De geur van de varkensstal

Het schrijven en drijven van Theo van Gogh heeft het denken over antisemitisme onmiskenbaar goed gedaan. Het spanningsveld tussen discriminatie, onsmakelijkheid en vrijheid van meningsuiting werd blootgelegd. Het subtiele verschil tussen antisemiet zijn en antisemitische uitingen doen. Is de antisemitische bedoeling doorslaggevend of het effect op degene die er kennis van neemt? En is een scherpe aanval op een joodse schrijver hetzelfde als belediging van een heel volksdeel?

Je kunt je ook afvragen hoe je antisemitisch of discriminerend geachte uitingen het beste kan bestrijden. Zijn juridische procedures daarvoor wel de beste methode en is het aan te bevelen personen die in zo'n procedure verwikkeld zijn te boycotten?
Het lijkt zinniger al die verschillende gradaties vanaf vierkant antisemitisme via onsmakelijke grappen, ongevoeligheid, naieve of verwarde gedachtengangen en ontwetendheid tot goedbedoeld maar verkeerd uitgepakt prosemitisme ook op een verschillende manier aan te pakken. Evelien Gans bijvoorbeeld wijdt in haar boek Gojse nijd & joods narcisme een hoofdstuk aan de ingewikkelde zaak-Van Gogh. Hij is voor haar de verpersoonlijking van de gojse nijd. Hij is jaloers op het zakelijke succes van zijn collega-filmer Leon de Winter, die hij verwijt dat hij z'n joods-zijn uitvent en het oorlogsleed monopoliseert. Misschien, suggereert Evelien Gans, verschaft Theo van Gogh, zelf afkomstig uit het zielloze Wassenaar, zichzelf een identiteit door te ageren tegen de manier waarop De Winter zijn - joodse - identiteit vorm geeft.
Zij put voor deze gedachtengang uit een interview van Louis Velleman met Theo van Gogh op 6 januari 1993 in De Groene. Daarin ontkent hij op serieuze toon dat hij een antisemiet is: ‘Ik ben geen antisemiet. Als je het stukje goed leest, dan vind je er groot mededogen in met de zes miljoen vergaste joden. Bovendien stel ik daarin ook dat in Nederland bijna niemand een vinger heeft uitgestoken toen de joden werden weggevoerd - niet typisch het proza van een antisemiet… Maar aan de andere kant vind ik de beschuldiging antisemiet te zijn zo erg dat ik me gedwongen voel door te vechten tot ik niet meer verder kan.’ Hij belooft zelfs zijn excuses aan te bieden aan het joodse volksdeel: 'Het is nooit mijn bedoeling geweest de Nederlandse joden te beledigen, wel Leon de Winter.’
Theo van Gogh heeft een veertiendaagse column op de achterkant van het Amsterdamse universiteitsblad Folia. Daarin reageerde hij onlangs kort op het boek van Evelien Gans: 'Dat mevrouw Gans in haar onnozele boekje over “gojse nijd” en “joods narcisme” een heel hoofdstuk wijdde aan mijn slechte karakter en mijn “gebrek aan identiteit”, stemt natuurlijk dankbaar, al vind ik ’t wel zonde van al die bomen, het papier en de moeite. Ik vermoed dat mevrouw in vochtige dromen vaak een beurt krijgt van dokter Mengele, maar hoop haar zelf tot in lengte van jaren ook op mijn bescheiden wijze te mogen blijven inspireren.’
Ik ben nog altijd voor vrijheid van meningsuiting en tegen een beroepsverbod. Ik zou graag op een gepast niveau reageren, maar wat kan ik anders schrijven dan dat ik hoop dat dit varken in zijn eigen stront omkomt? Hij heeft blijkbaar definitief zijn identiteit gevonden en ik neem er kotsend kennis van.