Essay: Het Amerikaanse juk

De geschiedenis van «Empire»

De Amerikanen zitten opgescheept met het juk van «empire» zonder daarvoor te hebben gekozen. Geen wonder dat ze zich ongemakkelijk voelen.

De huidige wereldorde is de erfgenaam van het Europese empire [imperiale politiek, imperiaal streven, verlangen]. Tussen de zestiende en twintigste eeuw waren empire en globalisering verregaand verstrengeld. Europeanen veranderden de beide Amerika’s en Australazië in nieuwe Europa’s en, boven alles, nieuwe Engelanden. Dat is de geopolitieke basis van de huidige overheersing van de wereld door de Engelse taal en door politieke en economische ideologieën die overwegend van Britse origine zijn.

Onder empire werd een mondiaal economisch systeem gecreëerd, in het begin vaak met geweld. De regels ervan werden overwegend gemaakt en opgelegd door Europeanen, hoewel veel niet-Europeanen tot hun eigen grote voordeel werden betrokken in de netwerken ervan. In het grootste deel van de wereld werden niet-Europese elites bekeerd, in uiteenlopende gradaties, tot Europese ideologieën en gewoontes. Zowel empire als die eerste grote golf van globalisering raakten dodelijk gewond in 1914.

Anders dan de aristocratische strijders en de mandarijnen die steunpilaren waren van het traditionele empire bevoordeelde de globalisering financiële en commerciële groeperingen die een kosmopolitische reikwijdte hadden. Om redenen die besloten liggen in de joodse en Europese geschiedenis waren veel van de leidende figuren in deze nieuwe elite joods (hoewel ze in Azië vaak Chinees of Indiaas waren). De globalisering bereikte haar hoogtepunt in de vier decennia voor 1914. Datzelfde geldt voor de wrok die ze opriep. Antisemitisme had oudere en meer diverse oorsprongen, maar kreeg desondanks een machtige impuls door de globalisering. Het is geen toeval dat Hitler uit Wenen kwam, een grootse kosmopolitische hoofdstad van empire. Tussen de imperiums van die tijd vielen de Habsburgers op door hun bescherming van de culturele, politieke en burgerrechten van minderheden, inclusief joden. Wenen was de stad van joodse financiële en intellectuele elites, maar ook van massa-immigratie van berooide en (voor christelijke Oostenrijkers) ten diepste vreemde Galicische joden. De grootse stad van empire, van globalisering en van joodse cultuur werd eveneens een van de centra van radicaal nationalisme en populistisch racisme.

Na 1945 volgde een tweede fase van globalisering, onder leiding van de Verenigde Staten. Ditmaal werd de globalisering geacht het te kunnen doen zonder de hulp van empire, waarvan de legitimiteit was verwoest door het kwaad van Hitlers neo-imperiale Reich, en door de triomf van de democratie als de leidende ideologie van een door Amerika geleide wereldorde. Enkele decennia nadat deze nieuwe fase van globalisering begon, is er echter enige nostalgie naar empire aan de orde — zowel in Groot-Brittannië als in de Verenigde Staten.

Die nostalgie wordt in Engeland op dit moment uitgedrukt met een vertrouwen dat dertig jaar geleden ondenkbaar was. Een splendid museum van het Britse imperium is geopend in Bristol. Niall Ferguson heeft onlangs een populair boek en een tv-serie geproduceerd — Empire: How Britain Made the Modern World — waarvan de essentie is dat de Engelsen een rather good job hebben gedaan. Oxford University Press gaf in 1998-99 een uitmuntende, vijfdelige geschiedenis van het Britse rijk uit, geprijsd met een generositeit die een groot vertrouwen impliceert dat die wetenschappelijke folianten verkocht zullen worden buiten de zuiver academische markt alleen.

De mode in de media en de academische wereld is een afschaduwing van een bredere heropleving van de belangstelling voor empire. Een van de inspiratiebronnen daarvoor is de overtuiging dat de meeste ex-koloniën hebben gefaald als onafhankelijke staten. Van de grotere koloniën hebben sinds 1945 alleen de voormalige Japanse bezittingen Korea en Taiwan een definitief succes gemaakt van de modernisering. Met enkele uitzonderingen worden vroegere koloniën in Afrika, de islamitische wereld en Zuid-Amerika beschouwd als een puinhoop, met veel lagere verwachtingen dan tijdens de onafhankelijkheid. De schuld daarvoor legt men meestal bij een corrupte en onverantwoordelijke regering. Ideeën van «global governance» en de IMF-politiek van «conditionality» zijn substituten voor direct imperiaal bestuur, dat politiek onaanvaardbaar is en een prijs verlangt die westerse kiezers niet bereid zijn te betalen.

In het Washington van George W. Bush heeft de hernieuwde belangstelling voor empire een harder karakter. De would-be-heersers [emperors] hebben de wereld de ware reikwijdte van hun macht getoond door het regime van Saddam tot voorbeeld te maken. In zekere zin zijn de Amerikanen altijd imperialisten geweest in hun overtuiging dat hun eigen ideologie en waarden superieur zijn aan alle andere en universele geldigheid hebben voor alle samenlevingen. Voor de Amerikaanse buitenlandpolitiek maakt het huidige dogma dat alleen democratieën een vreedzame rol kunnen spelen in internationale zaken betrokkenheid bij de binnenlandse politiek van andere staten vrijwel noodzakelijk. Dat wordt vaak gezien als hét teken van empire, als onderscheiden van het pure belang dat de machthebber heeft bij beheersing van de buitenlandse politiek van zijn cliënten.

In zijn interessantste en belangrijkste vorm is empire de politieke steunpilaar geweest voor enkele indrukwekkende vormen van beschaving. Voor het hedendaagse Amerika geldt dat. Amerika’s macht was beslissend in de twintigste-eeuwse triomf van een liberaal-democratische en liberaal-kapitalistische wereldorde. 11 september betekende een verbijsterende aanslag op die orde. Als, wat meer dan waarschijnlijk is, massavernietigingswapens (eerst biologisch, dan chemisch en uiteindelijk zelfs nucleair) in toekomstige generaties beschikbaar zullen worden voor particuliere groepen, dan zal het voortbestaan van de westerse, urbane beschaving in haar huidige vorm gevaar lopen. Om die reden zal imperiale zekerheid voor een bedreigde beschaving op de agenda blijven staan lang nadat het presidentschap van Bush is geëindigd.

Voor de Verenigde Staten vertegenwoordigt empire vele dilemma’s. Waarachtig empire vraagt een prijs in geld en bloed die democratische stedelijke electoraten nauwelijks willen betalen. Dat was een sleutelfactor in de ineenstorting van Europese imperiums na 1945. Het verklaart ook waarom de Europese imperiums die het langst standhielden (de USSR en Portugal) werden geleid door autoritaire regimes die niet aan electoraten hoefden te vragen of die bereid waren de prijs te betalen. Het Amerikaanse electoraat zal een heel goede reden moeten hebben zelfs maar een historisch kleine prijs te betalen om indirect empire in stand te houden door middel van een mondiaal netwerk van cliënten en bondgenoten. Als, zoals vaak gebeurde in vroegere imperiums, imperiale politiek die cliënten ondermijnt en dwingt tot een keuze tussen óf direct imperiaal bestuur óf toelaten dat grondgebieden bases voor anti-imperialistische «bandieten» worden, dan zal de prijs van empire escaleren.

De Amerikaanse ideologie belet dat die prijs wordt betaald. De mythe van de grondlegging van Amerika is geworteld in anti-imperialistische strijd. Amerikanen hebben nooit hun eigen verovering van een continent en de vernietiging van de inheemse bevolking vergeleken met het Europese kolonialisme. In de Amerikaanse cultuur gaat isolationisme dieper dan imperialisme. Bovendien is de kern van de definitie van empire: zonder toestemming heersen over vele vreemde volken. Dat is in directe tegenspraak met de hedendaagse leidende ideologieën van volkssoevereiniteit, democratie en nationalisme.

Het huidige Amerikaanse empire-dilemma is niet nieuw. Al in de jaren rond 1850 was duidelijk dat grote machten van de toekomst (geld)middelen op continentale schaal nodig zouden hebben. Maar een continentale schaal impliceert over het algemeen multinationale bevolkingen. In een wereld waar volkssoevereiniteit en etnisch nationalisme de dominante ideologieën aan het worden waren, hoe zouden dergelijke polities worden gelegitimeerd?

Er was een aantal mogelijke strategieën. De Sovjet-Unie probeerde zichzelf te baseren op een nieuwe, universele, supra-etnische ideologie. Sultan Abdul Hamid II probeerde het Ottomaanse Rijk te redden door een islamitische identiteit te vestigen die Turken, Arabieren en Koerden gezamenlijk achter zijn regime zou scharen. Vele imperiale heersers hoopten zoveel mogelijk van het imperium te consolideren in een centrale etno-nationale kern — door middel van Russificatie, Magyarisatie et cetera. Groot-Brittannië hoopte een alliantie van de blanke koloniën in één Grotere Britse imperialistische natie te bereiken door consensus. Ondertussen bleken in Oostenrijk de Habsburgers grondbeginselen van een multi-etnische federatie te ontwikkelen die, in meer democratische vorm, cruciale elementen zouden worden in latere pogingen de harmonie in multi-etnische samenlevingen te verzekeren. Het was in de richting van zo’n doel dat Gorbatsjov de Sovjet-Unie hoopte te sturen.

Zou er, aangezien alle in de vorige alinea genoemde imperiums instortten, in de huidige wereld wellicht geen oplossing zijn voor het dilemma van empire? Hoewel oplossingen zeker niet eenvoudig zijn, is die conclusie toch prematuur. De Chinezen, erfgenamen van de grootste aller imperiale tradities, zijn er voor driekwart in geslaagd hun imperium te transformeren tot een natie. Ondertussen is de EU in zekere zin bezig met empire-building. Om welvarend te zijn en te blijven, heeft Europa een markt van continentale omvang nodig. Om een stem te hebben in de grote mondiale issues van de toekomst moet het macht op continentale schaal mobiliseren om tegenwicht te bieden aan de VS. Op commercieel gebied heeft het dat al gedaan; met de euro probeert het dat eveneens in het financiële domein te bereiken. Als Europa serieus genomen wil worden, zal het ook meer «imperiaal» moeten zijn in zijn defensie- en buitenlandpolitiek. Eerst Amerikaanse macht afwijzen en vervolgens naar Washington rennen voor hulp om de eigen Balkan-achtertuin op te ruimen, roept terechte hoon op.

De elites van Europa zien zich geplaatst tegenover het imperiale dilemma hoe een regering te legitimeren en effectieve instituties van continentale omvang te creëren in een wereld die nog steeds wordt gedomineerd door democratische en nationalistische ideologieën. Maar hun moeilijke taak wordt vergemakkelijkt door het feit dat de oude nemesis van empire, de natie, ietwat minder legitiem is dan in het verleden. Twintigste-eeuwse Europeanen, met name Duitsers, hebben gezien waar de religie van nationalisme toe kan leiden. Het consumptiegerichte, postmoderne Europese electoraat staat, in elk geval op dit moment, minder vijandig tegenover multiculturalisme dan zijn grootvaders, en dus meer open voor de voordelen van een Europese «imperiale» economie en markt. Ondertussen heeft de militaire superioriteit van het gewapende volk — de Jacobijnse natie — zijn betekenis verloren in een tijdperk waarin geselecteerde eerste-wereldlegers een dure grap zijn.

Als er in de hedendaagse wereld een imperium bestaat, kan het alleen Amerika zijn. Maar of het nuttig is de VS te zien als een imperium is twijfelachtig. Aangezien «imperium» tegenwoordig gewoonlijk niet meer dan een scheldwoord is, kan het debat gemakkelijk omslaan in een zinloze uitwisseling van beledigingen. Het is echter zinvol te vragen wat de geschiedenis van empire ons kan vertellen over de aard en kwetsbaarheden van de Amerikaanse macht. Bovendien, omdat de vraag naar het Amerikaanse imperium in feite over de hele wereld en op de meeste ministeries van Buitenlandse Zaken wordt gesteld, is er het een en ander bij te winnen als een historicus van vroegere imperiums deze kwestie aansnijdt. Allereerst moeten er twee punten worden benadrukt.

Ten eerste heerste empire in het verleden vaak deels omdat het voorzag in vele publieke zaken. Het leverde orde en vrede in grote delen van de wereld. Vaak maakte het de verspreiding van handel en ideeën over lange afstanden mogelijk. Het was gewoonlijk meer pluralistisch dan de moderne natiestaat in zijn tolerantie voor multi-etniciteit en multiculturalisme. Ook was het vaak verbonden met de grootste beschavingen in de geschiedenis, die niet hadden kunnen bloeien zonder zijn hulp.

Het tweede punt is dat empire vele verschillende gedaanten had. Het woord «empire» heeft zelfs in het Engels vele betekenissen gehad, laat staan in vertaling. Enkele historische imperiums waren veeleer alliantie-systemen dan «staten», in de hedendaagse betekenis van het woord. De relatie tussen een Achaemenidische keizer en zijn regionale satrapen leek meer op die van George W. Bush en de koning van Saoedi-Arabië dan op die van een Amerikaanse president en de gouverneur van Idaho.

Of het nu wel of niet de moeite waard is Amerika een imperium te noemen, het is zonder meer interessant om te vragen op welke specifieke imperiums en imperialistische tradities Amerika lijkt. In een bepaalde zin ligt Amerika het dichtst bij de Britse en Nederlandse imperiums van modern kapitalisme die de mondiale kapitalistische economie creëerden. In andere opzichten ligt het veel dichter bij enkele van de grote land-imperiums van de oudheid. Dat is niet alleen vanwege het overduidelijke (zij het cruciale) punt dat de VS een imperium van continentale omvang en middelen zijn. Het is ook vanwege de aard van de Amerikaanse collectieve identiteit. Die wordt voor alles gedefinieerd door ideologie, cultuur en politieke loyaliteit. In dat opzicht ligt het veel dichter bij Romeinse en Ottomaanse imperialistische identiteiten dan bij etnisch gedefinieerde Engelse of Nederlandse. Dat heeft invloed op de houding jegens het binnenhalen van buitenstaanders in zijn eigen gemeenschap en ze toegang gunnen tot status en macht van de elite. Zelfs in de tweede eeuw waren vele keizers en de meeste senatoren niet Romeins, vaak niet eens Italiaans. De parallellen met de Verenigde Staten, en het scherpe contrast met de Britse en Nederlandse imperiums zijn duidelijk.

Mijn eigen opvatting van empire is eenvoudig en breed: empire is een zeer grote macht die cruciaal is voor de regionale en mondiale orde van een tijdperk. Daar bovenop heerst een imperium over uitgestrekte gebieden en vele volkeren. Ten slotte is empire niet gebaseerd op de toestemming van degenen die het bestuurt. In historische zin onderscheidde dat empire zich zelden van andere staatsvormen, die zeer zelden berustten op de expliciete toestemming van hun onderdanen. Maar het onderscheid werd wél belangrijk na 1789, en zou uiteindelijk fataal blijken te zijn voor de legitimiteit van empire.

Amerika voldoet aan sommige aspecten van die empire-definitie beter dan aan andere. De Amerikaanse president heerst met de toestemming van het Amerikaanse volk en dat legt zijn imperiale mogelijkheden zeer aan banden. Als Amerika een imperiaal gezicht toont, dan is het aan de buiten wereld.

Maar de Amerikaanse macht in de wereld moet worden gezien in de context van globalisering. De hedendaagse economie en technologie betekenen dat de Amerikaanse macht veel dieper doordringt dan de macht van vele imperiums deed. Naar imperiale maatstaven was het Britse bewind in India behoorlijk diep geworteld; desondanks zagen de meeste Indiase boeren in de hele historie van Raj waarschijnlijk nooit een Britse official. In contrast daarmee doordringen en verstoren de mondiale kapitalistische economie en de waarden die worden gepresenteerd op de Amerikaanse televisie de meeste dorpen van de wereld. Wereldwijde inmenging krijgt een wereldwijde reactie. De wahabieten vielen de periferie van het Ottomaanse Rijk aan in de late achttiende en vroege negentiende eeuw, en sneden het een tijdlang zelfs af van Medina en Mekka, twee cruciale bronnen van imperiale legitimiteit. Andere islamitische fundamentalisten vielen de periferie van het negentiende-eeuwse Britse imperium aan. De moderne communicatiemiddelen maken het voor hun afstammelingen mogelijk civiele doelen in het hart van «empire» aan te vallen.

De realiteit van de globalisering helpt enkele misvattingen te verklaren in de kern van het debat over het Amerikaanse empire. Voor sommige volken lijkt de ongevraagde Amerikaanse macht een immer aanwezige werkelijkheid in hun leven. Ze noemen het imperialisme. Maar het Amerikaanse volk heeft zich nooit vrijwillig aangemeld om de lasten van empire te dragen en wil zeker niet over andere landen heersen. Amerika kan zich echter niet terugtrekken uit de wereldeconomie; het kan niet de invloed van zijn cultuur verkleinen, en het kan zelfs geen muren bouwen om zijn veiligheid te garanderen. De Amerikanen zitten opgescheept met de lasten van empire zonder erin te hebben toegestemd ze te dragen. Het wekt geen verbazing dat ze daardoor in een verbijsterde en licht agressieve stemming raken, met name wanneer de lasten van empire zich aandienen op de barbaarse manier van 11 september. De verbijstering wordt nog vergroot doordat het binnen de hedendaagse ideologie moeilijk is te denken in termen van «goed empire». Net zoals gold voor enkele vroegere imperiums is veel van wat Amerika de wereld brengt waardevol, wat geenszins garandeert dat het welkom zal zijn bij de volkeren, laat staan de belangen, waar het zich mee bemoeit.

Ook democratie is een bron van verwarring. De Amerikaanse politieke klasse gelooft dat democratie inherent vreedzaam en on-imperialistisch is. Daar zit iets in. Democratie voert geen oorlog voor de lol of voor status in de stijl van ouderwetse strijders-aristocratieën. Maar zelfs de moderne Amerikaanse geschiedenis levert het voorbeeld van de oorlog tussen de Unie en de Federatie. Zonder twijfel waren beide perfect democratische natiestaten aangezien ze allebei stemrecht onthielden aan vrouwen, inheemse Amerikanen en (ook zelfs vaak in de Unie) zwarten. Naar die maatstaven bestond democratie voor 1945 nauwelijks ergens. Niettemin werd zowel de Unie als de Federatie in stand gehouden door enorme toewijding van het volk en het electoraat, en ze lagen veel dichter bij democratische natiestaten dan vrijwel alle andere polities van hun tijd. Dat verhinderde conflicten in het geheel niet, maar maakte het juist meer totaal en verschrikkelijk.

Achter de claims voor democratie ligt vaak een zeer Verlichting-achtig (en zeer Amerikaans) optimisme over de menselijke natuur, indien niet ingeperkt door kwade elites en bijgeloof. Maar de Anglofone blanke kolonistendemocratieën van de negentiende en twintigste eeuw waren de meest democratische doch ook de meest racistische polities van hun tijd. De economische en culturele belangen van inheemse volken waren over het algemeen veiliger onder bureaucratisch of aristocratisch bestuur dan onder kolonistendemocratie. Dat zou verbazing hebben gewekt noch bij Francesco Guicciardini noch bij David Hume, die allebei stelden dat het slechtste aller noodlotten was onderdaan te zijn van een republiek van burgers. Evenmin waren Anglofone kolonisten in het bijzonder kwaadaardig in dit opzicht. Algerijnse inheemsen hadden het beter onder het militaire bewind van Napoleon III dan onder de democratische Derde Republiek, ondanks alle bezweringen van die laatste over vrijheid, gelijkheid en broederschap. In een steeds meer geïntegreerde mondiale economie die is gebaseerd op enorme machtsverschillen tussen eerste en derde werelden, is het allesbehalve overduidelijk dat democratie in de Eerste Wereld de belangen van de Derde Wereld garandeert.

Wat zegt de geschiedenis van empire ons over de kwetsbaarheid van het Amerikaanse imperium en de huidige wereldorde? Eén manier om die vraag te beantwoorden is te denken in termen van bronnen van imperialistische macht. In The Sources of Imperial Power identificeerde Michael Mann er vier: militair, politiek, economisch en ideologisch/cultureel. In mijn eigen boek over empire heb ik daar geopolitieke en demografische macht aan toegevoegd.

Neem militaire macht; Amerika is misschien waar Engeland was in 1825. Net als in het Britse geval, na uiteindelijk Frankrijk te hebben verslagen in de oorlogen van 1689-1815, kan het Amerikaanse imperium een tijdlang in zekerheid leven tegen historisch lage kosten. In de loop van de tijd zullen de problemen groeien, en de kosten ook, net zoals gebeurde met het twintigste-eeuwse Groot-Brittannië. De kwestie zal dan worden of de Amerikaanse maatschappij de intelligentie, de wil en de cohesie heeft om die problemen het hoofd te bieden.

In termen van ideologische macht is een belangrijk punt dat de ideologie van het Amerikaanse imperium democratisch en egalitaristisch is, maar de wereld waarin we leven is ongelijker dan in 1500, toen expliciet inegalitaire ideologieën heersten. De geschiedenis van empire suggereert moeilijk heden wanneer ideologie en realiteit te ver uit elkaar drijven.

Veel moderne verschijnselen combineren mijn bronnen van imperialistische macht op tegenstrijdige manieren. Neem bijvoorbeeld de rol van vrouwen in het hedendaagse Amerika. Het mobiliseren van vrouwelijke brainpower en ambitie is een enorme toegevoegde bron van economische macht. Het is ook vaak een bron van Amerikaanse ideologische macht, gezien de aantrekkelijkheid ervan voor middle-class buitenlandse vrouwen (hoewel soms exact het tegenovergestelde voor hun mannen). Aan de andere kant is demografie ook macht: als vrouwen status en zekerheid niet langer voornamelijk hoeven te ontlenen aan het huwelijk en het moederschap, dan zal het geboortecijfer drastisch dalen. Het grootste deel van de afgelopen driehonderd jaar zijn de Europese cijfers gestegen in verhouding tot die van de volken op andere continenten. Sinds 1945 is dat patroon totaal omgekeerd, met belangrijke consequenties voor het machtsevenwicht in de wereld. Hier zou de ideologische macht van de VS echter van belang kunnen zijn. Immigratie is een deel van de Amerikaanse identiteit. Als Romeinse parallellen opgaan, dan zal het niet uitmaken als de meeste Amerikanen in 2200 niet blank zijn, zolang ze zijn «gewonnen» voor de Amerikaanse ideologie en cultuur.

Voorspellen hoe lang het Amerikaanse «empire» zal duren, is onmogelijk. De geschiedenis van empire is het verhaal van het onverwachte. In de vroege jaren 630 hadden de heersers van Byzantium evenveel reden voor imperialistisch triomfalisme als Washington heeft na de overwinning in de Koude Oorlog. De oeroude Perzische vijand was overwonnen na jaren van conflicten, maar binnen een paar jaar na die triomf explodeerde een nieuwe bron van ideologische macht — de islam — vanuit de Arabische woestijnen en bracht het imperium bijna ten val. Gezien de snelheid waarmee de technologie vooruitgaat, is er nu méér reden het onverwachte te verwachten dan het geval was in 630.

Desondanks heerst in sommige gebieden de continuïteit. Aan de vooravond van de twintigste eeuw schreef de Amerikaanse geopolitieke denker Alfred Mahan dat op de lange duur de mogelijkheid van de Anglo-Amerikaanse beschaving om haar mondiale hegemonie in stand te houden, afhing van haar succes in het overhalen van de nascent Aziatische middle classes tot het aanvaarden van haar waarden. Dat geldt nog steeds. Zelfs als ze bij elkaar blijven, zullen Amerikanen en West-Europeanen gedwongen worden de mondiale stabiliteit op eigen kracht te handhaven. Maar 1,25 miljard Chinezen naar de Eerste Wereld brengen, zal een reusachtige uitdaging zijn. De Chinese staat een gelijkwaardige partner maken in een door Amerika gedomineerde wereld kan problemen opleveren die niet minder moeilijk zijn dan het integreren van imperialistisch Duitsland in de door Engeland gedomineerde wereldorde van 1900. De «great game» van empire is nog lang niet afgelopen.

Dominic Lievens boek Empire: The Russian Empire and its Rivals is onlangs in paperback uitgegeven door Pimlico

Vertaling: Rob van Erkelens

Illustraties: Milo