De geschiedenis als opera

Thomas Pynchon, Mason & Dixon. Uitgeverij Henry Holt and Company, New York 1997, 773 blz., 348,50
JARENLANG BLEEF hij onzichtbaar en liet hij de sterke verhalen over zijn leven en literatuur voor wat ze waren: geen interviews, geen publieke optredens, geen foto’s, niets, alleen zijn werk. Thomas Pynchon bestond in zijn romans, daarbuiten was er niemand. En die romans, waaronder V. (1963) en Gravity’s Rainbow (1973), behoren tot het beste wat de naoorlogse Amerikaanse literatuur te bieden heeft.

Maar wat een verrassing was het toen The Guardian begin dit jaar een discreet, van elke sensatielust ontbloot artikel publiceerde met een foto waarop Thomas Pynchon met een jongetje stond afgebeeld, beiden met hun rug naar de kijker. De zoveelste mystificatie? Nee, Pynchon wandelde heel doodgewoon met zijn zoontje door de straten van zijn woonplaats New York. De werkelijkheid kon nog prozaïscher: Pynchon bleek getrouwd te zijn met de literair agente Melanie Jackson.
Een maand geleden kreeg ik een advance reading copy van Pynchons lang verwachte nieuwe megaroman in handen: Mason & Dixon. Daarin stond het stempel, compleet met adres, van het Melanie Jackson Agency. Pynchon draagt zijn vijfde roman aan haar op: ‘For Melanie, and for Jackson’. Grapje? Of heet zijn zoon Jackson? Het doet er niet toe. De mythe Thomas Pynchon is geen mythe meer.
Wat blijft er over? Zijn teksten, zijn weergaloze nieuwe roman, die op 30 april in de Verenigde Staten werd gelanceerd. En dat bedoel ik bijna letterlijk, want als ik me niet vergis zal Mason & Dixon de literatuurgeschiedenis ingaan als Pynchons V-4, indien we tenminste V., Gravity’s Rainbow en Vineland (1990) als zijn V-1, V-2 en V-3 beschouwen - en dat is inhoudelijk aannemelijk te maken. Vineland, waarin Pynchon met satanisch plezier de zogenaamde revolutionaire jaren zestig aan een meedogenloos literair onderzoek onderwerpt, blijkt na lezing van Mason & Dixon een vingeroefening te zijn geweest, een tussendoortje voor het grote werk: een historische roman die de geschiedenis van Amerika in een heel ander daglicht stelt, zelfs lijkt om te keren. Thomas Pynchon belicht de nachtzijde van de historie, dat wat niet in de geschiedenisboekjes staat: de dromen, nachtmerries, achtervolgingswaanzin, wanhopige galgehumor en fantastische projecties van de menselijke soort, die voortdurend in de weer is zinloze en betekenisloze grenzen (want alles en iedereen verschuift onophoudelijk) vast te stellen tussen goed en kwaad, een onzichtbare lijn te trekken tussen ongrijpbare grootheden.
Mason & Dixon is een literaire gebeurtenis, een kolossaal boek dat de grenzen van het genre 'historische roman’ oprekt en zijn schijnbaar onuitputtelijke mogelijkheden op virtuoze wijze beproeft. Mason & Dixon kan de vergelijking met Pynchons meesterwerk Gravity’s Rainbow glansrijk doorstaan. De geschiedenis wordt een ware opera vol metamorfosen in de handen van Thomas Pynchon.
DE ASTRONOMEN en landmeters Charles Mason (1728-1786) en Jeremiah Dixon (1733-1779) zijn de legendarische hoofdpersonen in Pynchons opus magnum. In de geschiedenis van de Verenigde Staten staan ze bekend als de naamgevers van de grens tussen Pennsylvania enerzijds en Maryland, Delaware en West-Virginia anderzijds: de Mason-Dixonlijn. Die grenslijn werd tussen 1763 en 1767 - toen het nauwelijks opengelegde Amerika nog een Engelse kolonie was - door de twee Britten getrokken.
Volgens de geschiedenisboekjes en de encyclopedieën werd die grens beroemd doordat hij de scheiding tussen 'vrije’ en slavenstaten zou aangeven; níet de grens tussen Noordelijke en Geconfedereerde Staten in de Amerikaanse Burgeroorlog van een eeuw later, omdat Maryland en Delaware toen in de Noordelijke Unie bleven.
Maar Pynchon trekt zich in zijn historische roman over 'dood, ballingschap en verlies’, een waar spookverhaal in de rijke traditie van de gothic novel, niets aan van die officiële lezing. Een van de kampioenen van de gedaanteverandering in Mason & Dixon, kapitein Zhang alias P. Zarpazo alias Lord van de Zero, zegt het op een dodelijk relativerende en politiek incorrecte wijze: 'Als u geen slaven in Pennsylvania denkt te zien (…), nou, kijk dan maar goed. Ze zijn niet allemaal Afrikaans, en sommigen van hen weten het zelfs nog niet - misschien wel nooit - dat ze slaaf zijn. Aan deze kust is de slavernij een hele oude bekende, nergens rust onschuld op die praktijk, onder de Indianen noch onder de Spanjaarden, en ook de rest van het christendom gedraagt zich als het erop aankomt niet anders.’
Slaven zijn overal: in Zuid-Afrika onder de Hollanders, op St. Helena en in Amerika. Slaven, loonslaven, sloofjes, huurlingen, iedereen wordt gebruikt, misbruikt, voor karretjes gespannen. Maar door wie? Laten we het een onzichtbare samenzwering noemen die van iedereen en alles marktwaar maakt, een grenzeloze macht die met niemand een coalitie aangaat en een eigen leger en marine heeft. Is het de Vereenigde Oostindische Compagnie, die in het eerste deel van Mason & Dixon zo'n grote rol speelt? Zijn het de hecht georganiseerde jezuïeten? Franse spionnen? Een Chinees complot? Iedereen heeft wel zijn eigen onzichtbare achtervolger. Als het niet 'schuld en boete’ zijn, dan zeker wel een niet verwerkt verlies.
Het doet er niet toe wat waar, bewijsbaar of aanwijsbaar is in de Pynchon-wereld; het gaat erom wat men gelooft, verzint, fantaseert, droomt, compleet met monsters (pratende honden, torpedo’s, onzichtbare eenden, draken, golems). Pynchon situeert zijn roman vol wetenschappelijke wetenswaardigheden over astronomie, tijdberekeningen en historische 'feiten’ dan wel in het tijdperk van de Verlichting (Voltaire duikt enkele keren op), zijn personages, hoe geleerd ook, laten zich uiteindelijk toch leiden door wat ik maar 'het onzichtbare’ noem.
Die onzichtbaarheid neemt in Mason & Dixon vele gedaanten aan. Overal doemen dingen, dieren en menselijke gestalten op die er eigenlijk niet zijn. Allereerst is daar de nogal onnatuurlijke, kaarsrechte grenslijn die Mason en Dixon met behulp van astronomische kennis trekken. Die lijn blijft natuurlijk onzichtbaar (alleen kinderen denken dat een grens een stippellijn is; die is immers op de kaart te zien!). Ook het verleden is aan de blik onttrokken, hoewel Mason achtervolgd wordt door beelden van zijn overleden vrouw Rebekah. Hij staart naar de sterrenhemel en neemt de bewegingen van Venus waar, maar hij kijkt als het ware naar het verleden. Hij ziet iets wat er in feite niet meer is. De tijd is een ruimte die niet wordt gezien.
Bovendien is daar de Amerikaanse politiek, die zich vooral achter de schermen afspeelt. Ook zijn er de Indianen die als onzichtbare, dreigende schimmen lijken rond te dolen in een gebied dat ze stukje bij beetje zal worden afgenomen. Zijn zij de verloren stam van Israel?
PYNCHONS voorliefde voor de cirkels, bogen en andere rondingen (de nul) en zijn visie op de tijd als een circulaire eenheid koppelt hij in deze roman aan de opvattingen van de Amerikaanse Indianen over tijd: 'In het woud (…) komt iedereen vroeger of later in een cirkelgang terecht. Op een dag zet je je voet in je eigen stront. Dat is de eerste stap op het pad naar de wijsheid.’
Maar wat werkelijk eeuwenlang verborgen is gebleven, is Amerika zelf, ondanks de landing van de Noormannen in 'Vineland the Good’. Het land liet zich maar langzaam ontsluiten. Zoals kennis achtergehouden wordt, zo was ook Amerika een geheim, ook voor de mensen die daar rijk wilden worden, de politieke en religieuze vluchtelingen, de avonturiers. 'Die “Nieuwe Wereld” was ooit een geheim gebied van kennis, bedoeld om met dezelfde toewijding bestudeerd te worden als de Hebreeuwse Kabbala dat eist. De vormen van het land, de loop van het water, het voorkomen van wat men vroeger wonderen noemde; het is allemaal tekst - om aandacht aan te schenken, om gemanipuleerd, gelezen en herinnerd te worden.’
Zoals alle boeken van Thomas Pynchon speelt ook deze roman zich in verschillende werelddelen af en hebben niet de minste historische figuren een rol (in deze roman onder anderen George Washington en Benjamin Franklin, 'onze Amerikaanse Prometheus’). De door en door Amerikaanse vertelling komt tot ons via de omweg van Zuid-Afrika, waar Mason en Dixon de transitie van Venus bestuderen, dat wil zeggen: observeren hoe en wanneer ze voor de zon schuift.
Pynchon stelt de steile Hollander Cornelius Vroom met zijn dochters Jet, Greet en Els aan ons voor en serveert een verhaal vol hypocriet zondebesef. De drie gezusters volgen het liefst de weg van het wellustige vlees in dit land van apartheid waar vrouwelijke slaven zich niet uit verlangen aanbieden aan Mason en Dixon, maar om kinderen met een lichtere huidkleur te kunnen krijgen, die meer waard zijn op de markt. 'Dutch Ado About Nothing’, laat Pynchon iemand opmerken. Niets? Is alles nutteloze strijd geworden nadat God zich heeft afgekeerd van de mensen? Is de kern van de geschiedenis wanhoop? Of mag de mens nog iets hopen?
HET ZIJN VRAGEN die van belang zijn in Mason & Dixon, niet in de laatste plaats door de vorm waarin Pynchon zijn vertelling, een Herodotus-achtig web van rondtollende en door de hele wereld schietende avonturen, giet. Want het hele verhaal van de sterrenstaarders Mason en Dixon wordt verteld door de bereisde dominee Wicks Cherrycoke (what’s in a name in dit boek waarin verschillende verslavingen - koffie, tabak, hennep, taal - een rol spelen). Hij is de gast van zijn zuster Elisabeth en haar man, de opportunistische koopman-wapenhandelaar J. Wade LeSpark.
Als een Sheherazade blijft Cherrycoke honderden bladzijden lang aan het woord en leest hij voor uit zijn 'spirituele dagboek’ dat hij jarenlang heeft bijgehouden, om zijn twee neefjes (de tweeling Pitt en Pliny) en zijn nicht Tenebrae maar te amuseren. Want als hij zwijgt wordt hij zonder pardon uit huis gezet, in de winterkou van Philadelphia, vlak voor Kerstmis 1786, wanneer de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog is gewonnen en Dixon en Mason allebei gestorven zijn. A na een paar bladzijden noemt hij hun landmeterarbeid dapper en wetenschappelijk maar volkomen nutteloos. Hun titanenarbeid bleek al snel zonder betekenis, alleen al door het feit dat de Britse kolonie Amerika twintig jaar later het moederland de rug toekeerde. Net als de dagboekanier, biograaf en reizende schrijver James Boswell legde dominee Cherrycoke alles vast, ook al was hij niet steeds op de plek waar het gebeurde (Pynchon speelt met de rol van de alwetende verteller en laat de luisterende tweeling de meest ontwapenende en hilarische vragen stellen, in de trant van: 'Hoe weet u dat…?’). Hij beschrijft niet alleen wat Mason en Dixon overkwam, ook hun binnenwereld kent hij van buiten. Bovendien schrikt de dominee niet terug voor filosofische uitweidingen over 'Christus en de geschiedenis’, de zucht naar het Westen en de band tussen Engeland en Amerika. 'Wanneer zij slaapt, droomt Britannia dan? Is Amerika haar droom? - waarin alles wat niet doorkomt in de metropool van waakzaamheid ver weg mag worden uitgedrukt in de rusteloze sluimering van die provincies, die nog niet in kaart zijn gebracht of omschreven of ooit gezien door de meerderheid der mensheid - dienend als vuilnisbelt voor conjunctieve hoop, voor alles wat misschien nog eens waar wordt: het Aards Paradijs, de Bron van de Jeugd (…), het koninkrijk van Christus, immer achter de zonsondergang, veilig tot het volgende gebied westwaarts gezien, vastgelegd, gemeten en ingebonden wordt, weer terug in het netwerk van al bekende landpunten dat zich langzaam een weg trianguleert dieper het continent in, van conjunctief helemaal verklarend wordt en mogelijkheden terugbrengt tot simpelheden die de doelen van regeringen dienen, stap voor stap veroverd op het domein van het Sacrale, de grensgebieden, en ondergebracht in de sterfelijke wereld dat ons thuis is, en onze wanhoop.’
THOMAS Pynchon doet in zijn historische roman, zijn gothic novel waarin de spoken uit het verleden zich niets van Ratio of Wetenschap aantrekken, een indrukwekkende poging om De Onderwereld (om de titel van de in het najaar te verschijnen nieuwe roman van Don DeLillo te noemen) in kaart te brengen. Als de aarde de huid van de mens is, de tekst die in zijn vel wordt gekrast, dan is er in die aarde nog een lege ruimte, het innerlijk, waarin van alles gebeurt waarop de ratio of het verstand geen vat heeft. Daar vertoeven de demonen van onze dromen die wisselende gedaanten aannemen, daar zetelen de onbeschrijflijke angsten en verlangens naar macht, daar heersen vernietigingsdrift, gekte, woede en doodsverlangen, daar komen Eros en Thanatos samen.
Evenals Gravity’s Rainbow kan Mason & Dixon met een mandala worden vergeleken: een kruispunt of snijpunt van komplotten, samenzweringen, intriges en identiteiten. De parabolische boog die het vernietigingswapen V-2 in Gravity’s Rainbow in zijn vlucht maakt, symboliseert ziekte, dementie en destructie. In de mandalavorm houden tegenstellingen - destructie en creatie, hemel en aarde, geboorte en dood, oorlog en vrede, oost en west, yin en yang - elkaar in evenwicht. De cirkel is cruciaal.
Het is Pynchon te doen om het Amerika van de ziel, om de fantomen die de mens najaagt in zijn drang de wereld en de Faust in zichzelf te doorgronden. 'Wie is uniek? Wie is niet iemands anders bezit? Wat doet verlangen ertoe?’
Alles draait in en om cirkels, alles wordt op z'n kop gezet. De zwaartekracht werkt andersom ('Vertigo, they fall into the Sky…’), in de tijd vallen gaten en ontstaan schemergebieden, tussenrijken. Mason: 'In de tussentijd moet ik alleen verder, in een wereld die zo onecht is als die lege septemberdagen me toen toeschenen.’
MASON & Dixon is een roman waarin een wervelwind van verhalen over de bladzijden stuift. In het oog van de storm is het stil, daar zit het gat waar de lezer van alles in kan stoppen, als het niet zijn geloof in een god is, dan zijn geloof in de betekenis van teksten. Pynchon lijkt de lezer te waarschuwen. 'Te veel mogelijke verhalen. Misschien kom je tijd te kort om erachter te komen welk het juiste is.’ Is er geen Christus, geen redder, geen ridder die de Graal vindt? Blijft er niets anders over dan geestdodend amusement, verdoving, verslaving? Brengt technologie wel vooruitgang? Heeft de wereld geen betekenis, geen samenhang en is de enige plot een komplot?
De Pynchon-lezer kan niet om deze existentiële vragen heen.
Er is, tenslotte, nog het thema van de tweeling dat de roman extra gewicht geeft. Niet alleen is daar de luisterende tweeling Pliny en Pitt, Mason & Dixon vormen eveneens een onafscheidelijke 'tweeling’. En waren het niet de Indianen die ons vertelden dat de wereld ontstond omdat een tweeling ruzie kreeg, een bekvechten dat nog steeds voortduurt?
Vertel mij wat. Het lezen van Thomas Pynchon is een voortdurende zoektocht naar het antwoord op deze vraag: 'Is ours not the Age of Metamorphosis, with any turn of Fortune a possibility?’