De geschiedenis van het geluk

Wordt geluk ons door hogere krachten toebedeeld? Kunnen we het zelf afdwingen? Is proberen gelukkiger te worden even zinloos als proberen langer te worden? De kwestie houdt ons al sinds de Grieken bezig.

In zijn laatste theaterprogramma speelde Najib Amhali een scène waarin hij trouwt. De bruiloft wordt opgeluisterd door zijn vriend Mo, een typische «kutmarokkaan» die enige tijd in de gevangenis heeft gezeten. Mo is zo goed ingeburgerd dat zijn bijdrage aan het feest bestaat uit het meest oubollige optreden dat denkbaar is: het alfabet. Aanbeland bij de letter G heeft hij het eerst, zonder het woord te noemen, over de gevangenis. Dat is de plek waar niemand je komt opzoeken, ook niet degenen die zich daarvoor jouw vrienden noemden. Maar hij wijst erop dat de G ook staat voor Geluk. Dat heeft bruidegom Najib. Mo wil ook gelukkig zijn en heeft gehoord dat je het geluk moet afdwingen. Dus toen hij een meisje zag waarvan hij dacht dat hij daar gelukkig mee zou worden, heeft hij haar alleen maar een beetje gedwongen. En toen belandde hij in de andere G. Een deel van Mo’s verwarring komt voort uit de twee betekenissen die bij het woord geluk vaak door elkaar lopen. Geluk betekent niet alleen een toestand waarin iemand in balans en volmaakt tevreden is, maar heeft ook de connotatie van mazzel. Dan speelt het toeval, of zo men wil het lot, de hoofdrol. Gelukkig zijn is iets waar je invloed op hebt. Geluk hebben is dat niet.

Dat het woord geluk deze twee uiteenlopende betekenissen heeft, is geen eigenaardigheid van het Nederlands. Ook het Duitse Glück en de Italiaanse, Spaanse en Portugese afleidingen van het Latijnse felicitas hebben dezelfde dubbele betekenis. Het Engelse happiness komt van de Middel-Engelse en Oud-Noorse wortel happ, wat «toeval», «lot» en «wat er in de wereld gebeurt» betekent. De verwantschap met to happen en perhaps is dan ook geen toeval.

In zijn eind vorig jaar verschenen boek Geluk, een geschiedenis laat de Amerikaanse ideeënhistoricus Darrin McMahon zien dat die twee betekenissen het resultaat zijn van de ontwikkeling die het denken over geluk heeft doorgemaakt. De fatalistische notie van geluk als toeval is veel en veel ouder dan de interpretatie van geluk als volmaakte zijnstoestand, die je volgens Mo zelfs kunt afdwingen. Uit de verschillende woorden die de Grieken hadden om gelukzaligheid aan te duiden, blijkt duidelijk dat zij het geluk zagen als een geschenk en niet als een eigen prestatie. Zowel olbios als makarios betekent «gezegende», en het veel gebruikte eudaimonia is een combinatie van eu («goed») en daimoon («god», «geest» of «demon»).

McMahon gaat uitgebreid in op de ontwikkeling die dit begrip eudaimonia in de Griekse en Romeinse oudheid doormaakte en op de verschillen tussen allerlei filosofische scholen. Uiteindelijk deelden de Grieken en Romeinen wel een aantal veronderstellingen. Geluk was in hun ogen geen subjectieve staat, maar een objectieve toestand en werd niet gemeten in momenten maar in mensenlevens. Het was hoogmoed om iemand voor zijn dood gelukkig te noemen, omdat je immers nooit wist wat de goden nog voor hem in petto hadden. Geluk was de compensatie voor een deugdzaam, harmonieus en uitgebalanceerd leven. Aristoteles had geluk gedefinieerd als «voorspoed gecombineerd met deugdzaamheid, of als een onafhankelijk leven, of als een zeer prettig leven dat niet bedreigd wordt, of als een goede conditie van lijf en goed, samen met het vermogen dat te bewaken en te gebruiken».

Deze invulling van het begrip geluk sloot het genot niet uit, maar over het algemeen werd dit toch met enige argwaan of zelfs minachting bekeken. Behalve een geschenk van de goden was geluk in belangrijke mate het resultaat van discipline en hard werken, onder de sturende leiding van de ratio. Het ging in de oudheid dus niet om je goed voelen, maar om goed zijn. Bovendien was het lang niet voor iedereen weggelegd, maar alleen voor hen die door de goden begunstigd werden en dus deel uitmaakten van de maatschappelijke elite.

In onze ogen doet deze vorm van geluk, die we tragisch zouden kunnen noemen, wellicht al te verstandelijk, ondemocratisch en zelfs kil aan. Toch schuilt er iets troostrijks in. Veel mensen lijnen tegenwoordig omdat ze er niet in slagen gelukkig te zijn. Ze hebben het gevoel gefaald te hebben. En wanneer ze door rampspoed worden getroffen zijn ze eerder uit het lood geslagen. De Grieken en Romeinen hadden hier veel minder last van. In hun deugdethiek speelde constantia oftewel standvastigheid een belangrijke rol. Ook als de goden het op je gemunt hebben, kun je proberen zo goed mogelijk te leven. Wanneer de balans van je leven wordt opgemaakt, kan er dan toch worden gezegd dat je een gelukkig leven hebt geleid, ondanks alles?

Ook in het vroege christendom had geluk niets te maken met je goed voelen, maar was het een objectieve staat die pas aan het eind van een duidelijk gemarkeerde weg werd bereikt. Het geluk bleef een telos, een doel, waarbij de deugdzaamheid de belangrijkste gids was. Maar anders dan bij de Grieken en Romeinen was het geluk niet iets wat, als beloning voor de individuele inspanningen, slechts een beperkte groep ten deel viel. Het was Gods genade die bepaalde of iemand uitverkoren was om gelukkig te worden. Dat geluk was uiteraard niet een zaak van het aardse leven, maar zou zich openbaren in het hiernamaals. Over de mate waarin de mens zelf nog enige invloed op de uitverkiezing door God kon uitoefenen, zouden de forse meningsverschillen tijdens de Reformatie in volle hevigheid naar buiten komen.

Evenals de tragische visie op het geluk van de Grieken en Romeinen bood het christelijke geloof in de hemelse gelukzaligheid de mensen een houvast. Honger, pest, oorlog, machtsmisbruik – wie hierdoor geplaagd werd had het niet aan zichzelf te danken. De hoeveelheid ellende die in de Middeleeuwen over de mens werd uitgestort, was immers de straf voor de zondeval. In zijn De miseria condicionis humane verlustigde Lotario dei Seigni zich in een beeldende schildering van het menselijk tekort: «Tijdens zijn leven brengt hij luizen en lintwormen voort; als hij dood is, verwekt hij wormen en vliegen; tijdens zijn leven produceert hij drek en braaksel; als hij dood is produceert hij verrotting en stank.» In contrast hiermee was de hemelse gelukzaligheid een wenkend perspectief.

De grote omslag in het denken over geluk vond plaats tijdens de Verlichting, toen de pijlers onder het christelijk wereldbeeld een voor een werden opgeblazen. In zijn Leviathan (1651) stelde Thomas Hobbes dat het «pure en absolute» Goede niet bestond, en dat dit ook gold voor het Kwade. Zodoende kende het menselijk leven geen uiteindelijk doel. «Aanhoudend erin slagen te bemachtigen wat je van het ene moment op het andere wilt hebben, dat wil zeggen dat het je aanhoudend goed gaat, dat is wat de mensen Geluk noemen; ik bedoel het geluk van dit leven. Want er bestaat niet zoiets als eeuwige gemoedsrust in dit leven, want het leven zelf is louter beweging en kan nooit zonder verlangen zijn, noch zonder vrees, net zo min als zonder gewaarwordingen.»

Het gaat dus niet om het opmaken van de eindbalans, maar om het onophoudelijk najagen van gelukzalige momenten. In zijn nog altijd zeer lezenswaardige Het Europese denken in de achttiende eeuw (1946, Ned. vert. 1993) noemde Paul Hazard het geluk «de Graal der nieuwe tijden», het illusoire object van een eindeloze queeste. Hij citeerde ene Madame de Puisieux: «Het geluk is een bal waar wij achteraan rennen wanneer hij rolt en die wij voort trappen wanneer hij stil komt te liggen (…) men is heel moe wanneer men eindelijk besluit te gaan rusten en de bal de bal te laten.» Geluk is mensenwerk geworden, af te dwingen in het hier en nu. De moderne mens dreigt zo een verslaafde te worden, die steeds een nieuw shot nodig heeft.

Hazard wees erop dat dit een devaluatie van de gelukzaligheid betekent. Die richt zich immers niet meer op het absolute maar op het haalbare. Op zijn best leidt dit tot een stoïcijnse evenwichtigheid, die zich niet dood galoppeert in de rusteloze jacht naar piekervaringen. Als voorbeeld wees Hazard op Montesquieu, die zich op een zeker moment realiseerde dat hij de «staat der Engelen» nooit zou bereiken en dat het dus geen zin had zich hierdoor te later frustreren: «Zijn ziel hecht zich aan alles; hij behoort tot de mensen die de dageraad die hen wekt en de nacht die de slaap brengt, met gelijke vreugde begroeten. Als hij zegt dat hij het op het platteland plezieriger vindt, wil dat niet zeggen dat hij aan Parijs een hekel heeft; hij voelt zich volmaakt op zijn gemak op zijn landgoed, waar hij alleen maar bomen ziet, en ook in de grote stad, te midden van mensen even talrijk als de zandkorrels in de zee.»

Deze beheerstheid van Montesquieu, die het voordeel had dat hij als welgesteld edelman in de positie verkeerde zijn leven naar eigen smaak en inzicht in te richten, was niet iedereen gegeven. Nu het hemelse geluk naar de aarde was verplaatst, verlangden velen naar het volle, niet-aflatende geluk. Bij het lemma Geluk in de Encyclopédie van Diderot en D’Alembert stelde Abbé Pestré de retorische vraag: «Heeft soms niet iedereen recht op geluk?»

Door het recht op geluk centraal te stellen, vervaagde de plicht tot een deugdzaam leven. Je goed voelen, daar ging het nu om. Toch rezen reeds in de achttiende eeuw twijfels aan de haalbaarheid van het geluk. Volgens Rousseau was het geluksverlangen door de natuur in het wezen van de mens geplant, maar was het tegelijkertijd onmogelijk om het geluk in deze wereld te realiseren. Bij hem leidde dit tot een radicale maatschappijkritiek, die na de verschrikkingen van de Franse Revolutie en de oorlogen van Napoleon zelf het onderwerp van kritiek werd. Rousseau’s twijfels werden in de Romantiek gecultiveerd. De meeste romantici zagen in dat het achttiende-eeuwse gehuppel achter de bal mateloos oppervlakkig was.

Toch was het melancholische pessimisme van de romantici tot op zekere hoogte niet veel anders dan de verveling van mensen die alles al gedaan en gezien hadden. Voor de overgrote meerderheid van de bevolking betekende de technologische en economische vooruitgang, die met de industriële revolutie in een stroomversnelling raakte, een eerste kennismaking met materiële genoegens. Voldoende en gevarieerder voedsel, acceptabele huisvesting, een betere gezondheid en een langere levensduur en de zekerheid dat je dit alles morgen niet onmiddellijk weer kwijt kunt raken: nog altijd wordt dit met geluk geassocieerd, althans door de honderden miljoenen mensen die deze elementaire levensvoorwaarden ontberen.

Zodra dit niveau echter is bereikt, beginnen de problemen. De volkswijsheid dat geld niet gelukkig maakt, wordt volgens McMahon gestaafd door allerlei statistieken, die laten zien dat boven een bepaald jaarinkomen de mate waarin mensen zichzelf als gelukkig beschouwen nauwelijks meer toeneemt, en door psychologisch onderzoek. De mate waarin mensen zich gelukkig, tevreden en in balans voelen, heeft voor een groot deel te maken met genetische aanleg en veel minder met omstandigheden. Volgens één onderzoek zijn zowel mensen die extreme mazzel hebben – bijvoorbeeld het winnen van de hoofdprijs in een loterij – als mensen die extreme pech hebben – zoals het verliezen van een been bij een verkeersongeluk – na ongeveer een jaar weer terug op hun oude geluksniveau_._ Volgens gedragsgeneticus David Lyken is «proberen gelukkiger te worden te vergelijken met proberen langer te worden». Zinloos.

Hiermee zijn we weer terug bij de Grieken. Je kunt je maar beter schikken in wat de genetische loterij je heeft toebedeeld en misschien kun je dan op het eind van je leven tot de conclusie komen dat het allemaal toch nog meeviel. Ware het niet dat hier onmiddellijk het spook van de genetische manipulatie opdoemt. Op de goden van de Grieken of de woestijngod van joden, christenen en moslims heeft niemand invloed. Met de genen kunnen we nog wat rommelen. De illusies van achttiende-eeuwse Verlichtingsdenkers als Condorcet, die geloofde dat de mens een staat van volmaaktheid kan bereiken, zullen dus opnieuw nagejaagd worden.

De mensen die achter deze bal aanrennen, zullen na afloop niet alleen moe maar ook onherkenbaar veranderd zijn. Ze konden dan wel eens even gelukkig zijn als Najibs vriendje Mo.