Fonds de Moscou: Nederlanders in de archieven van de Franse Geheime Dienst

De geschiedenis van een papieren oorlogsbuit

Verdachte Odette Keun (1888-1978) in haar dossier van de Franse Geheime Dienst: ‘Een intelligente vrouw, goed opgeleid maar met zeer extravagante ideeën en een intrigante’

Ze is een intelligente vrouw, goed opgeleid maar met zeer extravagante ideeën en een intrigante.’ Op 21 mei 1921 stuurde de Franse ambassade in Tbilisi een bericht over ‘Mademoiselle Odette Keun’ aan de generale staf van het Franse leger in Constantinopel. De Nederlandse journaliste en schrijfster ‘met relaties in de intellectuele kringen van Parijs en Constantinopel kwam hier vorig jaar op uitnodiging van de regering van Georgië om een boek te schrijven over het land’. In gezelschap van Georgische officieren doorkruiste ze de regio te paard. Ze is getrouwd geweest met een prins Tseretelli – ‘volgens haar zeggen gedwongen’, vervolgt het diplomatieke verslag over ‘Mlle Keun’, die in Georgië ‘vriendschappelijke betrekkingen’ onderhield met ‘lokale bolsjewieken’, de ‘Duitse inlichtingendienst’ en de ‘kemalistische’ verzetsbeweging.

Zeker twee vingers dik is het dossier dat de Franse Geheime Dienst meer dan een eeuw geleden begon aan te leggen over Odette Zoë Keun, politiek geëngageerd journaliste van Nederlandsen huize, dochter van de Nederlandse consul in Constantinopel. Het begint in 1915 als de Veiligheidsdienst van Rouen op 4 september voor de Franse Geheime Dienst, het Deuxième Bureau, een rapport opmaakt over secretaresse Keun die ‘verschillende talen spreekt’, een verblijfsvergunning heeft voor Parijs en op dat moment werkzaam is voor het Engelse Rode Kruis in Rouen, niet ver van de loopgraven en het oorlogsgeweld in Noord-Frankrijk.

Een jaar later voeren Britse en Franse diplomaten druk overleg over haar visumaanvragen voor Egypte, Soedan en Algerije. De feministe schrijft over het leven en lot van vrouwen in Noord-Afrika en publiceert bij de gerenommeerde Parijse uitgeverij Flammarion. De ‘schoonzuster van een militant anarchist’, die abusievelijk het stempel ‘jodin’ meekrijgt, uit forse kritiek op de Franse en Britse koloniale politiek. Het maakt haar verdacht, net als haar reportages voor de Franse pers over de implementering van het bolsjewisme in Georgië. Hoewel de aanvankelijk bevlogen socialiste in haar artikelen kritiek uit op het sovjetbewind arresteren de Britse autoriteiten de ‘overtuigd communiste’ op 30 juni 1921 en wordt de ‘zeer gevaarlijke agente van het bolsjewisme’ uitgewezen naar Sebastopol op de Krim.

Meer dan een halve eeuw geleden verdween de belastende informatie over Odette Keun (1888-1978). Haar dossier, inclusief een glamoureuze foto, was onbereikbaar. Het maakte deel uit van een omvangrijke oorlogsbuit.

Tijdens het onderzoek voor onze biografie Moed en overmoed: Leven en tijd van Mata-Hari kregen we in Parijs inzage in het al even lang verborgen gebleven dossier met inlichtingen over en foto’s van Mata-Hari. Het zat in het zogeheten ‘Fonds de Moscou’, een even verhullende als onthullende benaming. Het archief van de Franse Geheime Dienst met bijna een half miljoen dossiers over spionnen, rekruten, kandidaten voor contraspionage en zakenlui, vertegenwoordigers en andere verdachte personen raakte in de Tweede Wereldoorlog op drift door Europa, tot het in 2001 vanuit Moskou weer terugkwam in Parijs en opgeborgen werd bij de militaire archieven in het Château de Vincennes. Weinigen wisten van het bestaan, en nog minder mensen kennen de merkwaardige, gecompliceerde geschiedenis.

De discussie over het vergaren, langdurig opslaan en doorverkopen van data door Facebook en Google en andere tech-giganten doet de gemoederen steeds hoger oplopen. We delen op grote schaal graag onze meningen, ervaringen en foto’s maar tegelijkertijd baart de aantasting van onze privacy ons meer en meer zorgen. Niets nieuws onder de zon, de Franse Inlichtingendienst deed honderd jaar geleden al zijn best om iedereen te volgen die verdacht leek en haar of zijn bewegingen minutieus in kaart te brengen.

Archieven konden als wapens dienen, even vernietigend als granaten, meenden ook de nazi’s, schrijft de Franse historica Sophie Coeuré in haar boek La mémoire spoliée: Les archives des Français, butin de guerre nazi puis soviétique (Parijs, 2013). Coeuré is het lot nagegaan van de verdwenen archieven. In opdracht van Goebbels, minister van Informatie en Propaganda van het Derde Rijk, toog Eberhard Künsberg direct na de wapenstilstand in mei 1940 naar Parijs. De voormalig filosofiestudent en journalist nam met een commando van zestig man Waffen SS zijn intrek op de ministeries van Defensie, Binnen- en Buitenlandse Zaken en het Nationale Archief. Het Reich nam de archieven in bezit om deze ‘te beschermen’. Aldus de officiële verklaring van Hitler. Het werkelijke belang van deze missie was politiek en militair; men wilde middels de documenten het Franse diplomatieke verkeer en de Inlichtingendienst doorgronden.

De confiscatie gold als compensatie voor de oorlog van 1914-1918 die volgens de nationaal-socialistische ideologie was veroorzaakt door de joden. Het commando Archivwesen ploos de archieven na op de Franse betrekkingen met Italië, het Midden-Oosten en de Kaukasus. Twintig man Gestapo concentreerden zich op de Franse Geheime Dienst, het Deuxième Bureau. Er werden lijsten en dossiers verzameld en gereproduceerd van vijanden van het Reich onder wie de Duitse vluchtelingen in Frankrijk, communisten, vrijmetselaars en joden, om deze zo snel mogelijk te kunnen traceren.

Aanvankelijk gingen de miljoenen buitgemaakte documenten, papieren van ministeries, correspondentie, kaarten, bibliotheken en archieven naar Berlijn. Na de bombardementen van de geallieerden op de Duitse steden werd de roofbuit, inclusief het archief van het Deuxième Bureau, in 1943 deels overgebracht naar depots in Polen en Česká Lípa in het huidige Tsjechië. Na de verovering van Berlijn in mei 1945 namen de sovjets op hun beurt de Duitse roofbuit – dertig wagons vol – mee naar Moskou. En passant pakte het Rode Leger ook het archief van het Deuxième Bureau mee uit Česká Lípa: nog eens 38 wagons vol.

Ergens in een van die wagons lag het dossier no. 29019 over de vrijgevochten Keun. De rapportages van de Franse Geheime Dienst bieden een verrassende aanvulling op de biografie van Monique Reintjes uit 2000, Odette Keun (1888-1978).

Met een ‘speciaal bericht’ vervolgden de Fransen hun speurtocht op 7 februari 1922. Keun, wier paspoort door de Britten was ingenomen, werd na aankomst in Sebastopol aangezien voor een Britse spion en vastgezet. De rest van het verhaal komt overeen met het verslag van ‘voornoemde Odette Keun’ in haar boek Sous Lénine (Parijs, 1922) over haar ervaringen in het nieuwe sovjet-Rusland waarin ze voor niets en niemand bang vele verhoren door de Tsjeka (Geheime Dienst) trotseert en met een ijzeren doorzettingsvermogen én gevoel voor humor binnen enkele maanden via Charkov en Moskou Georgië weet te bereiken. Daar krijgt ze haar Nederlandse paspoort terug. Op 3 februari 1922 arriveert ze in Constantinopel en zal naar Frankrijk vertrekken. Keun lijkt volgens het ambtsbericht van 7 februari 1922 ‘compleet te zijn teruggekomen van het bolsjewisme’. Maar, zo vraagt de rapporteur zich af: ‘Is zij oprecht?’

Dus blijven ze haar ‘van zeer nabij’ in de gaten houden. In een ‘vervolg op inlichting no. 1103 van 23 april’ wordt het Deuxième Bureau op 3 mei 1924 op de hoogte gesteld van haar reis naar het zuiden van Algerije. Het doel van de missie: ‘de verspreiding van communistische propaganda onder moslims’. Er wordt geen bewijs gevonden, maar ze blijft verdacht, meent de commissaris van politie in haar woonplaats bij Grasse. De reden is duidelijk: haar nieuwe grote liefde, de 22 jaar oudere en reeds voor de tweede maal gehuwde schrijver H.G. Wells.

De gelauwerde sciencefictionauteur, tevens geëngageerd socialist, heeft sterke politieke ideeën voor een ideale samenleving en uit zich geregeld kritisch jegens het Franse politieke beleid: ‘Het hele Franse proletariaat zou met alle energie zijn afkeuring jegens de Franse regering moeten tonen.’ Uit een potloodaantekening in een rapport van 24 februari 1922 blijkt dat van Wells ook al een dossier bestaat bij het Deuxième Bureau. En daarmee blijft de verdachte Nederlandse in het vizier van de Fransen en wordt haar, ondanks haar herhaalde, uitgebreide en dringende verzoeken, de Franse nationaliteit onthouden.

Franse terdood­veroordeling van de Nederlandse spion voor de Duitsers Carel Willem Zaalberg van Zelst (1912-1940)
Op elk dossier zit een handgeschreven inhoud in het Cyrillisch: het bewijs dat het is bekeken door de Russische archivarissen

Liefst 1.109.426 Franse stukken, waaronder de half miljoen dossiers van het Deuxième Bureau met duizenden namen van Franse buitenlandse spionnen en anderhalf miljoen namen bekend bij de Franse Binnenlandse Veiligheidsdienst, hebben de reis gemaakt van Parijs over Berlijn en Česká Lípa naar Moskou en weer terug naar Parijs. In de Nederlandse afdeling troffen we een kleine honderd dossiers van – al dan niet verdachte – personen uit de periode 1914-1941.

Uit de dossiers doemt een gezelschap op van Nederlanders die meestal een ongebonden leven leidden: handelsreizigers, journalisten, spionnen voor Frankrijk en Duitsland, personen met communistische sympathieën of contacten dan wel mensen die geld nodig hadden. De pagina’s lange verslagen bevatten destijds wellicht nuttige, maar zo te zien vaak ook onbenullige informatie, waardoor bij lezing nu geregeld de vraag rijst wat de prangende reden was om deze mensen te bespieden.

De Amsterdammer Barend Luteraan (en niet Tuteraan, aldus de notitie van 28 maart 1919 in zijn dossier) werd in de gaten gehouden omdat hij een ‘agent van de bolsjewieken en chef-redacteur van de Roode Vaan’ was. De in Zuid-Frankrijk woonachtige antropoloog ‘Docteur J.H. Nyessen’ laadde verdenking op zich toen hij in oktober 1940 politiek gevoelige interviews maakte met zwarte koloniale soldaten in het Franse leger. Nyessen werd niet vervolgd, maar moest per direct met zijn onderzoek stoppen. ‘Gédéon’ Walrave van Houten, alias ‘Dumières’, alias ‘Bobby’, een ‘ingenieur uit Arnhem’, werkte bij de Rheinischen Export Industrien GMBH Köln, in werkelijkheid een dekmantel voor de Duitse Inlichtingendienst in Keulen. De ‘vertegenwoordiger’ werd in 1937 veroordeeld tot tien jaar Franse cel, waaruit hij in juni 1940 werd bevrijd door de Duitsers.

Dossiernummer 11423 begint met een handgeschreven brief. ‘Ik heb de moeilijke taak op mij genomen u in kennis te stellen van de dood van een uwer vrienden.’ Het is 23 januari 1940, vijf dagen na de executie van de 27-jarige Carel Zaalberg van Zelst, als een Franse aalmoezenier in korte, heldere bewoordingen uitleg geeft aan een inwoner van een Limburgs dorp. De adressant, een gepensioneerd onderwijzer, heeft de treurige brief over zijn ‘vriend’, van twee kantjes in een envelop zonder postzegel, nooit ontvangen. De spion uit Amsterdam werd op heterdaad betrapt toen hij in opdracht van de Duitsers op de fiets de Franse militaire vliegvelden in Noord-Frankrijk af ging om de vliegmachines te fotograferen. De foto’s zijn terug te vinden in het dossier. Op 18 januari 1940, een paar maanden vóór de Duitse inval, werd hij gefusilleerd in Chalons-sur-Marne. Hij was gestorven ‘avec un très beau courage’, schreef de aalmoezenier.

‘Espion international’ luidt de gewichtige kop boven het handgeschreven rapport uit januari 1933 in het dossier 41734 over Johannes Karel Brederode. Wie kent zijn naam nu nog? J.K. Brederode, avonturier en journalist (of omgekeerd) gold destijds als een Bekende Nederlander. Het moet de opstellers van het rapport moeite hebben gekost de omzwervingen van de vijftiger zonder vaste woon- of verblijfplaats samen te vatten. Met zijn spannende reportages uit Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten, meestal in feuilleton aangeleverd, onderhield Brederode al vele jaren de lezers van het Algemeen Handelsblad, de NRC en tal van provinciale, Indische en ook Belgische bladen. Terug in Nederland na achttien jaar afwezigheid stond hij in 1932 ingeschreven in Rotterdam, op de Nieuwe Binnenweg, samen met de man die hij in zijn artikelen ‘mijn Tsjechische reismakker’ noemde, de 28-jarige oud-vliegenier Rudolf Pinecker, wiens laatste verblijfplaats volgens het bevolkingsregister net als van Brederode Beirut was geweest.

Persbreed aangekondigd vertrok Brederode in juli al weer voor een nieuwe, avontuurlijke expeditie: ‘Per motorrijwiel met zijspan naar Batavia’. De motor werd bestuurd – en onderhouden – door Pinecker, J.K. zat in het zijspan van de Ariël 4 cilinder van de befaamde Rotterdamse firma R.S. Stokvis. Het Nieuwsblad van het Noorden plaatste bij de aflevering van 4 augustus een foto van de heren in hun zwaar beladen vervoermiddel. Bij volgende artikelen stonden exclusieve foto’s, gemaakt door Pinecker. ‘Tegen geweerschoten en machine-geweer-vuur is ook een journalist machteloos en zoo ben ik door de omstandigheden gedwongen het geregeld verhaal van mijn tocht naar Batavia voor een oogenblik af te breken’, schreef Brederode toen ze in Spanje verrast werden door de mislukte ‘putschpoging’ van generaal Sanjuro.

Het feuilleton veranderde allengs van een reisreportage in oorlogsverslaggeving. Toen het tweetal terechtkwam midden in de Italiaanse inval in Abessinië wekte Brederode de belangstelling van de Franse Geheime Dienst. Niet dat de belezen globetrotter een onbekende was: zijn eerste, stevige ervaring met de Franse justitie dateerde van 1915. Bij het uitbreken van de Grote Oorlog had Brederode zijn hoofdredacteurschap van de Bredasche Courant beëindigd om freelance oorlogscorrespondent te worden. Hij berichtte zowel van het westelijk als van het oostelijk front, lag in de loopgraven, kwam onder vuur en werd in februari 1915 in Duinkerken gevangen gezet omdat hij zonder Franse accreditatie in het oorlogsgebied verbleef en daarom beschuldigd werd van spionage. Bijna een maand zat hij vast.

Nog spannender kopij leverde hij voor het Handelsblad in het najaar van 1915, toen hij op weg naar Archangel om het Russische front te bezoeken met de kleine sleepboot ‘Holland’ in een storm tussen de vijandige duikboten schipbreuk leed op de onherbergzame Russische kust van Kaap Intsy. Het ijzingwekkende avontuur verwerkte hij tot het veel gelezen jongensboek De Schipbreuk van ‘de Holland’ (Alkmaar, 1916).

Naast Brederode’s robuuste artikelen met historische uitweidingen en vermakelijke anekdotes leest het zakelijke feitenrelaas van de Franse Geheime Dienst als een schaduwbiografie: ‘Talentvol journalist, maar verstokt drinker, onderneemt zijn buitenlandse reizen op eigen kosten en schrijft zijn etnografische verslagen voor diverse kranten.’ De honoraria, zo wordt meer dan eens benadrukt, besteedde hij steevast ‘aan zijn drankzucht en zijn verslaving aan de pederasterie’.

De doorslagen – als altijd kwistig voorzien van het stempel SECRET – staan vol notities van diverse lezers. In potlood, met pen of met blauwe of rode anilinestift plaatste men driftige strepen, pijltjes, doorhalingen, aanvullingen, een enkel vraagteken en snelle verwijzingen naar andere dossiers, met nummer en initiaal. Het geeft de rapportages een hoogst dringend karakter. Toch kregen de Fransen geen vat op hun ‘object’. Men kon niet vaststellen, aldus een vervolgrapport uit 1936, of ‘deze globetrotter’ enige verbintenis was aangegaan ‘met een geheime dienst van buitenlandse huize’; hij werd ‘gesignaleerd met individus suspectes’ en figureerde bovendien op een lijst van de Duitse Inlichtingendienst van verdachte personen als zijnde ‘in dienst van vijanden van Duitsland’.

Ook was duidelijk dat ‘deze persoon’ gedurende de oorlog zo nu en dan inlichtingen verschafte aan de Nederlandse generale staf. Een eerder rapport vermeldde bovendien: ‘In het jaar 1916 verscheen hij op het bureau van de Russische propaganda in Den Haag.’ De kwalificatie ‘internationale spion’ wordt evenwel niet waargemaakt. Na veel omzwervingen werd hij tijdens de oorlog door de Japanners geïnterneerd in China, waar hij na de bevrijding correspondent bleef in Shanghai voor het Handelsblad. In 1954 vestigde hij zich in Den Haag. Een jaar later stierf hij, bijna 74. Enkele korte necrologieën deden hem nauwelijks recht, zoals ook deze samenvatting geen recht doet aan het meeslepende leven van deze vergeten reporter, al schreef het Handelsblad wel op 22 juni 1955 dat hij ‘op boeiende wijze verslag kon geven van hetgeen hij in zeer bewogen omstandigheden zag en ondervond, die het gevaar nimmer schuwde; en die zich werkelijk wijdde aan de “grote reportage”’.

Over het omslag van het dossier van deze ‘verdachte’ is, net als op elk dossier, een voorgedrukt grauw formuliertje geplakt met een korte, vijfregelige handgeschreven inhoud in het Cyrillisch: het bewijs dat het dossier is bekeken door de Russische archivarissen. Achterin steekt een voorgedrukt label waarop datum en jaar dat het dossier is doorgenomen met een blauwe vulpen is ingevuld. Behoudens deze etiketten is er zo te zien niets aan het materiaal veranderd, maar wellicht hebben ze baat gehad bij de inhoud?

Na de Tweede Wereldoorlog begonnen de van hun archieven beroofde landen hun zoektocht naar hun verdwenen erfgoed. De Russen zaten er bovenop, zij zagen op hun beurt de confiscatie van de archieven als compensatie voor de eerdere Duitse plunderingen en het aangedane leed in hun land. Tijdens de ineenstorting van het ‘fascistoïde’ Duitsland had het Rode Leger de archieven ‘gered’. Buitengewoon tevreden waren de sovjets met de bijna half miljoen systeemkaarten, voorzien van duizenden namen van Franse buitenlandse spionnen. Ook het alfabetische register van de Franse Binnenlandse Veiligheidsdienst van anderhalf miljoen namen die verwezen naar zeshonderdduizend dossiers van individuele agenten was welkom. De 55.000 dossiers met aanvragen voor identiteitskaarten en paspoorten door buitenlanders in Parijs boden een schat van informatie over de Russische vluchtelingen van de Revolutie van 1917 – vijanden van het volk – in Frankrijk.

Na jarenlange onderhandelingen, diverse malen onderbroken door politieke strubbelingen – de Koude Oorlog, de invasie van Afghanistan, het verzet van de Poolse vakbond Solidarność tegen het communistische regime en de dreiging van het Amerikaanse Star Wars-programma – viel de economisch uitgeputte en militair verzwakte Sovjet-Unie uit elkaar. Gorbatsjov trad af, Jeltsin werd de eerste gekozen president en in de ontstane overgangsperiode kwam de massa archieven eindelijk in beweging. Een interview dat in 1990 in het Russische dagblad Izvestia verscheen met de directeur van het Osobyj Arkiv, het Speciale Archief in Moskou, was de eerste bekendmaking van het bestaan van dit instituut sinds de oprichting in 1946.

‘Meeuwissen moest vriendschap proberen te sluiten met Wehrmachtpersoneel, ze dronken voeren en dan uithoren’

Een akkoord in 1992 tussen Frankrijk en de Russische Federatie over wederzijdse teruggave, aangevuld met een bedrag van drieënhalf miljoen francs voor het fotograferen van de documenten op microfilm, bracht begin 1994 een eerste vrachtwagen naar Parijs met een groot deel van de Binnenlandse Veiligheidsdienst en het Deuxième Bureau. Daarna stokte de voortgang door de strikte uitvoering van de Russische wet op de archieven die voor inzage een openbaarheidstermijn van 75 jaar hanteerde. In 1997 nam de Doema zelfs een wetsvoorstel aan over de nationalisering van culturele schatten van de Tweede Wereldoorlog. President Poetin bracht hier in 2000 een nuance in aan: alleen landen die slachtoffer waren geweest van de nazi’s konden aanspraak maken op terugkeer van hun goederen.

En zo kon de oorlogsbuit na bijna zestig jaar in 2001 terugkeren naar Parijs, onder de naam ‘Fonds de Moscou’.

Paspoort van de verdachte ‘internationale spion’ Johannes Karel Brederode (1881-1955)

Het voorgedrukte formulier no. 5021 van het brem (het Bureau Régional d’Etudes Militaires, de Militaire Inlichtingendienst in Metz) vermeldt het signalement van Joël Boas; zijn foto zal ‘nog worden verstrekt’. Van dossiervorming was in zijn geval geen sprake. Over hem bestaat alleen een ‘fiche d’agent’. Deze kandidaat gedraagt zich ‘correct’, is ‘intelligent’, spreekt naast Nederlands ook Duits, zijn inkomen is ‘gering’. Het kan interessant zijn hem ‘in te schakelen’. Zo luidde op 30 juni 1939 de inschatting van de Franse Geheime Dienst op basis van een gesprek met de 22-jarige Amsterdammer.

Hoe Joël Boas in contact kwam met de Fransen valt niet te achterhalen. Toch lijkt hij met een opdracht naar huis te zijn gestuurd, want meer dan eens komt de naam Joël Boas voor in een dossier uit een heel ander archief, dat een vergelijkbare zwerftocht door Europa heeft gemaakt als het Fonds de Moscou.

Toen Hans de Vries, toenmalig medewerker van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, begin jaren negentig een artikel las in een Duits vaktijdschrift over het bestaan van het Speciale Archief, onderdeel van het Russische Militaire Staatsarchief in Moskou, besloot hij – beducht voor de bureaucratie in de Sovjet-Unie – niet af te wachten. Onder president Jeltsin hadden de archivarissen iets meer speelruimte en hij toog direct samen met zijn collega Peter Romijn naar Moskou. ‘We hadden geluk’, vertelt De Vries, ‘er waren inventarislijsten beschikbaar en we hebben de indexen nagezocht op Hollandse dossiers.’

De Vries trof tal van interessante archieven aan die in aanmerking zouden kunnen komen voor teruggave aan Nederlandse instituten, zoals later ook is gebeurd, maar er leek geen specifiek materiaal voor het Niod bij te zitten. ‘Tot we de door het Rode Leger uit Berlijn geroofde Duitse collectie archieven opvroegen en nazochten op de term “Nederland”. Het betrof Duitse documenten – zo’n veertig strekkende meter – van de Duitse Inlichtingendienst, de Wehrmacht en de SS in Nederland, waaronder uitgebreide informatie over het reilen en zeilen van de cpn tijdens de vooroorlogse jaren.’ Terugvordering van de archieven was geen optie, herinnert hij zich: ‘Het ging immers om Duitse stukken. We hebben in zes weken tijd ruim vijftienduizend kopieën gemaakt en die meegenomen naar Amsterdam.’

Op het Niod in Amsterdam zijn deze vergaarde kopieën van de dossiers uit Moskou geïnventariseerd op naam. In een daarvan duikt de eerder in het Franse archief gevonden Amsterdammer Joël Boas op. Het betreft de strafzaak tegen Mijndert Meeuwissen, uit Sassenheim, die in 1939 door de nazi’s werd opgepakt op verdenking van spionage. Op 23 mei 1940 diende de zaak-Meeuwissen ‘wegens landverraad’, dertien dagen na de Duitse inval in Nederland, en dus negen dagen na de capitulatie en inlijving van Nederland. Uit het grimmige, zeer gedetailleerde procesdossier komt naar voren dat de 29-jarige koksmaat op de grote vaart in het voorjaar van 1939 voor de Franse Geheime Dienst was gerekruteerd door de ‘jood Joël Boas in Amsterdam’, met een hoge beloning in het vooruitzicht. Via post uit Den Haag kreeg Meeuwissen opdracht naar Metz te reizen, alwaar hij instructies en onderricht ontving om in verschillende Duitse plaatsen inlichtingen in te winnen over militaire doelen, vliegtuigtypes, en vooral luchtafweergeschut.

‘Hij moest daartoe vriendschap proberen te sluiten met Wehrmachtpersoneel, ze dronken voeren en dan uithoren.’ Café- en bordeelbezoek waren een kolfje naar zijn hand, blijkt uit de processtukken. Naast de militaire instructies leerde hij ook om met behulp van een ‘flesje groene vloeistof’ geheime berichten te versturen, naar het adres in Den Haag. Het bewuste flesje en een van zijn – onderschepte – brieven fungeerden als bewijsmateriaal. ‘Later heeft verdachte toegegeven dat hij het aanbod van de Jood Boas heeft aanvaard, om geld te verdienen.’

Het Volksgerichtshof veroordeelde Meeuwissen ter dood, met betaling van de proceskosten. Hij werd op 17 augustus 1940 in de Berlijnse gevangenis Plötzensee geëxecuteerd. Boas werd drie jaar later geëxecuteerd, op 22 juli 1943 in dezelfde gevangenis, waar ook Von Stauffenberg en de andere plegers van de mislukte aanslag op Hitler werden omgebracht. Zijn naam staat op het monument dat in 1954 werd onthuld op het ereveld in Lübeck.

De sovjets hebben dankbaar gebruik gemaakt van hun oorlogsbuit. Tien jaar na de oorlog hadden de archivarissen ruim 250.000 persoonsdossiers van de Franse Binnenlandse Veiligheidsdienst doorgenomen. Het ging niet snel genoeg. Tijdens het Twintigste Partijcongres, in 1956, werd het belang van de ‘archievenbuit’ voor het ‘socialistische vaderland’ nog eens onderstreept. De eerste twee Vijfjarenplannen waren niet gehaald door de enorme hoeveelheid papier. Dertig extra aangetrokken medewerkers gingen aan de slag met een nieuwe politieke strategie, ontdekte de Franse historica Coeuré tijdens haar zoektocht.

Binnen tien jaar werden ruim twee miljoen ‘oorlogstrofeeën’ teruggegeven met als doel: het veroorzaken van politieke schandalen in de landen van herkomst. Duitsland ontving materiaal over de Duitse industriëlen die hadden gesympathiseerd met de nazi’s. Ook kreeg de voormalige vijand documenten retour over de moord op Russische krijgsgevangenen tijdens het tribunaal tegen de kampleiding van Auschwitz in 1964 in Frankfurt.

Voormalig ‘bourgeois’-Polen werd onaangenaam verrast door dossiers over politie en justitie uit de periode 1918-1939. De Franse communisten kregen een overzicht in handen van de contacten van Pétain met de Gestapo in 1940-1941; de campagne voor de rehabilitatie van de voormalige held van de Eerste Wereldoorlog en collaborateur van de Tweede werd hiermee tenietgedaan.

De Russen speelden de nieuwe bondgenoten in het verzoeningsgezinde naoorlogse Europa graag uit elkaar. Een strategie die van alle tijden is. De Frans-Duitse betrekkingen raakten verstoord toen in 1957 de Duitser Hans Speidel werd aangepakt in de aanloop van zijn benoeming tot commandant van de grondtroepen van de Navo. Opnieuw verzette de Franse Communistische Partij zich. ‘Oud-nazi’ Speidel, voor de oorlog militair attaché in Frankrijk en in 1940 actief in de militaire staf van de Wehrmacht in Parijs, had echter ook meegewerkt aan het complot tegen Hitler in 1944 en was hiervoor in de gevangenis beland. Niettemin moest Speidel op last van De Gaulle in 1963 terugtreden, waarna er nog meer informatie vrijkwam over de spionageactiviteiten van Speidel in Frankrijk tijdens het Interbellum.

De Nederlandse staat heeft in 2003 en 2004 32 geroofde archiefbestanden teruggekregen waaronder stukken van het ministerie van Defensie, de Nederlandsche Handelsbank, de Esperantisten Vereeniging, het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en de Vrijmetselarij. Of de Russen ook deze stukken politiek-strategisch hebben ingezet, is onbekend. Anders dan in Frankrijk kwam het archief van de Binnenlandse Veiligheidsdienst niet terug, omdat het na de Duitse inval in mei 1940 deels al vernietigd zou zijn en deels tijdens het geallieerde vergissingsbombardement op het Bezuidenhout in maart 1945 in vlammen is opgegaan.

Lang niet alle geroofde documenten zijn teruggevonden; de reis naar Moskou is niet ongeschonden verlopen; tijdens het transport zijn ze deels verbrand, gestolen of anderszins verloren geraakt. De Franse archivarissen hebben de inventarisatie van al het geheime materiaal, dat de ijverige inlichtingenofficieren en hun medewerkers lang geleden verzamelden, nog lang niet voltooid, door gebrek aan budget. Het lijkt erop dat het materiaal met het verstrijken van de tijd politiek of maatschappelijk minder lucratief wordt geacht. Al is het denkbaar dat in de toekomst nog meer dossiers vrijkomen over Nederlanders die tot de verbeelding spreken; agenten voor Frankrijk als Joël Boas en echte of vermeende schuldigen aan spionage voor de vijand als Carel Zaalberg van Zelst en Odette Keun.

Wat de geschiedenis van de gigantische archievenroof aantoont, is hoe kennis van netwerken, contacten van de tegenstander en de controle over feiten uit het verleden een vileine rol kunnen spelen. Op den duur verliest zelfs het meest urgente materiaal zijn actuele betekenis, maar onbedoeld geeft het Fonds de Moscou daardoor nu een rijkdom aan portretten uit het Interbellum prijs. De dossiers wekken tal van eigenzinnige, reislustige, in politiek en maatschappelijk opzicht zeer verschillende individuen tot leven.