De geschiedenis is een lastpak

METEEN NA verschijning, in de eerste week van januari, van Toni Morrisons zevende roman Paradise brak de hel los. De New York Times plaatste twee recensies, een zeer negatieve van Michiko Kakutani op 6 januari (‘Waardige vrouwen, hopeloze mannen’) en een zeer positieve, met enige kritische kanttekeningen (‘Het beloofde land’) van Brooke Allen in de Book Review van 11 januari. En nu, ruim een maand later, is Paradise de best verkochte roman in de Verenigde Staten.

Maar waar gaat de roman over? Wat lezen de doorsnee lezers als de critici al zo hopeloos verdeeld zijn en elkaar tegenspreken over vormgeving, themathiek en zeggingskracht van Morrisons roman? Paradise gaat over de last van de Amerikaanse geschiedenis en de poging daar bovenuit te komen. De roman speelt zich af in de turbulente jaren zestig en zeventig (1968-1976) in een zeer gesloten, louter zwarte gemeenschap, het afgelegen Ruby in Oklahoma. Het gehucht met driehonderdzestig zielen ligt honderdvijftig kilometer van de bewoonde wereld, in een staat die een eeuw geleden door de erfvaders zo werd omschreven: ‘Oklahoma is een mengeling van Indianen, negers en God. En de rest is veevoer.’
In die twee zinnetjes schuilt de beladen historie van Amerika.
VIJFENTWINTIG kilometer buiten het dorpje Ruby ligt een 'klooster’, een oude school voor Indiaanse meisjes waar een aantal uit hun oorspronkelijke omgeving weggehaalde, gevluchte of weggelopen vrouwen onderdak heeft gevonden. Die heterogene, turbulente vrouwengemeenschap - zowel een zelfstandige economische eenheid als een relatief onafhankelijke groep bekvechtende, spirituele individualisten - wordt een steen des aanstoots voor het leiderschap van Ruby, de tweeling Deacon en Steward Morgan. Zij zijn behept met een geheugen dat teruggaat tot 1755, ver in de slaventijd. Volgens de geruchtenmachine is het klooster een bordeel, een broeinest van religieus-seksuele smerigheid, een abortuskliniek.
De roman begint met de aanval op het vrouwenbolwerk, waarna de lezer een reconstructie in negen delen en nog meer perspectieven krijgt aangeboden over hoe het zo ver heeft kunnen komen, zonder dat de veelstemmige roman een eenduidig antwoord heeft. Die delen dragen de voornamen van de vrouwelijke hoofdrolspelers in Paradise.
Dit is slechts de buitenkant van het gecompliceerde, genuanceerde, fragmentarische verhaal dat Morrison heeft geschreven. Michiko Kakutani bekritiseert die buitenkant als hij fulmineert tegen de vermeende boodschap van Paradise. Zijn grootste bezwaar is dat de vrouwelijke romanpersonages uit tweedimensionale clichés bestaan, uit dun wegwerppapier, en dat de strijd in het boek er een is tussen 'hengsten en merries’. De mannen zijn louter heethoofden die alles en iedereen eronder willen houden en vrouwen al snel zien als hoeren of heksen. Sula (1974), Song of Solomon (1977) en Beloved (1987) waren romans, aldus criticus Kakutani, waarin het historische en het mythische zich met elkaar vermengden en waarin het wereldse en het fantastische opgingen in een prachtig muzikaal prozamozaïek. Paradise is slechts een 'aardse hutspot, gespeend van zowel noodzakelijkheid als de meesterhand van de verteller’. Het verhaal heeft geen voeling met het 'echte leven’, maar wordt ook niet opgetild dankzij surrealistische beelden die de 'vreemdheid van de Amerikaanse geschiedenis’ contouren geven. Waarna Kakutani vluchtig, in een tussenzin, stilstaat bij Morrisons verteltechniek (snelle en talloze perspectiefwisselingen, verspringingen van verleden naar heden), zonder verder in te gaan op het verband tussen vorm en inhoud.
In de volgende zin vraagt hij aandacht voor haar 'didactische stem’, die ze in haar essay Playing in the Dark (1992) zou hebben gepraktiseerd en die in deze roman zou overheersen. En dan, na een reeks opmerkingen over de ongeloofwaardigheid van de plot (hoe kunnen zo veel vrouwen het verhaal binnenvallen als het zich afspeelt in zo'n godverlaten oord?) wordt de recensie boosaardig en leugenachtig.
TONI MORRISON waarschuwt in Playing in the Dark, een essay over de 'zwarte geest’ in de blanke Amerikaanse literatuurmachine, voor een gemakzuchtige vereenzelviging van schrijver, verteller en personage. Dat doet ze het nadrukkelijkst in een sterk betoog over Ernest Hemingway’s roman To Have and Have Not. Ze waarschuwt de politiek o zo correct denkende literatuursociologen om uitspraken van personages niet in de mond van de schrijver te leggen. Michiko Kakutani gooit niet alleen uit hun verband gerukte uitspraken van twee personages - de verlichte dominee Richard Misner en het jonge meisje Billie Delia - op één hoop, hij schrijft die zinnen over mannelijke haat, fixatie op het verleden en corrupt leiderschap (de dominee) en over Ruby als een achterlijk gat en uit de hand gelopen mannelijk leiderschap (Billie Delia) ook meteen maar toe aan Toni Morrison. Et voilà: de didactische stem van Toni Morrison.
Ik ga uitgebreid op deze recensie in omdat zij kenmerkend is voor een verderfelijke mentaliteit in de Amerikaanse academische wereld, die wordt gedomineerd door het virus van de politieke correctheid. Dat wat Toni Morrison bestrijdt in haar romans en essays, namelijk een simpele vereenzelviging van meningen in de literaire tekst met opvattingen van de schrijver, daar bezondigt Kakutani zich aan als een naïeve eerstejaars student letteren die biografie en tekstanalyse door elkaar klutst en vormgeving en structuur als ornamenteel beschouwt.
MICHIKO KAKUTANI schreef geen degelijke New York Times-recensie maar een stuk vol kwaadaardige stemmingmakerij. Brooke Allen mocht vijf dagen later een ander geluid laten horen. Paradise is 'waarschijnlijk’, zegt Brooke voorzichtig, de beste roman van Toni Morrison, ondanks haar tomeloze ambitie en haar neiging spectaculaire effecten in haar proza in te bouwen. Maar toch, als symboliste staat ze in de traditie van Eugene O'Neil en Ralph Ellison. Ik zou daar zelf Sherwood Anderson en William Faulkner aan willen toevoegen, omdat zij in Winesburg, Ohio (1919), The Sound and the Fury (1929) en As I Lay Dying (1930) eenzelfde losse structuur van perspectiefwisselingen hanteren, eenzelfde onderstroom van bijbelse allusies creëren (As I Lay Dying is een exodusverhaal, net als Paradise).
IN HAAR lezing The Dancing Mind (1996), uitgesproken ter gelegenheid van haar aanvaarding van de National Book Foundation Medal for Distinguished Contribution to American Letters, houdt Morrison een pleidooi voor 'de dans’ van twee open geesten, die van de lezer en die van de schrijver. Want pas in die dans krijgt het verhaal van de maker een betekenis.
Paradise is een zeer open roman, dankzij de ruimhartige hoeveelheid perspectieven of stemmen. De meningen die uit de verschillende monden komen, vallen niet noodzakelijkerwijs samen met wat de schrijver te berde wil brengen.
Voor mij is Paradise een historische roman over de jaren zestig en zeventig die, hoe paradoxaal dat ook klinkt, een pleidooi wil zijn voor het overboord gooien van veel historische ballast die het leven in de Verenigde Staten verziekt, een geschiedenis vol segregatie die nog altijd wraakgevoelens en moordlust oproept. De roman - eigenlijk negen romans, zo boordevol zitten de losjes met elkaar verknoopte verhalen, een ingewikkelde genealogie van generaties zwarten - is ook te lezen als een beeldend en genuanceerd betoog, vol bijbelse en mythologische verwijzingen en symbolische namen, tegen gesloten gemeenschappen die menen dat er nog zoiets kan bestaan als onbezoedelde etniciteit, zuivere bloedlijnen, permanente rassenscheiding en godsdienstig purisme. Het paradijs was al bij voorbaat gecorrumpeerd, goed en kwaad hebben vanaf het prille begin een eeneiige tweeling gevormd, zoals God al snel het alter ego van de duivel bleek, of was het andersom? Het paradijs kan nooit een met prikkeldraad afgezette tuin zijn, hoe vruchtbaar die ook is.
Ruby is overal. Dat gat ergens in de lege wildernis van de Verenigde Staten is een anachronisme, een plek waar de tijd schijnbaar heeft stilgestaan maar waar de adem van de 'sixties’ uiteindelijk niet aan voorbij gaat. De geschiedenis - vol discriminatie, vervolging, verbanning - is in Paradise een lastpak die iedereen voor de voeten loopt, een broeikas vol onverwerkte haat, een molensteen om de nek van hen die menen een vrijplaats te bezitten, een plek die niet wordt aangeraakt door onderdrukking tot de dood erop volgt.
Maar het paradijs is een misverstand. De appel en de slang zijn er altijd al geweest. En het verhaal over Adam en Eva wordt niet gevormd door twee aparte vertellingen maar is een verfijnd netwerk van gevoelige betrekkingen die niet altijd beredeneerbaar zijn. Het eindeloze spel van aantrekken en afstoten wordt gedomineerd door vaak oncontroleerbare gevoelens als verlangen, lust, jaloezie, liefde, haat en wraak.
RUBY IS IN Morrisons roman niet het paradijs vol overvloed waar niemand doodgaat. Dat is de façade, want het gehucht ontleent zijn naam aan de vrouw, Ruby Morgan, die tijdens de tocht door Oklahoma vanuit Haven ziek werd maar de toegang tot ziekenhuizen werd ontzegd. Haar tweelingbroers Deacon ('Vrouwen altijd de sleutel, God zegene hen’) en Steward Morgan, de toekomstige leiders van Ruby, sluiten een verbond met God. Hij zal ervoor zorgen dat Ruby voortaan met rust wordt gelaten. Maar ook God kan de jaren zestig niet tegenhouden. Een jaar na de moord op Martin Luther King en Robert Kennedy, tijdens de onweerstaanbare opkomst van Black Power en de ontwrichtende Vietnamoorlog, broedt de door disco, 'smerige muziek’ en televisie besmette jeugd van Ruby bij 'De Oven’ - een uit klei opgetrokken symbool van de gemeenschap: 'rond als een hoofd, diep als het verlangen’ - allerlei opstandige plannetjes uit. Er is bovenal de aantrekkingskracht van 'het klooster’ vol vrouwen uit alle windrichtingen: Consolata (Connie), de groenogige en geelbruine, door nonnen uit Portugal meegenomen 'Moeder Overste’, die een kortstondige seksuele relatie heeft met Deacon Morgan en een wonderdokter blijkt; Mavis Albright, een op de vlucht geslagen moeder van de tweeling Merle en Pearl, die zijn gestikt toen Mavis ze even achterliet in een snikhete, afgesloten auto; Grace (Gigi), een jonge vrouw met een vriendje in de gevangenis; Seneca, een meisje dat op vijfjarige leeftijd door haar moeder wordt verlaten en seksueel is misbruikt; Pallas (Divine/ Deedee) Truelove, de blanke dochter van een rijke advocaat die haar vriendje aan haar moeder kwijtraakte. Bovendien zijn er nog de vrouwen uit Ruby, onder wie Soane Morgan, de vrouw van Deacon, en Billie Delia, die frequente bezoekers van het klooster worden. Ogenschijnlijk hebben Ruby en het klooster niets met elkaar te maken, maar vele navelstrengen, liefdesaffaires en geheime vriend- en vijandschappen verbinden de twee 'paradijzen’, totdat de mannelijke bewoners onder aanvoering van de tweeling een vuist maken en de aanval openen.
De beginzin van de roman luidt: 'Ze schoten eerst het blanke meisje (Pallas - gb) neer.’ Net als in Jazz is het Morrison niet te doen om het ontrafelen van een plot (wie heeft de moord gepleegd?) maar om de beweegredenen van haar personages, die ze nooit als louter slachtoffer of als pure dader presenteert, doorzichtig te maken. In de verhalen achteraf wordt onschuld als schuld uitgelegd en andersom.
DE LITERAIRE geschiedschrijving waar Toni Morrison zich in Paradise op toelegt is een wonderbaarlijk mengsel van herkenbare historische feiten, verhalen van horen zeggen, stamboomonderzoek en vertellingen over mirakels (de Wederopstanding en andere vreemde verschijningen en verdwijningen vormen een belangrijk motief in de roman). Patricia Best, inwoonster van Ruby, doet historisch bronnenonderzoek naar de negen families waarop Ruby steunt. Maar haar speurtocht door huwelijksakten, stamboomgegevens, kerkregisters en andere documenten is beperkt en niet bevredigend; ze komt niet achter de werkelijke beweegredenen van haar dorpsgenoten, de kern van de relaties die ze onderling hebben. Het fenomeen 'Afrika’, waarover menig personage ironisch of geringschattend doet, komt in haar beschouwing niet voor. En ook: waarom trok de tweejarige Billie Delia bijvoorbeeld haar broekje uit en ging ze op een paard zitten? Het doorploegen van schriftelijke documenten schenkt geen werkelijk inzicht in de 'negergeschiedenis’ die Patricia wil boekstaven. Was het een onschuldige handeling van een kind? 'Heb ik iets gemist?’
Ten slotte verbrandt Patricia haar aantekenschriften omdat ze de nachtzijde van de dorpsgeschiedenis niet aan het licht kan brengen. Er is meer voor nodig om door te dringen in de dorpsziel van Ruby. Lone DuPres heeft een krachtiger middel, het wapen van een alwetende verteller: 'Men zei dat ze gedachten kon lezen, een gave afkomstig van iets, wat dan ook, wat geen God heette en wat ze vanaf haar tweede jaar had benut toen ze zichzelf te vondeling had gelegd op het erf toen haar moeder dood in bed lag. Lone ontkende het; ze geloofde dat iedereen wist wat anderen dachten. Zij vermeden gewoon het vanzelfsprekende. Toch bezat ze een diepere kennis dan het Morgan-geheugen of Pat Bests geschiedenisboek. Ze wist wat geheugen noch geschiedenis kon uitdrukken: de “kunstgreep” van het leven en de “reden” daarvan.’
ZIJ ZIET DAT het tweelingleiderschap van Ruby gespleten is: Steward Morgan blijft de aanval op het klooster verdedigen ('Het slechte heerst in dit huis…’), zijn broer Deacon komt tot het inzicht dat zij zelf het slechte hebben geschapen. 'Voor het eerst in eenentwintig jaar keek de tweeling elkaar recht in de ogen.’ Steward blijft in het verleden hangen en kan 'het gebrul van de geschiedenis’ dat Ruby in de greep hield niet overstemmen. Maar onherroepelijk dringt de toekomst aan en wordt het gesloten bolwerk Ruby opengelegd. Het oude paradijs, 'die met moeite verworven hemel’ op aarde, was een opgelegde utopie die niet meer van deze wereld was.
Paradise van Toni Morrison is een formidabele, verwarring stichtende historische roman waarin de geschiedenis van Amerika zowel serieus genomen als gerelativeerd wordt. Wie de last van een geschiedenis vol vernedering en vervolging wil verlichten, moet daar de fik in durven steken en de bijbelse begrippen wraak en liefde ('Liefde is geen geschenk. Het is een diploma.’) in heroverweging nemen, anders ontstaat er geen zicht op welke toekomst dan ook. Paradise is geen roman over de strijd van weerbare vrouwen tegen hopeloze mannen of een boek waarin zwarten tegen blanken opstaan. De roman is een hartstochtelijk pleidooi voor vermenging, een mix die wordt gepersonifieerd door de geelbruine en groenogige Consolata. Zij is de troostbrengster en de verzoenster van leven en dood in Paradise. De geest moet blijven dansen.