De gespleten weiden van afrodite

DE IN 1988 verschenen novelle De elementen van Harry Mulisch bevatte zoveel verwijzingen naar de klassieke oudheid op zo weinig bladzijden en stond daardoor zo stijf van de pretenties dat Yves van Kempen in deze krant veronderstelde een parodie in handen te hebben. Dat de hoofdpersoon Dick Bender, de gemankeerde schrijver die tijdens zijn vakantie op Kreta door een blusvliegtuig wordt geschept en omkomt in een door zijn vrouw gestichte bosbrand, iets met Ikaros gemeen had, was niet moeilijk te ontdekken. Het Oidipous-motief haalden de meeste lezers er ook wel uit. Christelijke details als het agnus Dei dat zich midden in de brand tegen Dick aanvlijt, bestonden slechts voor de fijnproevers, net als de identificatie van de hoofdpersonen met respectievelijk Zeus en Hera, Kronos en Rhea en Ouranos en Gaia.

Maar daarmee zijn we er nog niet. De elementen opent niet alleen met een citaat uit het leerdicht van Empedokles over de vier elementen, ook zijn de hoofdstukken naar die elementen genoemd: ‘Aarde’, 'Water’, 'Lucht’, 'Vuur’, waaraan Mulisch het aan Aristoteles ontleende vijfde element, de 'quinta essentia’, heeft toegevoegd. De schrijver wil kennelijk dat we ons in Empedokles verdiepen. Nu in de onvolprezen Baskerville Serie een complete editie met de vertaling van alle aan deze presocratische denker toegeschreven fragmenten is verschenen, kan iedere lezer nagaan wat Mulisch daaruit heeft opgestoken.
Verwijzingen naar de Griekse denkers uit de zesde en vijfde eeuw voor Christus zijn in onze letteren een vertrouwd verschijnsel, niet alleen bij Mulisch, ook bij iemand als Hans Faverey. De bekendste drie zijn Pythagoras, Parmenides en Herakleitos, terwijl ook Parmenides’ leerling Zeno enige faam geniet als bedenker van het raadseltje over Achilles en de schildpad.
Dat deze filosofen tot de verbeelding spreken is begrijpelijk. In de eerste plaats is hun werk uitsluitend in fragmenten overgeleverd, zodat vaak onduidelijk is waarover ze het hebben en de lezer naar eigen inzicht kan combineren, deduceren en interpreteren. In de tweede plaats vertonen de teksten een hechte verwevenheid van religieus en natuurwetenschappelijk denken, hetgeen ze met name voor mystiek angehauchte charlatans zeer aantrekkelijk maakt. In de derde plaats grossieren deze denkers in een prettig ronkend absolutisme waarin voor nuancering geen plaats is. Zo beweert Parmenides dat slechts het zijnde bestaat, zodat het niet-zijnde tot niet-bestaan is veroordeeld; en aangezien men hieruit kan opmaken dat lege ruimte niet kan bestaan, is ook beweging onmogelijk. Herakleitos meent daarentegen dat bestendigheid onmogelijk is: alles is altijd in beweging, ook de tafel waaraan u deze krant leest.
MINDER BEKEND, maar minstens zo interessant als Parmenides en Herakleitos, is de Siciliaanse dichter, denker, wonderdoener en politicus Empedokles (waarschijnlijk 492-432 v.Chr.). Reeds tijdens zijn leven deden over hem de meest vreemde verhalen de ronde. Zo zou hij een dode vrouw tot leven hebben gewekt en, net als Herakles, de bedding van twee rivieren hebben omgelegd om het water van een derde te zuiveren. Over zijn dood bestaan verschillende versies; in de bekendste stortte hij zich, om te bewijzen dat hij een god was, in de Etna.
Evenals Parmenides verwoordde Empedokles zijn denkbeelden in de vorm van een leerdicht, waarvan ongeveer vijfhonderd regels bewaard zijn gebleven. Didactische poëzie is na Bilderdijks De ziekte der geleerden in diskrediet geraakt; de enige moderne specimina van dit genre die me te binnen schieten zijn Liefde, sterk vergroot en Over de dichtkunst van Leo Vroman. Dat is jammer, want de combinatie van wetenschappelijke inzichten met poëzie kan buitengewoon prikkelend zijn, hetgeen ook het geval van Empedokles bewijst.
Helaas heeft Rein Ferwerda Empedokles’ hexameters in proza vertaald, zodat wie geen Grieks kent maar moet aannemen dat de dichter zijn vorm perfect beheerste. Deze keuze voor een weergave in proza heeft het voordeel dat de vertaling inhoudelijk volkomen betrouwbaar is. Bovendien heeft Ferwerda de fragmenten zorgvuldig ingeleid en toegelicht, terwijl het boek wordt afgesloten met een hoofdstukje over de receptiegeschiedenis, waarin onder anderen Friedrich Hölderlin en Hans Andreus behandeld worden.
Volgens Empedokles is ons universum uit vier elementen opgebouwd - aarde, water, lucht en vuur - die onderhevig zijn aan twee krachten, Liefde en Haat. Empedokles gaat ervan uit dat er naast deze elementen niets kan bestaan. Omgekeerd is het heelal geheel van de elementen vervuld; er zijn dus geen plaatsen waar zich geen materie bevindt. De elementen zijn onvergankelijk en hebben altijd bestaan. Geboorte of ontstaan is niets anders dan een door Liefde veroorzaakte vermenging van twee of meer elementen, dood of vergaan is slechts een scheiding van elementen, onder invloed van Haat.
Zijn geboorte en dood dus begrippen die op menselijk misverstand berusten, dat wil niet zeggen dat de wereld om ons heen altijd geweest is zoals hij nu is. Empedokles ziet de geschiedenis van het heelal als een cyclisch proces. De cyclus begint steeds met een toestand waarin de elementen in volstrekte harmonie tot een bol zijn versmolten. In de bol heerst Liefde, de Haat is naar de periferie gedrongen. Buiten de bol bestaat niets: 'En daar zijn de snelle ledematen van de zon niet te onderscheiden, noch de ruige kracht van de aarde of de zee; in zo'n dicht dek van harmonische samenvoeging is daar de welgeronde Bol verankerd, die zich in vreugdevolle eenzaamheid vermeit.’ De bol is in alle richtingen aan zichzelf gelijk en volstrekt oneindig, 'aan zijn rug ontspruiten niet twee twijgen, geen voeten en geen snelle knieën of potente geslachtsdelen; geen tweedracht en geen strijd passen in zijn leden.’ In deze ideale toestand komt verandering doordat Haat roet in het eten gooit: 'Toen Haat in de ledematen tot volle wasdom was gekomen en naar de ereplaats gesprongen was, toen de tijd daar was die hun door een dure eed bij toerbeurt was toegemeten (…) werden alle ledematen van de god, de een na de ander, door elkaar geschud.’ Haat scheidt de elementen, waarna Liefde ze tot levende wezens combineert, totdat ten slotte de paradijselijke bol weer ontstaat.
Naast deze kosmologische beschouwingen spreekt Empedokles uitvoerig over The Origin of Species, over waarneming, en over de zegeningen van het vegetarisme, een idee dat hij van Pythagoras had. Dat doet hij in een homerische stijl met de prachtigste bijvoeglijke naamwoorden, vergelijkingen en metrische hoogstandjes. Zo vergelijkt hij de vorming van het oog met de constructie van een lantaarn, en spreekt hij over het vrouwelijk geslachtsorgaan als 'de gespleten weiden van Afrodite’.
Eenheid en gespletenheid, daarover gaat het bij Empedokles, maar ook bij Mulisch. Dick Bender is op zoek naar liefde en harmonie, die uiteindelijk belichaamd worden in een op de zeebodem aangetroffen marmeren hermafrodiet, het wezen waarin man en vrouw nog niet gescheiden zijn. Mulisch spreekt lezer en protagonist in de tweede persoon aan, zoals Empedokles zijn leerling Pausanias. En Dick laat zich gretig in het brandende bos vallen, zoals Empedokles de Etna in dook.
De elementen van Mulisch is best een leuk boek. Maar de versie van Empedokles is zeker zo spannend.