een curieuze verzameling van opzichtig herstel.

Wie zich verdiept in de wereld van Kader Attia komt terecht bij schrijvers als Édouard Glissant en Frantz Fanon, bij het Manifesto Antropófago van Oswald de Andrade, waarin de dichter schreef dat Brazilië alleen van haar Europese erfenis af kan komen door haar te kannibaliseren. Zelf schreef Attia onder meer een lijvig boek over het idee van repair, het repareren van de geschiedenis. Kloven tussen culturen en continenten kunnen overbrugd worden door actief te repareren, door te naaien en te timmeren net zo lang tot er een nieuwe vorm ontstaat voor de toekomst. De naden en littekens van de uitgevoerde reparatie mogen getuigen van de geschiedenis.

The Repair from Occident to Extra-Occidental Cultures (2012) was de titel van de inmiddels befaamde installatie die Attia maakte voor Documenta 13. Hij projecteerde een slideshow met afbeeldingen van gewonde soldaten uit de Eerste Wereldoorlog tussen stellingkasten die hij inrichtte met sculpturen van beeldhouwers uit Senegal. Die vroeg hij om de soldaten, de zogenaamde gueules cassées (‘gebroken smoelen’), als sculptuur te herscheppen, uit hout van ongeveer dezelfde leeftijd als de mensen. Een anomalie? Nee, de oorlog bestond evengoed in Afrika, in de koloniën.

Geboren in Frankrijk en opgegroeid in Algerije en in een buitenwijk van Parijs belichaamt Attia zelf de kloof die hij zichtbaar wil maken. Zijn werk kreeg de prestigieuze Prix Marcel Duchamp en is deze zomer opgenomen in een dozijn tentoonstellingen tegelijkertijd, wereldwijd. Ik ben benieuwd naar zijn visie op de discussie die eerder dit jaar hoog opliep rond een schilderij, over het beeld van een zwarte jongen, Emmett Till, bruut vermoord in de jaren vijftig, dat nu geschilderd was door kunstenaar Dana Schutz. De term cultural appropriation kwam op tafel, met de vraag of die witte kunstenaar van de tragedie van die zwarte jongen af had moeten blijven. Tills gezicht ligt op haar schilderij aan flarden, zijn kaak steekt in dikke lagen verf uit het doek – net als die van de soldaten in het werk van Attia.

Attia heeft de discussie gevolgd maar vindt het de moeite niet om er woorden aan vuil te maken. Hij spreekt vanuit zijn studio in Berlijn in rap Engels met een Frans accent, waar woorden soms even achter blijven haken voor hij doorgaat naar een volgende snelle zin. De discussie over appropriation is volgens hem een typisch symptoom van een kunstwereld die alleen naar zichzelf kijkt, die is vastgelopen in een zelfzuchtig debat. Wat hem liever bezighoudt, vertelt hij in één adem door, is de recente verkrachting van een jonge immigrant van Afrikaanse afkomst in Parijs, naar verluidt met een wapenstok door de Franse politie. Dat is een vorm van geweld tegen het zwarte lichaam die vandaag plaats heeft, en waar een groot deel van de Franse maatschappij tegen in opstand kwam, niet de kunstwereld.

U heeft wel gezegd dat het Westen lijdt aan een vorm van ‘cultural amnesia’. Denkt u dat appropriation wel een valide middel kan zijn om ons te helpen herinneren?

‘Het besef van amnesie is belangrijk in een wereld die zo overspoeld wordt door massamedia, die elke dag, elke seconde zo veel nieuws produceren dat wat hot is vandaag over een week al niet meer interessant zal zijn. Het probleem daarbij is dat we alleen nog in het moment denken, in het ogenblik. We worden één met de vlechten van data die we verzamelen. Natuurlijk verdwijnen die gegevens niet zomaar, maar ze lossen wel op in een parallelle dimensie. Daarom denk ik dat het belangrijk is om te blijven kijken naar de geschiedenis: we moeten het niet aan de machthebbers, aan de overheid, overlaten om die te schrijven. Dat vraagt om een vorm van re-appropriation, in plaats van appropriation.’

Neem bijvoorbeeld het lichaam van minderheden, vervolgt hij, van zwarte mensen of van vrouwen. Daar loopt een constante lijn van geweld langs, vanuit de koloniale geschiedenis tot aan vandaag toe, die na elk afzonderlijk incident toch weer uit het nieuws verdwijnt. Daarom nodigde hij de ouders van de verkrachte jongen uit om te spreken in La Colonie, een ruimte nabij Gare du Nord waar Attia kunst, muziek en discussies programmeert rond de verhalen van minderheden. ‘Dus ja, ik denk dat het belangrijk is om naar de geschiedenis te kijken, maar op een manier die iets zegt over de tijd waarin we nu leven. Wat ik wantrouw, en zie als een valkuil, is blijven hangen in representatie – en dat is wat een schilderij uiteindelijk is, een representatie.’

‘De wereld waar we vandaag in leven is mogelijk gemaakt door wat we in het verleden hebben vernietigd’

Zelf gebruikt u voor uw kunst afbeeldingen van gewonde soldaten uit de Eerste Wereldoorlog. Wat zeggen zij over de wereld van nu?

‘Wat mij fascineert aan de Eerste Wereldoorlog is hoe het lichaam er terechtkwam in een grootschalig machtsproces, met de vernietiging van het individu als gevolg. We hebben het over soldaten die met duizenden tegelijk werden gerekruteerd en stierven met miljoenen. En de paradox in de techniek van deze in wezen klassieke strijd: 1914 staat nog heel dicht bij de negentiende eeuw, maar de techniek leverde al totaal disproportionele wapens, extreme krachten die naast het menselijk lichaam kwamen staan.’

Attia ontdekte dat de reparatie van het lichaam van cruciaal belang was voor alle betrokken partijen: ‘Ze waren verwikkeld in een lange oorlog waarin op de eerste plaats de wetenschappers streden om de macht, de belofte van de superioriteit van de wetenschap wilden inlossen. Ik denk dat gedurende deze oorlog de mensheid net zo veranderde als tijdens de Renaissance, maar dan nog sneller en luidruchtiger bovendien. We hebben vandaag alleen niet genoeg afstand om dat te overzien.’

Anderzijds werkte de wetenschap nauw samen met de kunsten: wanneer mensen gewond raakten, soldaten hun gezicht verloren, waren er kunstenaars die de protheses maakten, die missende heupen of kaken uit mallen konden leveren. En er was de nieuwe wetenschap van de geest, de psychiatrie en psychoanalyse. Want gewond raken is één ding, zegt Attia, thuiskomen als een monster is nog iets anders. ‘Dat is de reden waarom ik de afbeeldingen van deze soldaten hergebruik. Ik wil erop aandringen, een beetje als in de film J’accuse van Abel Gance (uit 1919 – rvdl), dat de wereld waar we vandaag in leven mogelijk is gemaakt door wat we in het verleden hebben vernietigd.’

We leven in een ‘gestoorde’ wereld, zegt Attia, en het is belangrijk om de breekbaarheid van vrede te onderstrepen. Waar we een eeuw geleden toe in staat waren, kunnen we nog steeds. ‘Deze soldaten zijn voor mij de belichaming van de eerste paradox van de moderniteit: de superioriteit van de wetenschap en de kunst versus de ontwikkeling van wapens die veel meer kunnen dan de mens nodig heeft.’

Medium kader attia re%cc%81parer l invisible installation s.m.a.k. 2017 hugard   vanoverschelde 20
Kader Attia, Cultures Are Following the Same Animal #1, 2014. Opgezette antilopekop en Afrikaanse stok in antiek hout. Réparer l’invisible, installatie, SMAK, 2017 © Hugard & Vanoverschelde

Attia’s nieuwe film Réfléchir la mémoire, waarvoor hij de Prix Marcel Duchamp kreeg, handelt over fantoompijn. Verstilde opnamen van mannen en vrouwen blijken gemanipuleerd door een simpele truc: een spiegel naast hun lichaam die een missende arm of een been terug aan hun lichaam zet. Op het oog zijn ze gemaakt, maar even onbruikbaar als een scooter van karton. De film draait in Gent in de laatste zaal, als de grootste uitdaging van de herstelwerkzaamheden: geen gebroken object, maar een afwezigheid die een onzichtbare pijn veroorzaakt.

Attia kwam op het idee voor de film toen hij na Documenta nog eens keek naar de soldaten en de gerepareerde objecten en naast de overeenkomsten ook een belangrijk verschil zag. In sommige culturen wordt een reparatie uitgevoerd met materiaal dat de verwonding alleen maar zichtbaarder maakt, zoals de grof aan elkaar genaaide kalebassen uit Afrika die in zijn werk opduiken, wat hij noemt ‘antimoderne’ objecten. Daarnaast staan de reparaties uit het Westen die een object terug willen brengen in de oorspronkelijke staat. ‘Maar nadenken over het idee van een reparatie is niet mogelijk als er niet ook een verwonding zichtbaar is.’

‘Ik denk dat we gebrainwasht zijn door het dogma dat in moderniteit alles een beweging naar voren moet zijn’

Dat leidde hem naar de psychoanalyse en het idee dat een analyse geen proces van genezing is – je wordt nooit beter na psychoanalyse – maar iets wat je helpt om iets beter te begrijpen, om te leven met een trauma, om te leven met een spook. ‘Fantoompijn is op de eerste plaats een fysiek fenomeen, na het verlies van een arm of een been kan iemand de aanwezigheid nog maanden, soms jaren voelen, en ik begon me af te vragen of de verdwijning van een geliefde, van een familie, van een hele gemeenschap of een maatschappij eenzelfde soort stilte kan achterlaten, een luidruchtige stilte. Zou het zo kunnen zijn dat die afwezigheid naast ons is blijven lopen, als een fantoomledemaat?’

Een aantal jaren geleden zag ik Attia glazen ruiten ingooien, met stenen, tijdens een performance op kunstbeurs Art Bazel. Een grote ruimte vol met lege vitrines ging er aan diggelen: het was een heropvoering van de plundering van het Egyptisch Museum in Caïro tijdens de Arabische lente. In de dagen na het optreden dwaalden bezoekers tussen de glasscherven door.

Kan de opzettelijke vernieling van een object, of zelfs van een hele cultuur, ook het begin zijn van een reparatie?

Attia denkt even en antwoordt dan resoluut bevestigend: ‘Ik denk dat processen van destructie ook processen van reparatie zijn. De grote valkuil van de geest is om reparatie altijd als een modern proces te zien: het woord “reparatie” komt van het Latijnse reparare, teruggaan naar de oorspronkelijke staat. In lijn met wat Foucault zegt in Les mots et les choses denk ik dat we gebrainwasht zijn door deze manier van denken, door het dogma dat in moderniteit alles een beweging naar voren moet zijn. Dat als je iets repareert, je iets verbetert.’

Een aantal jaren geleden verdiepte hij zich in de discussie rond zwarte gaten in de ruimte, vertelt hij dan. In Stephen Hawking die zei dat zwarte gaten enorme velden van zwaartekracht zijn die alles in zich opnemen en vernietigen. En in Leonard Susskind, die twintig jaar later beweerde dat de gaten in hun alles opslokkende kracht ook groeien en stof en straling uitstoten. ‘Het voorbeeld dat hij hierbij gaf was zo simpel: probeer maar eens een koffiekopje te vullen met behulp van een brandweerslang: het water zal alle kanten op spatten.’ Iets wat alles vernielt, redeneert Attia, stoot in zijn vernietiging stof af dat kan leiden tot nieuwe melkwegen.

In een van de zalen van de Biënnale van Venetië nam ik deze zomer plaats op een berg kussens in een tent van de Braziliaanse kunstenaar Ernesto Neto, geïnspireerd op een ceremoniële ontmoetingsplaats van de Huni Kuin, toen een groep Aziaten de gids vertelde dat dit een typische vorm van Afrikaans leven was. De samenstellers van de biënnale, die nog tot eind november loopt, en ook die van Documenta in Kassel, tot half september, doen een opvallende poging tot inclusiviteit. Tientallen kunstenaars werden uit de obscuriteit van de kunstgeschiedenis – en daartoe niet zelden uit hun graf – gelicht, vele anderen kwamen uit voor de kunst onbekende streken. De tentoonstellingen waren inspirerend, er viel veel te ontdekken, maar tegelijkertijd op het randje van een nieuw kijken naar de Ander.

Attia is een van de deelnemers aan de biënnale, met zijn werk vlak naast die tent. Heeft hij het gevoel dat de kunstgeschiedenis gerepareerd wordt?

Attia ziet dat er een poging tot reparatie wordt gedaan, maar plaatst meteen twee kanttekeningen. Allereerst dat die ontwikkeling gezien moet worden in een constante flux van reparatie, in de golf van opbouw en vernietiging die ons bestaan definieert. En daarop aansluitend, dat de kunstgeschiedenis in dat proces altijd een bijzondere positie heeft ingenomen. ‘In de negentiende en vooral twintigste eeuw bestond er een nauwe relatie tussen de avant-garde en oorlogsconflict. Ze stonden nooit los van elkaar: een sterke avant-garde ging samen met een sociaal of politiek klimaat voor conflict. Heel interessant is dat de avant-garde een aantal keer ook vóór de oorlog zichtbaar was.’ Attia spreekt van een haast ‘sjamanistische’ gevoeligheid van kunstenaars, van dichters, die maakt dat goede kunst haar tijd vaak vooruit is – een voorafschaduwing van wat komen gaat.

Met zijn bijdrage aan de biënnale hoopt hij een gooi te doen naar die gevoeligheid, naar de emotie die hij als de volgende en meest urgente stap in de reparatie voor deze tijd ziet. Hij windt zich op over de intellectuelen die in de jaren zestig en zeventig nog zo zichtbaar in het debat waren en van zich lieten horen, over Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir die demonstreerden tegen de oorlog in Algerije, over Michel Foucault, die helemaal niet van demonstreren hield maar toch de straat op ging, over Angela Davis en Jean Genet. In de jaren tachtig en negentig werd het stil, sommigen stierven, sommigen aan aids, anderen werden ‘lui, of neoliberaal’, lieten zich betalen door de rijke Amerikaanse universiteit. Hun stemmen, hun emoties, zijn we vandaag verloren aan de populisten, zegt Attia, en net als bij de intellectuelen somt hij een rijtje huidige wereldleiders op, met aanzienlijk minder enthousiasme. ‘Ik denk dat elk lichaam emotie nodig heeft om te helen, van zijn eigen trauma, van zijn problemen en spoken, wat Aristoteles in het theater de “catharsis” noemde. Emotie maakt ook een belangrijk deel uit van creatie.’

Die loutering van geest en lichaam is nu in handen van de populisten, een terrein bij uitstek dus om te heroveren. Attia’s werk op de biënnale heet Narrative Vibrations en speelt zich grotendeels af in een donkere ruimte met tv-schermen aan de wand. Sokkels op de grond houden gele korrels gevangen onder een plastic kap. Een van de schermen springt aan en het beeld van een zangeres uit de Arabische wereld, soms lang vergeten, voor de westerse kijker meestal onbekend, verschijnt. Ze zingt haar lied en op de tonen van haar stem beginnen de korrels – couscous zo blijkt – te dansen, in een uniek patroon op de melodie. Attia heeft de stem van deze zangeres er opnieuw een ‘aanwezigheid’ mee willen geven, en een beweging, zodat de mensen, het volk, de emotie weer kunnen voelen. Verderop toont hij een film waarin drie personen voorlezen uit het werk van de Marokkaanse dichter Rachida Madani. De stem, zegt Attia, is een bijzondere eigenschap van de mens, een natuurlijk instrument in de wereld. Natuurlijk hebben we de wetenschap, beschikken we over hulpstukken. Maar niets zo fijnbesnaard als de mens.


Kader Attia – Repairing the Invisible, tot 1 oktober in het SMAK in Gent, België; smak.be. De Biënnale van Venetië loopt nog t/m 26 november; labiennale.org