Verbeelding van een school in het jaar 2000. Gemaakt door Jean-Marc Côté rond 1900 © Publiek domein

In 1770 publiceerde de inmiddels vergeten Franse schrijver Sébastien Mercier het eerste populaire boek met een verhaal in de toekomst. In L’An 2440: Rêves s’il en fut Jamais (Het jaar 2440: Een droom, als die er ooit geweest is) waren de idealen van de zogeheten Verlichting werkelijkheid geworden en Mercier maakte duidelijk dat die toekomstige samenleving in alle opzichten wenselijk was. Internationaal verschenen er imitaties en vertalingen, en van politici als Thomas Jefferson en George Washington is bekend dat ze het boek in hun bezit hadden.

Vandaag de dag zien mensen allerlei toekomsten. Boeken, films, series en stripboeken spelen zich veelvuldig af in ‘de toekomst’ en trendwatchers en futurologen voorspellen in allerlei media wat voor veranderingen zich zullen aandienen in de komende jaren. Tegelijkertijd is het verbeelden van hoopvolle toekomsten in de afgelopen decennia vrijwel verdwenen. Bij toekomstbeelden denken we vooral aan werken als George Orwells 1984 of Margaret Atwoods The Handmaid’s Tale die onwenselijke, afschrikwekkende toekomsten verbeelden.

Mondjesmaat verschijnen er weer hoopvolle toekomstvisies in de wetenschap, de literatuur en de kranten. Onderzoekers van de Universiteit van Wageningen kwamen bijvoorbeeld met ‘een nieuw verhaal voor Nederland’, een toekomstvisie op hoe Nederland er in 2120 uit zou kunnen zien als er ruimtelijke keuzes worden gemaakt die ontwikkelingen als klimaatverandering, verstedelijking en de stijgende zeespiegel een plek geven.

Nu het verbeelden van wenselijke toekomsten weer een plek krijgt in het maatschappelijk debat is de vraag: wat kunnen we leren van de lange geschiedenis van het schrijven van de toekomst?

Verandering zonder geschiedenis

Al de hele geschiedenis probeerden mensen in de toekomst te kijken. Orakels, waarzeggerij, profetieën en religieuze beloftes over het hiernamaals getuigen daarvan. Maar de klassieke verkenningen van de toekomst draaiden altijd om specifieke eenmalige gebeurtenissen óf om een periode buiten de menselijke tijd. In het eerste geval gaat het om voorspellingen als de ontmoeting van een nieuwe geliefde of maatschappelijke gebeurtenissen zoals oorlogen of hongersnoden. De droom over de zeven vette en zeven magere koeien van de Farao van Egypte in het bijbelboek Genesis is hier een goed voorbeeld van. Verwachtingen van de toekomst buiten de tijd, zoals in de christelijke eindtijdverwachting, gaan juist over een periode nadat de menselijke, historische tijd ten einde is gekomen. Beide vormen van voorspelling betreffen echter niet de toekomst als een samenhangende periode na het heden waarin diverse sociale, politieke, economische, technologische en culturele ontwikkelingen tot een nieuw historisch moment hebben geleid. Het gaat niet om de toekomst als onderdeel van de geschiedenis. Die toekomst wordt pas in de achttiende eeuw ontdekt.

Vanaf de vijftiende en zestiende eeuw beginnen er wel fictieve boeken te verschijnen waarin alternatieve maatschappijen worden beschreven. Boeken als Thomas More’s Utopia (1516) of Francis Bacons Nova Atlantis (1627) spelen zich echter niet af in de toekomst. Deze en andere utopieën uit die tijd zijn ruimtelijk van aard. In dit soort werken stuit een reiziger op onontdekte plekken zoals een eiland waar alles anders (vaak beter) was dan op de plek waar de reiziger vandaan kwam. Schrijvers verbeeldden die alternatieve manieren van samenleven met het idee dat eenzelfde maatschappij ook in het echt opgebouwd zou kunnen worden. Dit is een indicatie dat de idee van de maakbaarheid van de samenleving begint op te komen. Maar het anders-zijn van die samenleving koppelden de schrijvers nog niet aan een proces van verandering. Hun utopieën stonden los van het verloop van de tijd; ze zijn ahistorisch.

De eerste populaire toekomst

De eerdergenoemde Sébastien Mercier deed dus een revolutionaire zet toen hij de wenselijke toekomst van Parijs aan de loop van de geschiedenis verbond. Niet langer was de utopie gesitueerd in een onbekende plek in de eigen tijd, maar op een eigen plek in een onbekende tijd. L’An 2440 was tevens het eerste werk dat een toekomstig jaar in de titel droeg, zoals Orwells 1984 een aantal eeuwen later ook zou doen.

In L’An 2440 wordt de hoofdpersoon wakker in het Parijs van de 25ste eeuw, of hij droomt dat in ieder geval. In dit Parijs van de toekomst ontmoet de hoofdpersoon een wetenschapper die hem de wonderen van de toekomst laat zien, zoals Vergilius Dante rondleidt in De goddelijke komedie. Al gauw blijkt dat de toepassing van de Rede op allerlei aspecten van het dagelijks leven de wereld ten goede heeft veranderd. Zo vechten naties niet langer oorlogen uit en staan burgers onder heerschappij van een filosoof-koning die is gebonden aan een grondwet. Deïsme, een destijds nieuwe en omstreden filosofische opvatting, is de nieuwe staatsreligie. Het houdt in dat God als een soort ‘horlogemaker’ wel de schepper van het universum en de natuurwetten is, maar zich er niet meer mee bemoeit. Verder is de slavernij afgeschaft. De invloed van edelen, geestelijken en met name de paus is teruggedrongen. Onderwijs is voor iedereen toegankelijk. De natuurwetenschappen zijn onderdeel geworden van het basisonderwijs, Grieks en Latijn zijn vervangen door lessen in Italiaans, Duits, Engels en Spaans. De wereld, zo moeten veel lezers toen hebben begrepen, is in 2440 een betere plek.

Het toekomstbeeld van Mercier is enerzijds een visie op hoe een toekomstige samenleving eruit kan zien als de dominante sociaal-politieke ideeën uit de eigen tijd zijn verwezenlijkt. Tegelijkertijd is het daar ook door bekneld. Het zijn de achttiende-eeuwse idealen over sociale, morele en politieke verbetering geprojecteerd op de 25ste eeuw, zonder de overweging dat er in de tussentijd weer veel nieuwe ideeën zullen ontstaan. De lezer van nu valt op dat er in deze ogenschijnlijk ‘verlichte’ toekomst geen plek is voor atheïsten, libertijnen en veel schrijvers uit het verleden van wie ‘achterlijke’ of nog steeds controversiële boeken verbrand zijn.

Merciers ‘tour door de toekomst’ toont desalniettemin de geboorte van een radicaal idee: dat de toekomst een historische periode is die je kunt verbeelden. Dat was toen een politieke daad en is dat sindsdien ook eigenlijk altijd gebleven: de verbeelding van de toekomst is een bijdrage aan het gesprek over een betere maatschappij. Dat was destijds zo radicaal dat het controversieel was: het Vaticaan en de Spaanse Inquisitie verboden het boek.

De ‘televisiekrant’ uit de reeks ‘Can It Be Done’ van sciencefictionmagazine Scoops, 1934-1935

Historisch besef en de toekomst als tijdperk

Ook in de non-fictie werd de toekomst ontdekt. Marquis de Condorcet beschrijft in zijn historische werk Schets van een Historisch Tafereel over de Vorderingen van ’s Menschen Geest (1795) de vooruitgang van de mensheid in het verleden. In het laatste hoofdstuk wordt deze vooruitgang doorgetrokken naar de toekomst. De Condorcet voorspelt wat er nog meer zal veranderen, zoals het einde van de ongelijkheid tussen landen en klassen en de afschaffing van de rechtsongelijkheid tussen de seksen.

Bij zowel Mercier als De Condorcet is zichtbaar dat ‘de toekomst’ wordt opgevat als een historische periode na het heden die verbonden is aan de geschiedenis door een proces van verandering. Dat is een specifieke denkvorm die geen historische constante is. Een veranderend gebruik van woorden als ‘verleden’, ‘toekomst’ en ‘geschiedenis’ in historische bronnen suggereert dat er rond de achttiende eeuw iets veranderde in de Europese tijdservaring; het historisch besef ontstond.

Vanaf de achttiende eeuw wordt het gangbaar om te denken dat alle gebeurtenissen uniek zijn en hun eigen plaats in de tijd kennen. Dat is nu een dusdanig wezenlijk onderdeel van het moderne bewustzijn dat het sindsdien werkelijk onvoorstelbaar is dat het ooit anders is geweest. Toch was dit zo. Eerder was de gangbare opvatting in Europa dat er nooit iets werkelijk nieuws onder de zon zou zijn. De geschiedenis was toen meer een soort kaartenbak van morele en politieke voorbeelden voor het heden. Vanuit die opvatting kon Cicero schrijven dat de geschiedenis de leermeester voor het leven was – historia magistra vitae.

In de achttiende eeuw wordt verschil door de tijd heen een vanzelfsprekend onderdeel van de werkelijkheid. De menselijke ervaring van tijd bestaat er sindsdien uit dat de gehele werkelijkheid gekenmerkt wordt door een constant proces van verandering dat we ‘geschiedenis’ noemen. Deze notie van geschiedenis als een proces van verandering stelt mensen in staat om het verloop van dat proces als het ware ‘vooruit te spoelen’ als een film. Zo wordt de toekomst als historische periode ontdekt.

Deze ontdekking van de toekomst gaat gepaard met het idee dat het handelen van mensen de sociale werkelijkheid vormgeeft. Het wordt gemeengoed om te denken dat de loop van de geschiedenis door mensen wordt beïnvloed. En dat het zinvol is om de periode na het heden alvast te verbeelden.

De almachtige staat van de toekomst

In de negentiende eeuw nam de technologie een hoge vlucht: telegraaf, stoommachine en spoor werden halverwege deze eeuw onderdeel van het dagelijks leven. De enorme hoeveelheid technologische uitvindingen vergrootte bij veel westerlingen het bewustzijn van verandering. In het Crystal Palace in London werden tijdens de Wereldtentoonstelling van 1851 alle wonderen van de moderne wereld tentoongesteld. Het optimisme was bij velen groot. Maar achter de vruchten van die vermeende vooruitgang school een grimmige wereld van enorme economische ongelijkheid, sociale kwesties, gewelddadige opstanden en frequente economische crises. In dit mengsel van optimisme, maakbaarheid en de noodzaak tot verandering ontstond de grootste en meest diverse hoeveelheid utopische fictie die de wereld tot nu toe heeft gezien.

Iets meer dan honderd jaar na Merciers werk zorgde een fictief bezoek aan de toekomst wederom voor een wereldwijd gesprek over wat de wenselijke richting van de geschiedenis was. De Amerikaan Edward Bellamy beschreef in Looking Backward, 2000-1887 (1889) hoe Julien West na een lange slaap wakker werd in het jaar 2000. Hij trof daar een technologisch geavanceerde samenleving aan die privaat eigendom had afgeschaft. Bellamy schreef dat in de toekomst alles in handen was van de staat, en dat iedereen voor de staat werkte. In het nieuwe systeem was iedereen gelijk en kreeg iedereen wat hij nodig had. Men hoefde veel minder te werken en iedereen ging op z’n 45ste met pensioen. Een schril contrast met het dagelijks leven van veel mensen toen, én nu.

Met het jaar 2000 als standplaats kon Bellamy de negentiende eeuw historiseren. Hij zag zijn eigentijdse negentiende eeuw als een dieptepunt in de geschiedenis, en dat rechtvaardigde de voorgestelde veranderingen. Een jaar voor publicatie van zijn boek hadden arbeiders en de politie vier dagen gevochten in Chicago tijdens de Haymarketrellen. De gewapende klassenstrijd leek los te barsten. En de roep om verandering was groot. Maar Bellamy vertelde dat de transitie naar zijn toekomstige samenleving geweldloos was gegaan omdat iedereen gezien had dat het noodzakelijk en beter was.

Looking Backward was een enorme bestseller: het was het tweede boek ooit waarvan een half miljoen exemplaren werden verkocht. Wereldwijd werden er reacties geschreven, vaak ook weer in verhalende vorm. Lezers richtten clubs op om de ideeën te bespreken en nieuwe politieke bewegingen moesten het gedachtegoed verwezenlijken. Niet alle reacties waren overigens positief. Zo hekelde de Britse socialist en kunstenaar William Morris de staatsmacht en schreef hij zijn eigen ‘tegen-utopie’: News From Nowhere (1890). In deze roman is de staat juist verdwenen en leven mensen in kleine rurale gemeenschappen harmonieus samen. Ook deze utopie werd verbonden aan het verloop van de geschiedenis. Maar in dit boek wordt de utopie als logisch eindpunt van de geschiedenis juist gerealiseerd na een bloedige revolutie die het einde van de klassenstrijd markeerde.

Het is opvallend dat veel van deze laat-negentiende eeuwse utopische toekomstromans de nadruk legden op de sociale veranderingen die werden bewerkstelligd in de toekomst, niet op de technologische mogelijkheden. Dat toont het geloof in de sociale en politieke maakbaarheid van de samenleving. Met de focus op sociale verandering onderscheidden de utopische werken zich van een ander type boek dat in deze tijd ook begon te verschijnen: avonturen in een futuristische setting waarbij wetenschappelijke inzichten en technologische mogelijkheden een belangrijk onderdeel vormen van het verhaal. Dat zouden we tegenwoordig sciencefiction noemen, maar die term is van later. De purist en historicus hanteren het label daarom liever niet voor eerdere werken. Toch ontstaat in de late negentiende eeuw het begin van een genre dat vandaag de dag niet is weg te denken. Een van de schrijvers die daaraan een belangrijk bijdrage heeft geleverd is H.G. Wells, die ondanks de voorgaande kanttekening weleens ‘de vader van sciencefiction’ wordt genoemd. In een baanbrekend werk uit de late negentiende eeuw toont hij hoe nieuwe ideeën over het verloop van de tijd van invloed zijn op de ervaring ervan.

Een ‘waterwandeling’ in het jaar 2000. Uitgegeven bij de chocoladeverpakkingen van Theodore Hildebrand en Zoon rond 1900 © Publiek domein

De uitvinding van de tijdmachine

In The Time Machine: An Invention (1895) komt Wells met een literaire innovatie die alleen kan bestaan bij gratie van de opvatting dat geschiedenis een allesomvattend proces van verandering is waarin unieke gebeurtenissen in verleden, heden en toekomst een vaste plek hebben. Wells beschrijft een machine waarmee door de geschiedenis te reizen is, omdat de tijd (of geschiedenis) vooruit en achteruit kan worden gespoeld. Hij was daarbij mogelijk geïnspireerd door de recente opkomst van film:

‘Mrs Watchett came in and walked, apparently without seeing me, towards the garden door. I suppose it took her a minute or so to traverse the place, but to me she seemed to shoot across the room like a rocket. I pressed the lever over to its extreme position. The night came like the turning out of a lamp, and in another moment came tomorrow.’

Wells was overigens niet de eerste die een tijdmachine bedacht. Enkele jaren eerder had de Spaanse Enrique Gaspar een vergelijkbare machine verzonnen, de ‘anacronópete’, maar door Wells werd de uitvinding populair. Opmerkelijk is ook dat er, voor zover bekend, in de hele literatuurgeschiedenis geen tijdmachine was, en dat deze vervolgens in een paar jaar tijd twee keer wordt uitgevonden.

In The Time Machine speelt Wells met meer belangrijke ontdekkingen over het verloop van de tijd. Tussen de late achttiende eeuw en vandaag de dag is het beeld van de chronologie van het universum, de aarde en de mensheid fundamenteel veranderd. Waar men in de achttiende eeuw nog overwegend gedacht had dat de aarde zo’n zesduizend jaar oud was, ontdekten botanisten, geologen, paleontologen, biologen en astronomen dat de aarde veel ouder moest zijn. Ze ontdekten de ‘diepe tijd’. Het is bijna niet voor te stellen hoe desoriënterend de verklaringen voor de vondst van bijvoorbeeld fossielen moeten zijn geweest. Inmiddels is er wetenschappelijke consensus over dat de aarde zo’n 4,5 miljard jaar oud is en het universum 13,7, maar destijds waren zulke ideeën behoorlijk controversieel. Deze onvoorstelbare tijdschalen onttroonden de mens uit het centrum van de geschiedenis, zoals die eerder al onttroond was uit het middelpunt van het heelal. Alsof dat nog niet genoeg was, kwam Charles Darwin in de loop van de negentiende eeuw ook nog met de boodschap dat de mens was voortgekomen uit de aap. Niet alleen samenlevingen bleken onderhevig aan een proces van verandering. Het verstrijken van de tijd maakte ook het universum en het leven onderdeel van het veranderende proces dat geschiedenis is.

Wells gebruikte deze nieuwe inzichten over de reikwijdte van de diepe tijd om de hoofdpersoon enorme afstanden te laten afleggen in zijn tijdmachine. Via een inventief avontuur verweefde hij eigentijdse ideeën over klassenstrijd, de evolutietheorie en de diepe tijd van het universum in een pessimistisch toekomstbeeld met een maatschappijkritische boodschap. Miljoenen jaren in de toekomst ontdekt de hoofdpersoon dat het menselijk ras is ‘gedevolueerd’ in twee nieuwe soorten. De ene soort, zo constateert de reiziger, is voortgekomen uit de luie kapitalistische aristocratie, de andere uit de nijverige arbeidersklasse. Zelfs dat ging voor Wells niet ver genoeg. Het boek sluit af met het beeld van de reiziger aan het einde van de tijd. In een desolate wereld aanschouwen hij en de lezer de warmtedood van het universum – ook de verandering houdt een keer op.

Ondergang en herontdekking van het hoopvolle toekomstbeeld

Na Wells’ The Time Machine verandert er iets belangrijks. Net als in The Time Machine leveren auteurs na Wells hun bijdrage aan de dialoog over de toekomst in toenemende mate via pessimistische toekomstbeelden die vooral laten zien wat niet wenselijk is. Deze zijn weliswaar vrijwel altijd bedoeld om aan te zetten tot maatschappelijke verandering ten goede in het heden, maar ze doen dit niet langer door te verbeelden wat de gewenste richting van het verloop van de geschiedenis is.

Deze verandering zette door in de twintigste eeuw. Het negentiende-eeuwse geloof in de vooruitgang en het utopische toekomstbeeld raakten in diskrediet na de verschrikkingen van de Eerste en Tweede Wereldoorlog en de totalitaire regimes in Rusland, Duitsland, China en elders. Het werd duidelijk dat het staatsapparaat en nieuwe technologische mogelijkheden in de verkeerde handen ook konden leiden tot vormen van samenleven die met vooruitgang niets te maken hadden. Dat had William Morris bij het toekomstbeeld van Edward Bellamy ook al bespeurd. Daarnaast liet de dekolonisatie zien dat het idee van vooruitgang altijd al betrekkelijk was geweest: vooruitgang voor wie eigenlijk, en ten koste van wat? Gedurende de twintigste eeuw nam de hoeveelheid utopische fictie dan ook drastisch af, om als genre eigenlijk nooit meer zo populair te worden als in de tweede helft van de negentiende eeuw. De tegenhanger van de utopie, de dystopie die een niet-wenselijke toekomst verbeeldt, werd wel zeer populair.

De eigentijdse chroniqueur van de toekomst moet zich rekenschap geven van deze geschiedenis van de toekomst en de veranderende ervaring van tijd. Daaruit blijkt allereerst dat een hoopvol toekomstbeeld in staat is om mensen enthousiast te maken over veranderingen en ze politiek te mobiliseren. Maar de geschiedenis van toekomstbeelden leert ons ook dat elke utopische toekomst de mogelijkheid van totalitarisme in zich draagt, dat vooruitgang zelden vooruitgang voor iedereen is en dat handelen vanuit een idee van maakbaarheid ook kan leiden tot onbedoelde en onvoorziene gevolgen. Het is daarom van groot belang om wenselijke toekomsten te bediscussiëren aan de hand van toekomstbeelden. Essentieel daarbij is een herwaardering van het idee dat mensen, of collectieven, met hun handelen de sociale werkelijkheid vormgeven.

Inmiddels keert de hoopvolle toekomstroman terug, met de bijbehorende maatschappelijke impact. Op een lijstje met de favoriete boeken van Barack Obama in 2020 prijkte The Ministry for the Future van de gevierde sciencefiction-auteur Kim Stanley Robinson. Het is een boek over hoe de wereld met vereende krachten succesvol de klimaatverandering een halt heeft toegeroepen. Robinson beschrijft welke politieke keuzes en technologische ingrepen daaraan hebben bijgedragen. Het omvormen van het financiële systeem zodat dit in dienst komt te staan van een leefbare planeet is daarbij een van de belangrijkste ontwikkelingen. Het linkse Amerikaanse tijdschrift Jacobin zag overeenkomsten tussen Bellamy’s Looking Backward en The Ministry for the Future. Robinson erkende dat hij Bellamy’s boek een belangrijk werk vond omdat het een impact had gehad op de echte wereld. Net als Bellamy had ook Robinson willen laten zien dat er een nieuw en beter sociaal systeem kan komen. ‘Het is moeilijk om een positieve geschiedenis te verbeelden, maar het is niet onmogelijk.’

Marijn Rombouts heeft geschiedenis en filosofie gestudeerd. Dit artikel is gebaseerd op de masterscriptie Fast-Forward: Time and History in Future Fiction. Rombouts werkt nu bij het ministerie van Binnenlandse Zaken