Opheffer

De geur van de toekomst

  1. Ik zag Adriaan van Dis op de televisie. Hij zei op een bepaald moment: «We moeten niet met een loep naar de Marokkanen kijken. Als men mij met een loep zou bekijken, zou ik uit recalcitrantie ook met een burka gaan lopen.»

Ik schrok daar even van. Van Dis is toch een journalist?

Hij suggereert dat de media «alleen maar» aandacht hebben voor Marokkanen, dat er «alleen maar» negatief over ze wordt geschreven, met andere woorden dat er beleid achter zit dat je zelfs wel «verdacht» zou kunnen noemen. Kranten discrimineren, zegt hij in feite.

Dat is onzin.

Als je ziet hoe terughoudend de kranten al schrijven over wat er in een stad als Amsterdam gebeurt. Wanneer de burgemeester zelf zegt dat er spanning is in de stad, dan moet dat gemeld worden, dan hoort een krant dat uit te zoeken. Dat gebeurt gelukkig ook – en zo hoort het.

  1. Een kennis van mij schreef een televisie voorstel voor Talpa. Hij werd uitgenodigd om eens te komen praten. Men vond zijn voorstel niet goed, maar als hij een en ander iets commerciëler zou maken, kon hij weer langskomen. «Natuurlijk doe ik dat», zei mijn kennis. Ik begreep hem. Misschien zou ik het ook wel gedaan hebben.

’s Avonds zat ik met mijn dochter naar Sjostakovitsj te luisteren. Ik vertelde hoe Stalin hem onder druk zette om muziek te maken voor het volk.

«Commerciëler dus», zei mijn dochter.

In een mum van tijd was ik in een vreemd soort ruzie verwikkeld. Ik probeerde John de Mol en Berlusconi op een bepaald moment te verdedigen tegenover Stalin – eigenlijk met als enige argument dat De Mol en Berlusconi niemand vermoorden.

Dochter zei steeds maar weer: «Daar gaat het toch niet om, dat weet ik ook wel. Het gaat mij om het principe. Je vrijheid kan niet worden gereguleerd door de commercialiteit en dat is wat gebeurt en jij doet daar aan mee… Wie niet commercieel is heeft geen kans. Of alleen kans op armoede.»

Het was opeens 1971 en ik was in discussie met mijn eigen vader. Ik citeerde Sartre en Walter Benjamin, terwijl mijn vader de belangen van het kapitalisme verdedigde.

«Ik ben liever een arme dichter of schrijver, dan een rijke commerciële zak.»

Mijn vader knikte: «Je vrijheid wordt beter gegarandeerd door het kapitalisme en de commercie dan door iets anders.»

Eigenlijk heeft mijn dochter gelijk.

  1. Ik zie nergens nieuwe cultuur die me boeit. Is dat een leeftijdskwestie? Ik lees mooie boeken, ik zie goede kunst, ik hoor mooie muziek, maar de schrijvers, dichters, schilders, componisten zijn meestal dood of ze zijn hoogbejaard.

Alleen in de poëzie merk ik af en toe wat. (Ik kreeg geen vat op de gedichten van Tonnus Oosterhoff, maar ik heb die nu zo vaak gelezen, sinds ik zijn bundel – let op de bewuste verschrijving – Hersenmutor (in plaats van hersentumor) heb gekregen, dat ik het eindelijk doorkrijg…

Steeds vaker, als ik in een museum loop (en dat doe ik vaak) heb ik het idee dat ik tot een kleine elite behoor. Ik zie maar heel weinig «allochtonen» op de klassieke concerten die ik bezoek en in de musea. Op de klassieke concerten is het publiek voor het grootste gedeelte grijs en oud. Jonge mensen op het concert podium spelen voor oude mensen in de zaal. Ik heb soms het gevoel dat er niet één krant, omroep, zuil is die mij bedient. Ik hoor nergens bij. Maar waar horen al die anderen dan bij?

  1. Ik sprak laatst met de dichter George Moorman over de Russische schrijver Daniil Charms.

Charms was een vreemde man – wisselde continu bewust van identiteit. Als vorm van kunst. Hij had momenten dat hij iedere week een ander naambordje op zijn deur schroefde. Hij hield van goochelen en wiskunde. En hij schreef kinderboeken.

Stalin werd gek van hem en liet hem dan ook oppakken.

Het is een type dat ik wel gekend heb, en dat je veel zag in de jaren twintig, dertig van de vorige eeuw, maar dat geheel verdwenen lijkt te zijn.

De kunstenaars zijn aangepast.

En dan wordt het eigenlijk nooit iets.

De vraag is: stel dat Charms nu in Nederland zou leven, hoe zou het met hem gaan?

Ik denk dat het met hem afgelopen zou zijn. Maar hij zou wel eventjes beroemd zijn geweest. Hij zou in alle talkshows zijn uit genodigd. («Doe nog eens een trucje, mijnheer Charms.») Hij zou bij Talpa «sidekick» zijn geworden bij een praatprogramma. (Een eigen programma zouden ze hem niet hebben durven geven.) Steeds als een programma een gek nodig zou hebben (nationaal dictee, geldinzamelingsactie et cetera) zou hij mogen opdraven. Hij zou weinig gelezen worden. Status: Simon Vinkenoog, Bart Chabot, Jules Deelder. Maar dan iets minder, want gevaarlijker.

  1. Waarom heb ik in New York wel het gevoel van «hier gebeurt het» en waarom heb ik dat in Amsterdam niet?

Dat heeft te maken met de duidelijke hiërarchie in de kunst en de locatie. Je hebt Broadway, off-Broadway en off-off Broadway. We werden meegenomen – off-off Broadway – naar een soort kelder (de brandweer in Amsterdam zou het hebben afgekeurd) waar een eigenaardig experiment plaatsvond met dichters, stand-up comedians en musici. Men probeerde van alles: rappen op repeterende filmbeelden terwijl er een soort dans werd gedaan, men droeg gedichten voor, terwijl een naakte dame polaroids nam van haar tieten en haar kut en die voor een biljet van tien dollar verkocht (foto’s waren heel charmant onduidelijk en onscherp) – en het was natuurlijk niets, maar toch… Er zinderde iets… Er hing de geur van de toekomst… Men concipieerde er iets nieuws. «We fuck the future here…» was een zin die ik onthouden heb.