Harry Mulisch: Siegfried

De geschiedenis herschrijven

In zijn nieuwe roman «Siegfried. Een zwarte idylle» laat Harry Mulisch zien dat de geschiedenis nooit af is. In elk geval niet voor een schrijver als hij.

God trekt wit weg bij de naam Harry Mulisch. Dat is al tijden zo, maar het wordt steeds erger. Nu met Siegfried. Een zwarte idylle. Eerst denkt de lezer dat hij de debuutroman van een romantische jongeling leest: die klakkeloze bewondering voor de Schrijver, de ongebreidelde idealisering van het Kunstenaar schap – het heeft wel iets weg van Lydia van Cor Vos.
Maar het is gewoon Harry Mulisch. Geef hem een paar opvallende jaartallen en enkele tot de verbeelding sprekende historische figuren, voeg daar bekende Mulisch-thema’s bij en zie: de geschiedenis wordt herschreven. Achteloos koppelt de Schrijver zijn elementen aaneen, buigt ze wat, schroeft en past, knipt en plakt en er is een Verhaal dat meer is dan een gewoon verhaal.
Harry Mulisch is de geschiedenis steeds meer naar zijn hand aan het zetten. Hij is alles naar zijn hand aan het zetten. Met De compositie van de wereld op de achtergrond is hij bezig ons universum opnieuw in te richten. Hemel en aarde, goed en kwaad, de elementen — Mulisch legt nieuwe verbanden, of in elk geval andere verbanden dan de bekende. Dat is gedurfd, dat is bewonderenswaardig megalomaan.
Alsof het niets is koppelt Mulisch in zijn nieuwe roman, Siegfried. Een zwarte idylle weer het een en ander aan elkaar wat voor normale mensen nimmer verbonden kan zijn. Daarbij ruimt hij voor zichzelf, of eigenlijk: de schrijver, een niet-onbelangrijke rol in. In Siegfried gaat de schrijver door middel van zijn hoofdpersonage Rudolf Herter een dappere queeste aan naar de ware aard van Adolf Hitler. Dat idee wordt hem geopenbaard wanneer hij op tournee is door Oostenrijk. Rudolf Herter is schrijver. Een groot Schrijver. Want Herter heeft eenzame hoogten bereikt in de jaren dat hij zijn oeuvre heeft doen groeien. Sinds zijn debuut, De vogelverschrikker (voor vrienden Archibald Strohalm) tot aan zijn magnum opus, De uitvinding van de liefde, heeft hij gebouwd aan een geniaal systeem van romans, verhalen en essays waarin er niets is dat niet iets anders aanraakt. Een oeuvre als een vlechtwerk, dat zo is uitgedijd dat het de wereld kan overspannen. Herters boeken zijn de geschriften van een profeet, een ziener, een godgelijk denker, en bieden antwoorden op vele grote vragen. Filosoof, theoloog, psycholoog en chemicus ineen is hij een moderne homo universalis.
Rudolf Herter is zich daarvan zeer bewust. Schaamteloos toont hij zijn trots als hij weer eens wordt vergeleken met Milton, Dante, Homeros en andere reuzen. Hij is er zelfs aan gewend geraakt. Hij verwacht niet anders dan dat mensen blij verrast zijn als ze hem zien, of dat ze bewonderend gadeslaan hoe hij praat. «Ook in haar blauwe ogen stond weer die glanzende blik van bewondering die hij zo goed kende (…)»
In Wenen geeft Herter een televisie-interview. Zijn gespreksgenote ondervraagt hem over de fantasie. Herters antwoord: «Ik bedoel dat een kunstzinnige fantasie van een of andere soort niet zo zeer iets is, dat begrepen moet worden, maar eerder iets is waarmee je begrijpt. Het is een werktuig. Ik probeer de zaak om te draaien.»
Dit brengt Herter op een idee. Ter plekke ventileert hij dat (geheel in tegenspraak met de voorzichtigheid die hij later betracht, denkende aan het rattige karakter van elkaar ideeën ontrovende schrijvers): Adolf Hitler, het enigma, het onbegrijpelijke kwaad zelf, kan wellicht begrepen worden middels de verbeelding. «Misschien is fictie het net waarin hij gevangen kan worden.».
Herters grote kracht is zijn verbeelding. Het is echter een toevalligheid (geheel in tegenspraak met wat Herter later doceert: toeval bestaat niet) die hem de sleutel biedt tot de oplossing van het raadsel-Hitler. Een echtpaar op leeftijd, meneer en mevrouw Falk, heeft zijn voorleessessie bijgewoond en komt na afloop bleu naar de meester toe. Ze hebben iets interessants te melden, menen ze.
Daar hebben ze gelijk in. Het verhaal dat de oudjes vertellen zet Herter in vuur en vlam. Eureka! Hier vindt hij het startpunt dat hij zocht om Adolf Hitler ‘in een proefopstelling’ te kunnen onderzoeken. Op zijn eigen manier: hem vangen in het net van de fictie.

Het echtpaar Falk is jaren in dienst geweest bij Adolf Hitler op de Berghof. Ze maakten hem en Eva Braun van zeer nabij mee. De man die achteloos miljoenen mensen de dood in joeg, bleek binnenshuis een zwak en moe sujet te zijn. Sterk genoeg echter om op een dag zijn liefde voor Eva bezegeld te zien met een zwangerschap.
Hitler had dus een zoon! Rudolf Herter schrikt van het verhaal. Het vervolg doet hem nog erger huiveren: na enkele jaren moet Sieg fried op bevel van zijn vader worden gedood.
En aldus geschiedt. Want een bevel van de Führer wordt altijd uitgevoerd.
Dit schokkende verhaal is voor Rudolf Herter het begin van de oplossing van zijn «probleem». Verder denkend komt hij uit op een punt waarop hij, als Harry Mulisch, enkele momenten uit onze geschiedenis aan elkaar knoopt en daar een sluitende verklaring bij weet te «ontdekken».
Herter vliegt hoog: Adolf Hitler werd verwekt op het moment dat het geestelijk verval van de filosoof Friedrich Nietzsche begon. «En toen hij negen maanden later geboren werd, bestond er geen Friedrich Nietzshce meer. Het brein waarin al die gedachten waren opgekomen, werd verwoest in de maanden waarin hun personificatie, nee depersonificatie foetaal groeide. Dat is mijn ontologische Nietsbewijs.»
Het is te ingenieus voor woorden wat Herter vervolgens construeert om Wagner, Nietzsche, Hitler, Siegfried en zichzelf aaneen te koppelen. De geschiedenis wordt opnieuw geschreven, en veel beter. Of, zoals de Nederlandse ambassadeur Schimmelpenninck zegt: «Meneer Herter is er weer eens in geslaagd, de werkelijkheid naar zijn hand te zetten.»

Zo is Siegfried. Een zwarte idylle natuurlijk in de eerste plaats een roman over het schrijverschap, of het kunstenaarschap. Rudolf Herter heeft nogal romantisch aandoende ideeën over aard en wezen van de schrijver. Hij is een genie, dat met ideeën een kunstwerk construeert als een metselaar met stenen een gebouw. Herter weet ongetwijfeld dat zijn schepper, Harry Mulisch, zijn wereld, die van de roman, als altijd zeer minutieus en doordacht in elkaar heeft gezet.
In dat licht is een opmerking tijdens de voordracht van Herter opvallend. Hij leest een passage voor waarin ook een droom wordt beschreven. «Na het applaus kwam Marte naast hem zitten en vroeg, om een begin te maken, waarom hij de droom in de voorgelezen passage in de tegenwoordige tijd had gesteld, terwijl de roman voor het overige in de verleden tijd was geschreven. Dat was natuurlijk een goede vraag, en zijn achting voor de jongeman met het ringetje in zijn oor steeg. Hij antwoordde dat hij dat altijd deed met dromen, al zo lang hij zich heugen kon, aangezien dromen net zo min als mythen historisch van aard waren.»
Herter denkt dat hij nog nooit een roman heeft geschreven waarin niet wordt gedroomd. «Een roman of een verhaal is niets anders dan een bewust geconstrueerde droom. Een roman zonder droom is zowel in tegenspraak met de mens, die niet alleen waakt maar ook slaapt, als ook met de aard van de roman.»
Op meta-niveau krijgt deze passage betekenis wanneer Falk vertelt hoe hij Siegfried, de Führer junior, doodt. De opmaat voor dat verhaal is deze zin (al het voorafgaande is in de verleden tijd gesteld): «Alsof ook Herter werd opgenomen in de duisternis achter die oogleden, waarin Falk het drama zich weer zag voltrekken, luisterde hij naar zijn zachte stem, terwijl hij het gevoel kreeg of Huize Eben Haëzer verzonk en hij door de woorden heen lijfelijk aanwezig is bij het vertelde, daar op die verdoemde, meer dan een halve eeuw geleden vernietigde plek, — alles ziet, alles hoort…»
Volgt het verhaal over de moord op Siegfried. In de tegenwoordige tijd. Het einde: «Hij sluit zijn ogen en laat langzaam het pistool zakken, tot de loop het roerloze lichaam raakt, terwijl hij denkt: — Niet ik heb hem gedood, Hitler heeft hem gedood. Niet ik, Hitler. Ik. Hitler.»
Het volgende hoofdstuk begint met: «Herter leunde voorover, zijn ellebogen op zijn knieën, zijn handen voor zijn ogen. Toen het stil bleef, keek hij op alsof hij uit een droom ontwaakte.»
Hier is de auteur er weer eens in geslaagd een werkelijkheid naar zijn hand te zetten.

Harry Mulisch
Siegfried. Een zwarte idylle
Uitg. De Bezige Bij, ƒ39,90