De politieke kloof

De getatoeëerde klasse liefhebben

Schrijver en wetenschapper David Van Reybrouck hekelt de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden, die doorspeelt in het parlement. Ex-CDA-ideoloog en cultuurchristen Anton Zijderveld pleit juist voor een grotere afstand tussen politiek en burger. ‘Je gaat het in de Tweede Kamer toch niet hebben over de prijs van een brood?’

‘ANGST IS GEEN goede raadgever, je moet erg oppassen voor het trekken van parallellen met het verleden.’ Voormalig CDA-ideoloog Anton Zijderveld (Malang, 1937) geeft toe dat zijn oorlogsverleden een grote rol speelt in zijn argwaan tegen het recent opgekomen populisme. ‘Ik heb als kind in een jappenkamp gezeten, waar de extreem-nationalistische Jappen vonden dat wij een lijkenstank hadden. Nu stonken wij naar heel veel, maar niet naar lijken. Als dat soort blinde vreemdelingenhaat de macht krijgt, wordt het levensgevaarlijk.’
David Van Reybrouck (Brugge, 1971): ‘Mijn band met het populisme is niet bepaald door een oorlog, maar door de opkomst van het Vlaams Blok (vanaf eind jaren tachtig, thans Vlaams Belang – red.). Mijn generatie Belgen is hevig getekend door de vraag hoe wij daar, als hoogopgeleide elite, mee om moesten gaan.’
De twee heren hebben zich in de afgelopen jaren beziggehouden met het populisme, volgens beiden een onmiskenbaar gevolg van de kloof tussen de burger en politiek. Van Reybrouck, die jaren in Nederland heeft gewoond, is romanschrijver, poëet en wetenschapper. Ook is hij auteur van het in 2008 verschenen Pleidooi voor populisme, een titel die in directe botsing komt met Zijdervelds Populisme als politiek drijfzand uit 2009. Van Reybrouck hekelt met name de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden, die doorspeelt in het parlement, waar liefst tachtig procent van de parlementsleden universitair geschoold is, terwijl het landelijk gemiddelde op acht procent blijft steken. ‘Die wanverhouding kan de groeiende politieke frustratie, of zelfs apathie bij laagopgeleiden deels verklaren. De volksvertegenwoordiging zit vol snelle jongens die de prijs van een brood niet meer kennen.’
Zijn gesprekspartner pleit juist voor een grotere afstand tussen politicus en burger: ‘Je gaat het in de Tweede Kamer toch niet hebben over de prijs van een brood?’
Uit onvrede over de gekozen koers zegde Zijderveld in april zijn lidmaatschap van het CDA op. De partij waar agnost Zijderveld sinds 1988 lid van was zou te veel de kant van de PVV op gaan. Reden genoeg voor een reeks bezorgde telefoontjes van prominente CDA’ers om hem binnenboord te houden. Tevergeefs: ‘Als je eenmaal nee hebt gezegd, moet je voet bij stuk houden. Ik heb zelfs een handgeschreven brief van Jan Peter Balkenende gekregen.’ Ondanks zijn scepsis over het populisme spreekt hij met veel genoegen over Pim Fortuyn, zijn voormalige collega aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Met Fortuyn besprak hij eind jaren negentig, glas wijn in de hand, het maatschappelijk middenveld en Tocqueville. ‘Dat vond hij prachtig.’
Van Reybrouck: ‘Het is inherent aan de populistische retoriek dat er wordt gesproken over een kloof. De populist werpt zich op als bruggenbouwer tussen volk en elite. Hij beweert altijd dat de elite niet meer weet wat er speelt bij het volk en dat hij de laatste is, of de eerste in lange tijd, die de mening van het volk kan verwoorden. Terwijl de verhouding tussen populist en volk aanzienlijk ambivalenter is: de populist speelt in op onzekerheden van het electoraat, die hij echter tegelijkertijd voedt. Hij behartigt de belangen van de diffuse massa genaamd het volk, die zich in ruil hiervoor volledig achter hem dient te scharen.
Men moet ervoor waken dat men niet alles wat een populist zegt zonder enige kennis van zaken bij het grof vuil zet. Als je populistische partijprogramma’s bekijkt, kun je niet anders dan vaststellen dat er ook zinnige dingen in staan. In de jaren tachtig en negentig werd de vergelijking met de jaren dertig en de NSDAP ook voortdurend gemaakt. Die parallel verhelderde het gevaar van het Vlaams Blok, maar veroorzaakte ook nieuwe blinde vlekken. Reële problemen die geleid hadden tot de opkomst van Filip Dewinter werden verwaarloosd, want als je er iets van zei, werd je weggezet als racist of proto-fascist.
De populisten zelf vind ik bijna inwisselbaar, Nederland heeft er in korte tijd zelfs drie op rij gehad. Hoewel ze wat charisma, stijl en sekse betreft verschillen, putten ze uit hetzelfde deel van het electoraat. Het zijn dezelfde mechanismen, of het nu om Nederland, België of Oostenrijk gaat. Het gaat over de kleine, laaggeschoolde man die vroeger zijn grieven vertaald zag door hoger geplaatste figuren binnen dezelfde zuil, terwijl dat communicatiekanaal tegenwoordig is dichtgeslibd. Hij heeft nu weliswaar een betere sociaal-economische positie, maar is tegelijkertijd zijn politieke luisterbereidheid kwijt. Zijn inspraak ging verloren en zijn welvaart is nog broos, een ideale voedingsbodem voor populisme.’
Zijderveld: ‘Een populist is iemand die beweert dat hij als enige een directe band heeft met het volk: vox populi vox dei, de stem van het volk is de stem van God. Hij pretendeert de vele angsten, zorgen en rancunes van het volk beter te kennen dan wie ook en gewapend met de “absolute waarheid” richt de grote leider van de beweging zijn pijlen vervolgens op de elite. Al is de tegenstelling tussen elite en volk in mijn ogen veelal kunstmatig. Ze was in de jaren vijftig misschien sterk aanwezig, maar het beschouwen van de elite als een paternalistisch blok is achterhaald. De samenleving van tegenwoordig is verdeeld in een veelvoud van elites: in de kunst, in het bedrijfsleven en in de politiek. De eerste echte populist in ons land is mijns inziens boer Koekoek, maar het fenomeen is zo oud als de onvrede zelf. In de verzorgingsstaat hebben we steeds gehoord dat we allemaal gelijke rechten hebben, terwijl de plichten minder belangrijk werden. Hierna kwam het neoliberale tijdperk, waar het idee van gelijkheid een illusie bleek en mensen almaar rijker werden. En toen ontstond het grote ongenoegen waar we nu nog mee kampen: waarom heb ík dat niet?
Vergeet bovendien het multiculturele element niet. Ik zie raciale xenofobie als een essentieel onderdeel van populisme. In drie decennia zijn we uitgegroeid tot een zeer multicultureel land. In de jaren vijftig draaide men zich om als er een Surinamer over straat liep, dit monoculturele Nederland vond ik benauwend. Toen ik in 1963 aankwam in New York wist ik niet wat ik zag; zo’n kleurrijke stad vond ik prachtig, daarom voel ik me zo op mijn plaats in het huidige Rotterdam. Multiculturaliteit is een feit, maar het daaraan gekoppelde multiculturalisme is in mijn ogen een verderfelijke ideologie. Daar heb ik het met Pim Fortuyn vaak over gehad. Als je ook maar iets zei over de veranderingen die de multiculturele samenleving nu eenmaal met zich meebracht, werd je, net als in België, als racist gezien. En dat taboe, waardoor het ongenoegen hierover wel onderhuids moest blijven, noemde men tolerantie. Helaas concludeer ik nu dat deze klacht met Wilders weer is doorgeschoten naar een extreem-nationalisme; het is weer “eigen volk eerst”. Laatst zei ik grappend tegen een vriend dat we weer een Comité van Waakzaamheid zouden moeten oprichten.’
Van Reybrouck: ‘Rotterdam deed u denken aan New York, u was kortom gewapend met een symbolisch kapitaal dat u in staat stelde al die culturen als een verrijking en niet als een bedreiging te zien. Dat kapitaal heeft een Rotterdamse havenarbeider natuurlijk niet. Deze voelt zich bedreigd door het mogelijke verlies van welvaart en sociale positie. En dan stemt hij op iemand die zijn financiële belangen misschien niet eens het best verdedigt, maar die zijn angsten beter lijkt aan te voelen. Het is dus een dieper, sociologisch probleem. Die angsten worden door iemand als Wilders vertaald naar een antimulticultureel of anti-Europees standpunt. De elite stoort zich aan zijn onorthodoxe taalgebruik en optredens, maar of het nu Wilders, Dedecker of Dewinter is: de analyse mag niet ophouden bij de eventuele domheid en rancune van de gewone man. Er gaapt wel degelijk een kloof tussen volk en elite.’

IS DIE RANCUNE niet het grote verschil met eerdere populistische golven, zoals het vanaf 1880 opgekomen socialisme, waar emancipatie toch het voornaamste doel was?
Van Reybrouck: ‘Men teert meer op gevoelens van rancune dan op de bereidheid iets te doen aan de problemen. Het idee van volksverheffing is bij het tegenwoordige populisme helaas verdwenen, het volkse onbehagen blijkt al genoeg voor waanzinnige overwinningen. Bovendien heeft het culturele postmodernisme ervoor gezorgd dat de elite volksverheffing ging zien als een kolonisatie van de onderklasse. We hebben onze emancipatoire hoop laten vallen uit schaamte voor de idealen waar wij allemaal zo in geloofden. Ondanks de sociaal-economische vooruitgang is de onderklasse moreel en cultureel dakloos geworden. Paul Scheffer zei ooit terecht dat de zwaarste lasten van de mondialisering terecht zijn gekomen op de schouders van de mensen die er het minst voor zijn uitgerust. De minst opgeleiden zijn veruit het meest in aanraking gekomen met de donkere kanten van de moderne tijd.’
Zijderveld: ‘Ik denk dat de grootste winst bij de emancipatie van allochtonen te halen valt. De nieuwere generaties integreren wel, maar dat is niet genoeg. De islam hoeft daarbij geen remmende factor te zijn. Juist de liberale moslims moeten zich laten horen, maar ze worden door de vijandige woorden van Wilders meer gehinderd dan ooit. Vandaar mijn kritiek op het CDA, dat steeds meer tegen de PVV aanschurkt. De PVDA laat het afweten, het CDA nu ook en de VVD heeft er nooit iets mee op gehad.’
Na lezing van uw boeken stellen wij vast dat de een pleit voor een kleinere afstand tussen politicus en burger, terwijl de ander stelt dat de kloof juist te klein is geworden.
Van Reybrouck: ‘Ik schaar mij niet achter de populist en zijn boodschap, ik heb er zelfs moeite mee, maar ik vind het veel te gemakkelijk om de motieven zomaar als onwetendheid van de kiezer af te doen. Nog voordat mensen stemgerechtigd zijn, kun je aan hun opleidingsniveau en hobby’s al zien of ze populistisch gaan stemmen. De kloof tussen hoog- en laagopgeleiden is groter dan ooit, wat zich in de Tweede Kamer perfect laat illustreren. Het parlement is overbevolkt met hoogopgeleiden. Wij bevinden ons in een diplomademocratie (een term van bestuurskundige Mark Bovens – red.), die ervoor heeft gezorgd dat een groot deel van het volk zich niet vertegenwoordigd ziet.’
Zijderveld: ‘Daar ben ik het grondig mee oneens. Het werk in Den Haag en Brussel is zo moeilijk en abstract dat ik blij ben dat er vertegenwoordigers zijn die dat vak aanzienlijk beter kunnen uitoefenen dan ik. De afstand moet eerder groter dan kleiner. Alleen op lokaal niveau moet het bestuur direct aansluiten bij de straat, maar hoe hoger het niveau, hoe groter het vereiste abstractievermogen. Het is bovendien niet gezegd dat mensen met een goede opleiding niet kunnen opkomen voor minder geprivilegieerden.’
Van Reybrouck: ‘Dat is precies het argument waarmee vrouwen zo lang uit het parlement zijn gehouden. (Er valt een stilte.) Natuurlijk moet het kabinet worden gevormd door de beste kandidaten, maar tegelijkertijd is het voor een democratie noodzakelijk dat het parlement een redelijke afspiegeling is van het volk. Dit hoeft mathematisch niet exact te kloppen, maar er moet een evenwicht zijn. Gandhi zei ooit: “Alles wat je voor me doet, zonder mij, doe je tegen mij” en dat is precies het gevaar van een politieke cultuur van hoogopgeleiden die de prijs van een brood niet meer kennen. De meeste parlementariërs zijn mensen als u, die het fijn vinden dat Rotterdam wat kleurrijker is geworden.’
Zijderveld: ‘Op stedelijk niveau kan het populisme doen wat de landelijke politiek niet kan: veiligheid, vuiligheid en dat soort aardse zaken regelen. Burgemeester en wethouders moeten in nauw contact staan met de burgers in de wijken, want daar liggen de concrete problemen. Leefbaar Rotterdam heeft niet voor niets drie voortreffelijke wethouders geleverd. Zodra het op landelijk niveau aankomt, is het populisme niet meer dan drijfzand: het gaat ten onder aan het eigen succes. Er moet een programma bedacht worden en coalities gesloten, en met dat water bij de wijn doen verliezen ze hun achterban. Ik vind dat we ook niet te gealarmeerd moeten zijn over de PVV. Mijn zorg gaat vooral uit naar de uitdijende olievlek van het populisme: een cultuur waarin iedereen inspeelt op een gemediatiseerde emotiepolitiek. Zelfs bij etentjes met bevriende hoogleraren hoor ik steeds meer populistische praat.
Mijn kinderen hebben bijna allemaal dubbele paspoorten. Op de leeftijd dat ik in New York kwam, was mijn zoon er al drie keer geweest. Internet staat hen bovendien toe nauwe banden te onderhouden met mensen waar ook ter wereld. De jongere generaties lijken juist veel minder last te hebben van xenofobie: ze reizen de wereld rond, hebben allochtone vrienden – al heb ik het liever over koppelteken-Nederlanders – en zijn niet zo gevoelig voor populistische vreemdelingenhaat.’
Van Reybrouck: ‘Dat is alleen een beschrijving van het probleem. U stelt de diagnose, maar levert geen remedie. Uw verwachting dat de landelijke populist, na enkele jaren goed lokaal beleid, even snel verdwijnt als hij opkwam, is wishful thinking. Het Vlaams Belang was tot voor kort de meest georganiseerde partij die ik ken. En dan schieten populisten op stedelijk niveau ook te kort: de grote bronnen van ongenoegen zijn nationale, zo niet Europese, thema’s. Mensen met een baan hebben zich door de welvaart meer kunnen permitteren. Nu beseffen ze dat ze door de financiële crisis die zo gekoesterde baan wel eens zouden kunnen verliezen. Werkloosheid is de rijkste voedingsbodem voor populisme, daar is de analogie met de jaren dertig helaas volledig op zijn plaats.
De jongeren die zo rancuneus zijn en daarmee vatbaar voor populisme zijn andere jongeren dan uw kinderen. Om de kloof tussen burger en politiek te overbruggen zal het weer tot een vorm van contact moeten komen tussen hoog- en laagopgeleiden en dat zal niet makkelijk worden. De eerste vraag die mensen op een datingsite moeten beantwoorden is welke opleiding ze hebben gevolgd. Huwelijken tussen mensen met verschillende opleidingsniveaus komen steeds minder voor.
Het Vlaams Belang is met de concurrentie van twee fatsoenlijke rechtse politici, Bart De Wever – overigens een voormalig collega-historicus – en Jean-Marie Dedecker, op z’n retour. Hun succes is belangwekkend, omdat zeker iemand als de Vlaams-nationalist Bart De Wever moeilijke dossiers bevattelijk weet uit te leggen zonder idiote verdachtmakingen. Je hebt heel goede kandidaten nodig, die weten hoe de media werken, maar tegelijk het niveau van soundbites ontstijgen. De huidige politici falen opzichtig; de enige Nederlandse kandidaat die in de buurt komt is Alexander Pechtold.’

U NOEMT BEIDEN voorbeelden van hooggeschoolde politici die laaggeschoolde kiezers wisten aan te trekken. Kennelijk is de diplomademocratie hooguit een deel van het probleem. Als we al niet kunnen vaststellen wat precies het probleem is, hoe kunnen we dan tot een oplossing komen?
Van Reybrouck: ‘Meer laaggeschoolden in het parlement is een symbolische oplossing, geen structurele. Veel belangrijker is het om de kloof tussen volk en elite te doorgronden en te dichten. Twee voorbeelden die de kloof ontstegen zijn Steve Stevaert (voormalig SP.A-voorman – red.) en Jan Marijnissen, respectievelijk café-uitbater en worstendraaier. Maar dat soort uitzonderingen zijn moeilijk te vinden; niemand wil meer politicus worden, het is een echte hondenbaan geworden. De politiek zwalkt door haar gebrek aan goede mensen en komt vervolgens met het verwijt dat de populist antipolitiek zou bedrijven. Terwijl de opkomst van het populisme in Nederland en België het kiesverzuim aantoonbaar heeft verminderd. Hoe kun je ze hier nu van betichten als ze de mensen die jarenlang niet hebben gestemd opnieuw naar de stembus krijgen?
Een partij die meedoet aan de verkiezingen hoeft in mijn ogen maar aan één voorwaarde te voldoen: de basisregels van de parlementaire democratie respecteren. Dat was bij het Vlaams Blok niet het geval, zoals de Belgische rechter oordeelde, maar bij Wilders is dat problematischer. Hij lijkt op iemand die voortdurend te hard rijdt, maar in de buurt van flitspalen keurig afremt. Hij wil zichzelf een soort rauw randje geven zonder er last mee te krijgen.’
Zijderveld: ‘Een van de redenen waarom ik me in 1988 bij het CDA aansloot was omdat ik geloofde, en dat doe ik nog steeds, dat er op maatschappelijk gebied een heel belangrijke rol is weggelegd voor de christen-democraat. Ik ben geen kerkelijk christen, maar agnost en cultuurchristen. De christenen houden er voor een groot deel hetzelfde mensbeeld op na als de moslims, en die gedeelde afkomst hebben ze schandelijk verwaarloosd. Daarom heb ik mijn partijlidmaatschap recentelijk opgezegd, vanwege het hopeloze idee dat het CDA meer de richting van de PVV op moet om de kloof met de burger te dichten.’
Van Reybrouck: ‘Er moet op een niet-paternalistische manier weer over volksverheffing gesproken kunnen worden, we moeten mensen niet langer aanspreken op hun domheid, maar op hun generositeit. We moeten empathie tonen, zonder te betuttelen. Mijn generatie is getekend door een onversneden dédain jegens de getatoeëerde klasse. We moeten die onderklasse weer, om een christelijk woord te gebruiken, liefhebben. Het volk is te belangrijk om aan populisten over te laten.’