Post-truth en de ervaring van de waarheid

De geschiedenis van de lange neus

Van de matig gevulde strook belangstellenden vóór hem maakte Donald Trump de grootste mensenmassa ooit bij de inauguratie van een Amerikaanse president. Toch zijn het niet alleen de stompzinnigen die de waarheid door de plee trekken.

In Amerika en Engeland werd ‘post-truth’ gekozen tot Woord van 2016. Het genootschap voor de Duitse taal koos met ‘Postfaktisch’ een vergelijkbaar begrip. In de publieke sfeer, zo verklaarden de diverse commissies, hebben de feiten het in 2016 verloren van de emoties. Na die vaststelling volgen doorgaans verwijzingen naar de verkiezing van Donald Trump, het ontregelende optreden van Vladimir Poetin en de opkomst van ‘fake news’.

Maar ook dichter bij huis is het raak. Wij hebben vaccinatiefantasten, klimaatontkenners en lieden die in naam van het vaderland met immigratiestatistieken rommelen. Daarom wijdden enkele Nederlandse kranten rond de kerstdagen een artikel aan het postwaarheidtijdperk. Die bespiegelingen leverden boeiende inzichten op, maar in zowel de Nederlandse als de Engelse beschouwingen blijft reflectie op hoe zo’n ‘post-begrip’ de samenleving periodiseert en ordent achterwege. En dat is een gemis, want hoe handig post-begrippen ook zijn, de overzichtelijkheid die ze bieden kan ons flink op het verkeerde been zetten.

Medium groene post truth 1

Het lijkt allemaal zo eenvoudig: het voorzetsel ‘post’ betekent ‘na’, dus als je post voor iets anders zet, zeg je dat de betreffende toestand of ontwikkeling ten einde is en een nieuw tijdperk is aangebroken. Wie het over post-Van Gaal-Manchester heeft, praat over Manchester United na mei 2016 en wie post-traumatische stress beschrijft, schrijft over stress die volgt op een trauma. Hetzelfde lijkt te gelden voor de maatschappelijke post-begrippen die ons sinds een aantal decennia om de oren vliegen. Modernisme, feminisme, kolonialisme en kapitalisme moesten er allemaal aan geloven: ze werden met een post-begrip voorbij verklaard. Toch zou het te simpel zijn om te veronderstellen dat het voorzetsel ‘post’ in al deze gevallen hetzelfde betekent. Daarom onderscheid ik hier een viertal eigenschappen van post-begrippen die doorgaans onderbelicht blijven.

Allereerst is het handig om een onderscheid te maken tussen de mensen die het post-begrip gebruiken en degenen die daar lijdend voorwerp van zijn. Zo is betrekkelijk veel geschreven over het postmodernisme, maar zijn er een stuk minder mensen die zichzelf met overgave postmodern noemen. Meestal kunnen we in grote lijnen aanwijzen welke groep wordt besproken, maar verschilt de exacte invulling van het begrip per auteur. Het loont daarom de moeite om niet alleen degenen te bestuderen waarop post-truth betrekking heeft, maar ook om te kijken naar de bedenkers en de gebruikers ervan.

Hieruit volgt een tweede punt van aandacht: post-begrippen doen een geschiedfilosofische claim. De Engelse kranten die over post-Van Gaal-Manchester schreven, leken een alledaagse vaststelling te doen. Toch is deze uitspraak beslist een geschiedfilosofisch statement. De Groningse geschiedfilosoof Frank Ankersmit zou zo’n begrip een narrative substance noemen: het is een voorstel voor het periodiseren, ordenen en typeren van een tijdperk. Dat wordt relevanter voor de samenleving naarmate de begrippen groter worden, zoals bij postindustrieel of postchristelijk, maar de werking is gelijk. Wie zo’n begrip gebruikt bakent tijd en ruimte af en benoemt iets wat de Duitse filosoof Johann Gottfried von Herder als ‘Zeitgeist’ omschreef. Dat kan zowel een positieve als een negatieve typering zijn, maar er wordt altijd een onderscheid gemaakt tussen wat wel en niet kenmerkend is voor een periode.

Bovendien, en dat is het derde punt, is het belangrijk om te beseffen dat zo’n Zeitgeist niet louter een stand van zaken beschrijft. Wie het recent verschenen boek Postcapitalism: A Guide to Our Future van Paul Mason leest, valt dat meteen op. Mason gebruikt het woord ‘postkapitalisme’ als een stip aan de horizon: het is er nog niet, maar we komen dichterbij. Zoiets geldt ook voor ‘postkolonialisme’ en ‘postfeminisme’. Deze begrippen zijn niet alleen beschrijvend, maar ook performatief: gebruikers ervan willen een toestand in de alledaagse werkelijkheid tot stand brengen of herzien. Ze doen een oproep om de wereld in een ander licht te bekijken en leggen de nadruk op één specifiek onderdeel van de samenleving, bijvoorbeeld onze houding tegenover het kapitalisme, het feminisme of Louis van Gaal. Dat is interessant, want zo kunnen post-begrippen, terwijl ze zich als historische afbakeningen voordoen, ook allerlei tegenstellingen in het heden onderstrepen. Dan blijkt post meer dan een chronologische ordening: het is een oproep om kant te kiezen in een intellectueel debat. De laatste eigenschap van post-begrippen is dat ze vaak heftig intellectualistisch worden bediscussieerd. Een bijeffect daarvan is dat post-begrippen steeds weer nieuwe post-begrippen uitlokken of ontstaan in dialoog met andere post-begrippen. Dat kan interessant zijn voor de connaisseur, maar zulke discussies kunnen in het publieke debat ook een onontwarbare kluwen van betekenis opleveren.

***

Laten we post-truth nu eens langs deze vier eigenschappen van het tijdperkdenken leggen. Het is aardig om te beginnen bij de laatste, die vraagt immers om een blik op het debat en dat geeft meteen een overzicht van het veld dat we hier bespreken.

Zowel het intellectuele vuurwerk als de dialoog met andere post-begrippen is snel gevonden. Vrijwel alle artikelen uit de laatste weken van 2016 brengen post-truth in verband met het postmodernisme. Dat is de intellectuele stroming die alle zekerheden van de moderne tijd vanaf de jaren zeventig in de taal deed verdampen. Postmoderne filosofen meenden dat er geen rationeel fundament was voor absolute kennis. God bijvoorbeeld, kon niet overtuigend worden aangetoond, maar de menselijke rede bleek eveneens onbetrouwbaar. De postmodernisten benadrukten dat de taal – gebruikt om informatie over te dragen – telkens weer een subjectieve uitwerking heeft. Iedere claim op waarheid werd daarom als een contextueel bepaalde constructie ontmaskerd. In plaats van coherente wetenschappelijke vooruitgang bleef er een oneindig aantal inwisselbare visies op de werkelijkheid over.

Deze denkwijze werd onder filosofische laboratoriumomstandigheden ontwikkeld, maar na een aantal jaren ontsnapte de geest uit de fles en greep de relativering wild om zich heen. Religie, cultuur, moraliteit en ideologie: alles werd gedeconstrueerd. Geloof je in God? Een keuze en een beetje achterlijk. Ben je socialist? Een afweging en een beetje naïef. Denk je dat er zoiets bestaat als ‘de Nederlandse cultuur’? Een mening en een beetje vies. Zo kwamen alle ‘grote verhalen’ onder druk te staan.

De ironie is dat het postmodernisme zelf ook een groot verhaal met eigen waarheden en vooroordelen bleek. Volgens de jonge academici Rune Møller Stahl en Bue Rübner Hansen, die een stuk schreven in het linkse tijdschrift Jacobin, heet de politieke variant van dat postmoderne verhaal Tina, ‘There Is No Alternative’, naar het credo van Margaret Thatcher. Hoewel Thatcher op het eerste gezicht weinig op de postmoderne filosofen leek, keerde ook zij de grote verhalen de rug toe. Liever baseerde zij zich op financiële cijfers van het moment en een aantal economische wetten. Volgens Møller Stahl en Rübner Hansen heeft dat tot technocratische politiek geleid die iedere keuzemogelijkheid en bezieling wegdrukte. En belangrijker: van links tot rechts werd iedereen tot deze aanpak verleid.

Geloof je in God? Een keuze en een beetje achterlijk. Ben je socialist? Een afweging en een beetje naïef

Denk aan het boek dat Al Gore schreef toen hij de verkiezingen in de VS verloor: The Assault on Reason. Gore zette uiteen hoe zijn opponent George Bush ‘het contact met de realiteit verloren had’. Gore’s impliciete boodschap was dat kennis van de cijfers tot zekere politieke uitkomsten zou moeten leiden en dat Bush dat negeerde. In de jaren daarna lieten cijfers, formules en grafieken zien dat de banken gered moesten worden, dat er bezuinigd moest worden, dat de EU vergroot moest worden. Moraliteit deed er in die beslissingen weinig toe: alles wat buiten de feiten viel, was een mening en dientengevolge irrelevant.

Susan Neiman schreef in 2010 in De Groene Amsterdammer over hoe in linkse kringen afscheid van de moraal genomen was. Onder het mom van feitengestuurde rationele politiek werden overal de ideologische veren afgeschud. In zijn kerstessay in NRC Handelsblad concludeert Luuk van Middelaar dan ook: ‘Aldus plaveide een verbond van relativerend postmodernisme en alternatiefloze technocratie de weg naar post-truth politics: het ene ontwapende de feiten in het debat en de andere verklaarde meningen irrelevant voor het bestuur.’

Ongenuanceerd samengevat: de elite heeft de waarheden van het volk afgepakt en vervangen door relativisme, nu pakt het volk de waarheden van de elite af en vervangt ze door nieuwe. Toen de elite dat deed heette het postmodernisme, nu het volk dat doet, noemt de elite het post-truth. Zo bezien is het verhaal dat post-truth uitlokt een indrukwekkende shakespeariaanse plot die een heleboel ontwikkelingen in onze samenleving verheldert. Toch moeten we er ook mee oppassen. Het blijft bijvoorbeeld moeilijk te zeggen wat postmodernisme hier betekent, helemaal als blijkt dat zowel Margaret Thatcher als de Franse filosoof Jean-François Lyotard daaronder valt. Ook is het niet helemaal duidelijk hoe post-truth nu precies aan het postmodernisme is ontsprongen: is post-truth een intentionele reactie op postmodernisme of een onvoorzien gevolg? Is er sprake van continuïteit tussen beide, of is er toch een breuk? Ik weet het niet. Wel is duidelijk dat de onontwarbare kluwen van betekenis in het debat rondom post-truth goed zichtbaar is.

***

Voordat ik hierop terugkom is het aardig om nog even naar de drie andere eigenschappen van post-begrippen te kijken. Dat vraagt om een korte begripsgeschiedenis die iets verder terugkijkt dan het recente gebruik van dit begrip. Wie de intellectuele geschiedenis van post-truth bestudeert, ziet dat er drie manieren zijn waarop erover is geschreven. Nu ga ik hier niet beweren dat dit drie keurig afgebakende tradities zijn, in de praktijk zijn ze sterk met elkaar verweven, maar om post-truth zinvol te bespreken is het handig om drie archetypes te onderscheiden.

Aanvankelijk kwam post-truth vooral voor als een verwijzing naar bewuste leugens in media en politiek. Toen het begrip in 1992 in een profetisch artikel in The Nation werd geïntroduceerd door Steve Tesich stelde hij dat het Amerikaanse politieke proces door onverantwoorde leugens werd vertroebeld. Hij richtte zijn pijlen vooral op Ronald Reagan vanwege diens optreden tijdens het Iran-Contra-schandaal. Twaalf jaar later maakte de Amerikaanse journalist Ralph Keyes serieus werk van post-truth. In zijn The Post-Truth Era: Dishonesty and Deception in Contemporary Life verbaasde hij zich over de vanzelfsprekendheid waarmee iedereen kleine leugens vertelt zonder daarover wroeging te voelen. Hoewel het hem niet alleen om de politiek ging, kwam daar wel het zwaartepunt te liggen in daaropvolgende bespiegelingen.

Medium groene post truth 2

Hoezeer daar aanleiding toe was bleek toen Chris Mooney in 2005 The Republican War on Science publiceerde. Hij besprak daarin het keiharde anti-intellectualisme in de Amerikaanse politiek, en niet alleen bij de Republikeinen. Langzaam maar zeker werd ook de rol van de media vaker besproken. In 2012 schreven de journalisten Ari Rabin-Havt en David Brock The Fox Effect, een boek over de Amerikaanse nieuwszender Fox News en haar baas Roger Ailes waarin ze lieten zien hoe ‘the facts no longer matter, only what is politically expedient, sensationalistic, and designed to confirm the preexisting opinions of a large audience’. Saillant detail is dat Brock zelf ooit een conservatief journalist was, maar zich in 1998 tot de progressieve journalistiek bekeerde omdat hij genoeg had van de vanzelfsprekendheid waarmee conservatieve media leugens opschreven. Hij richtte de linkse denktank Media Matters for America op en maakte daarmee begin 2016 ook een ander boek van Rabin-Havt mogelijk: Lies, Incorporated: The World of Post-Truth Politics.

In 2015 verscheen in The New Republic een essay van Jeet Heer onder de veelzeggende titel Trump Is Not a Liar. He’s Something Worse: a Bullshit Artist. Sinds dat moment zijn ‘post-truth’ en ‘bullshit’ innig met elkaar verweven geraakt. De term ‘bullshitter’ werd al in 1986 gemunt door Harry Frankfurt om mensen te beschrijven die zich op geen enkele manier tot het vraagstuk van waarheid en onwaarheid verhouden. Ze liegen niet programmatisch, maar bazelen in de richting die hen op dat moment uitkomt. ‘Een bullshitter’, zo schreef Rob Wijnberg enkele maanden voor de Amerikaanse verkiezingen over Trump, ‘staat onverschillig tegenover de waarheid: het maakt hem niet uit of wat hij zegt waar of onwaar is’.

Overigens is dit geen louter Amerikaans fenomeen. Groot-Brittannië kent Nigel Farage en Boris Johnson en in Nederland timmerde Thierry ‘Kerst-wordt-ons-afgepakt’ Baudet de afgelopen tijd aardig aan de weg. Zij zijn stuk voor stuk laconieke types bij wie je niet de boosheid ziet van geharde oppositiepolitici, terwijl ze wel een radicale afwijzing van de status-quo presenteren. Ondertussen veranderen ze zelf met het grootste gemak van standpunt, worstelen ze met taal en raken ze verstrikt in cijfers, maar blijven ze immuun voor kritiek omdat ze die toch niet serieus nemen.

De derde en wat mij betreft belangrijkste groep is moeilijker een gezicht te geven. Dit zijn geen mensen die zelf de media opzoeken, boeken schrijven of politiek actief zijn. Het gaat hier om mensen die daadwerkelijk geloven in een waarheid die niet door de bekende feiten wordt ondersteund. In Amerika zijn zij na de verkiezing van Trump sterk in de belangstelling komen te staan omdat ze als de motor achter zijn opkomst worden gezien. Het zijn de mensen die J.D. Vance fenomenaal beschrijft in zijn Hillbilly Elegy, een familiegeschiedenis van een gezin uit de Amerikaanse onderklasse. Vance laat zien hoe zij iedere politieke boodschap de afgelopen jaren opvatten als een aanval op hun levensstijl.

We doen er geen goed aan om degenen die ontvankelijk zijn voor Trump en andere populisten als onnozele slachtoffers te zien

Sociale, religieuze en economische context bepaalden dat de ‘hillbillies’ verhalen over klimaatverandering, homohuwelijk en abortus beantwoordden met een totale afwijzing van zowel het verhaal als van de media en politici die ze deze verhalen vertelden. De rechtse radiopresentator Rush Limbaugh komt er zelfs openlijk voor uit dat hij een waarheid verkondigt die concurreert met de waarheid van de ‘mainstream media’ en andere vermeende links-liberale bolwerken zoals universiteiten. Hoewel zijn luisteraars in de VS soms klinisch worden aangeduid als degenen die ‘slachtoffer’ zijn geworden van leugenaars en bullshitters is dat te kort door de bocht, maar daarop kom ik hieronder terug. Voor nu zijn zij de derde groep.

Deze begripsgeschiedenis toont de verschillende mensen die het stempel post-truth krijgen opgedrukt. Die mensen zijn altijd ‘de ander’ in het verhaal, maar dat levert geen coherent beeld van ze op. Soms is ‘de ander’ een leugenaar en verdraait hij de waarheid (Fox News), dan weer is ‘de ander’ het zenith van postmodernisme en gaat hij flexibel met geverifieerde waarheden om (Trump). Tot slot kan ‘de ander’ het tegendeel van het postmodernisme zijn en verzet hij zich tegen moreel relativisme en gelooft hij te goeder trouw in concurrerende waarheden (de familie Vance). Tegelijkertijd zien we dat degenen die het stempel post-truth opdrukken steevast linkse en liberale journalisten en politici zijn.

***

Deze begripsgeschiedenis bevestigt dat ook de bedenkers en gebruikers van het begrip meer doen dan louter beschrijven. Ze scheppen orde in een historische periode door accenten te leggen en bepaalde elementen te benadrukken. Ze drukken een tijdperk – ons tijdperk! – een stempel op en presenteren intellectuele en politieke tegenstellingen als een chronologische opeenvolging. Doordat het ons allemaal in zo’n heldere plot, gelardeerd met de nodige intellectuele overdenkingen, wordt voorgeschoteld zijn we geneigd ernaar te handelen. Maar laten we daar even mee wachten en eerst goed beseffen wat post-begrippen doen.

De risico’s van post-truth zijn te illustreren aan de hand van het begrip ‘Middeleeuwen’. Ook dat werd niet gebruikt door de mensen die er lijdend voorwerp van waren, maar typeerde alles en iedereen in een losjes afgebakende periode. Voor de leek heeft het begrip ‘Middeleeuwen’ betrekking op de periode tussen ongeveer 500 en 1500 en gaat het over mensen die diep religieus, niet geïnteresseerd in de rede en weinig verfijnd in cultuur en kunst waren. Dat er ook cruciale uitvindingen werden gedaan, er geavanceerde communicatiesystemen waren en reizen door heel Europa niet ongebruikelijk was, wordt in deze beeldvorming doorgaans over het hoofd gezien. De Middeleeuwen zijn donker, that’s it, jammer voor alle middeleeuwers.

Zoiets dreigt ook bij post-truth. Post-truth waarschuwt terecht voor de leugenaars en de bullshitters in onze samenleving. Maar we doen er geen goed aan om degenen die ontvankelijk zijn voor Trump en andere populisten op dezelfde stapel te leggen of als onnozele slachtoffers te zien. Wie deze mensen serieus wil nemen, moet hun verhaal begrijpen. Niet om het ermee eens te zijn, wel om te zien wat ze denken. Luuk van Middelaar betoogde al dat de politiek niet het domein van de feiten is, maar ook dat van oordeel en overtuiging. Dat is te preciseren door te erkennen dat er meerdere soorten waarheid bestaan.

Het begint bij de vaststelling dat uit de feiten niet altijd de waarheid volgt en dat waarheid niet louter op controleerbare feiten rust. Wanneer J.D. Vance het over zijn grootmoeder heeft, zegt hij: ‘Mamaw’s sentiments occupied wildly different parts of the political spectrum. Depending on her mood Mamaw was a radical conservative or a European-style social Democrat. Because of this, I initially assumed that Mamaw was an unreformed simpleton (…). Yet I quickly realized that in Mamaw’s contradictions lay great wisdom.’ Het waren niet de feiten die haar waarheid genereerden, het was iets anders.

In de filosofie is al vaker nagedacht over een waarheid die niet strikt feitelijk is, maar sterk leunt op ervaring. De Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer merkte het verschil op tussen natuurwetenschappelijke waarheid en de persoonlijke betekenis die we ontlenen aan ervaringen. Dat laatste bracht hem op een waarheid zoals die ons kan treffen als we naar een kunstwerk kijken. Dat is geen strikt cognitief proces, maar een interpretatie waarbij onze eigen kennis en traditie in gesprek gaan met de traditie van het kunstwerk dat we bekijken.

Iedereen kent dat soort waarheden. Ze komen niet alleen voor als we naar kunst kijken, maar ook als we maatschappelijke toestanden proberen te doorgronden. In onze politieke en maatschappelijke keuzes resoneren ook de tradities waarin we grootgebracht zijn en de normen van de groep waarin we ons bevinden. Dat geldt ook voor Vance’s Mamaw: haar waarheid is geen lange neus naar het postmodernisme, of middelvinger naar de feiten, maar een ervaren waarheid.

Voor de bestudering van dat soort waarheden zijn in de literatuurwetenschap interessante aanknopingspunten te vinden. De Duitse literatuurtheoreticus Hans Ulrich Gumbrecht stelde in zijn Stimmungen lesen uit 2011 dat mensen tijdens het lezen vaker aandacht voor ‘stemmingen’ hebben dan voor de plot. Veel van het leeswerk dat we doen richt zich niet op feitelijke informatie. We lezen om geraakt te worden. Gumbrecht benadrukt daarmee dat teksten niet slechts één betekenis hebben. Er zijn altijd meerdere stemmingen die aan dezelfde toestand kunnen ontspringen. Wie niet de feiten maar de stemming leest ziet dat aan het afwijzen van bepaalde politieke programma’s en standpunten een diep gevoel van onzekerheid, angst voor het verdwijnen van de bekende wereld en het besef je steeds weer niet gezien te weten ten grondslag liggen.

***

‘Post-truth’ is een mooie keuze als woord van het jaar. Al was het maar omdat het, los van wat woordenboekenmakers erover zeggen, een typering van een periode beoogt te zijn. Maar we moeten er wel mee oppassen. In dit geval omdat het een groep mensen letterlijk versimpelt vanwege hun elastische omgang met de feiten. Hun eigen waarheid wordt slecht gezien. Om deze mensen toch te zien, doen we er goed aan om niet mee te gaan in het onderscheid tussen objectieve feiten die waarheid genereren versus de leegte van leugens. We moeten naast de wetenschappelijke blik ook de kunstzinnige blik als relevante politieke raadgever omarmen.

Dat geldt niet alleen voor Amerika, maar zeker ook voor de Nederlandse politici die in 2017 aan de verkiezingen zullen meedoen. Zij moeten niet alleen cpb -rapporten lezen, maar ook romans en geschiedenisboeken. Die zullen een waarheid overbrengen die geen feitelijk karakter heeft, maar wel recht doet aan de stemming in de samenleving. Juist in het post-truth-tijdperk kan dat een goede raadgever zijn. Uiteindelijk was het niet voor niets dat een aantal historici de winst van Donald Trump voorspelde, zij wisten de stemming te lezen, terwijl de rest achter de feiten aan liep.


Adriaan van Veldhuizen is universitair docent geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Hij werkt samen met Herman Paul in het project ‘Epochal Thinking’ dat wordt gefinancierd door het Fonds Staatsman Thorbecke van de KNAW. Eind augustus organiseren zij een conferentie over ‘Post-Prefixes and Their Historical Presuppositions’