Jong gestorven helden

De geur van een offer

De paradox van de jonge dode held is dat hij blijft leven bij de mytheaanbidders die wij mensen zijn. Vooral als hij zijn beroemde lijden gepassioneerd met de mensheid deelde. Jezus bleef niet voor niets tot op heden de grootste. Aan de opgeblazen iconen die hem volgden, kleeft humorloosheid.

Heel achteloos wordt in Mattheüs geschre ven over de dood van Judas. Eén zinnetje: «En hij gooide de zilverstukken in de tempel en ging zich ophangen.» Klaar. Het bloemrijke sterven is aan de helden. Je kunt het ook omdraaien: omdat ze groots, dat wil zeggen tragisch sterven, zijn ze mythe geworden. Hoe jonger, hoe mooier, hoe beter

In Mattheüs is het sterven van Jezus al een heel hoofdstuk. Een nog altijd overtuigende tekst. Alleen al die nooit overtroffen famous last words: «Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?» Over het lichamelijk sterven van Jezus deed Mattheüs weer vrij achteloos, kun je zeggen: «Maar Jezus schreeuwde opnieuw luidkeels en gaf de geest.» Daar lees je haast overheen

Maar dan! De kosmische ambiance van het sterven, zeg maar de geestelijke tegenhanger van het brekende lichaam, wordt met grootse penseelstreken neergezet. Schitterend, vooral met dat scheurende voorhang of voorhangsel, waarvan ik als jongen nooit begreep wat het betekende, maar waarvan ik toen al vermoedde dat het iets erotisch moest zijn. Een ontmaagding of zo. Klaarkomen, zegt men, is ook een beetje sterven. Nou, dat kun je in dit geval wel zeggen: «Op dat ogenblik scheurde het voorhangsel in de tempel van boven tot beneden in tweeën. De aarde beefde, de rotsen spleten uit elkaar, de graven gingen open en de lichamen van veel heiligen die ontslapen waren, werden tot leven gewekt.» Enzovoort. Want het gaat nog even door met dat sterven en daarna weer opwekken, zoals we weten. Een mythe komt nooit met weinig woorden.

Jezus werd nooit oud en dik. Hij deed nooit concessies en werd nooit een deel van de gevestigde macht. Hij, de eeuwige revolutionair, deelde zijn beroemde lijden met de mensheid. Gepassioneerd, gebroken en geil. Jezus werd dus het ultieme voorbeeld voor miljoenen grote en kleine navolgers. Het Jezus-syndroom. Enfin, we weten er alles van. Blondie zong het al, met die fijnzinnige ironie van het begin van de jaren tachtig, toen camp nog fris was: «Die young stay pretty.»

Het is natuurlijk ook een cliché van jewelste geworden, al die Rimbauds, Jim Morrissons, Nick Drakes, Kurt Cobains, Brian Jonesen, Jean-Michel Basquiats en River Phoenixen. Al die tragische films, speciale bijlagen van tijdschriften, al die van mystieke verering druipende koffietafelboeken, al die tribute-albums, al die herdenkingen. Het is bijna altijd hetzelfde en haast niet te harden.

Wat mij vooral zo irriteert aan al die opgeblazen iconen van nu, is de volstrekte humorloosheid, de getergde toon die eromheen gaat hangen. Neem nu Mary Guibert. Zij is de weduwe van Tim Buckley, held en zanger in de jaren zestig, gestorven aan een spreekwoordelijke heroïneoverdosis. Van Tim kreeg ze een zoon Jeff. Die werd ook een popster, nou ja, cultheld. Tijdens zijn leven bracht Jeff Buckley maar één cd uit. Hij verdronk in de Mississippi. Moeder beheert de erfenis. Haar huis hangt vol met Jeff. Ze schijnt ruzie met iedereen te hebben die ook een stukje van de heilige Jeff wil claimen. Er is helemaal niks mis met de muziek van Tim en Jeff. Integendeel. Maar dat ingenomen tragische sfeertje eromheen!

Zelfironie is iedere Jezus-kloon, voor zover nog in leven, vreemd. Hij (soms zij) hangt op het randje van de pathos en weet zich alleen uit het lachwekkende te onttrekken door het aanhoudende meehuilen van zijn fans. Stierf voor een generatie. Land. Ras. Klasse. Whatever. Deborah Harry, alias Blondie, werd net als wijzelf oud en dik en moe. Het was voor ons aller punkbewustzijn beter geweest als ze uit het zicht was verdwenen. Maar ja. Ze speelde eens wat in een film, schreef een stukkie, ging jazz zingen, verzorgde haar zieke man, deed een comeback; al die dingen die bij het normale leven horen en die tegen je gaan werken omdat ze maar niet veelbetekenend kunnen worden, en dus geen heldenleven.

Hoe langer het leven duurt, hoe meer vormeloosheid en willekeur, des te minder tragiek heet het dan. Pas tegen het licht van dat laatste punt wordt alles met terug werkende kracht een verhaal. Neem nu de countryzanger Hank Williams. Hij dronk zo ongenadig veel dat hij al op z'n 29ste stierf op de achterbank van een auto. Helemaal op. Hij had net z'n laatste single uit. Weer zo'n door merg en been jankend nummer en wat een titel: I’ll Never Get out of this World Alive. Werd na zijn dood dus een gigantische hit. De jonge held had zich voor ons opgeofferd en wij, de levenden, die zich tegenover de jonge dode altijd verenigd voelen, koesterden dat. Toen Hank Williams doodging, was Hank Williams geschapen.

«And there you stay, forever young», zong Bob Dylan met die schrijnende uithalen van hem. Hij begreep best hoe het zat. Maar zelf bleef hij leven om alleen al daardoor een taboe in de popmuziek te verbeelden. Doodop zong hij op zijn laatste plaat Time out of Mind, «It’s not dark yet, but it’s getting there». Het langzaam uitgaande licht. Altijd weer als ik dat nummer hoor, gaan de rillingen over m'n rug. Weten dat je over the hill bent, is misschien nog wel beklemmender dan die ene grote klap in de bloei van het leven. De aanvaarding. De berusting. Alles trager en trager. De rimpels. Het vergeten. Moe, moe, moe.

Maar doorleven is fataal voor de mythevorming. Michael Schumacher zal zich toch echt eerst spectaculair moeten doodrijden voor hij de heiligenstatus van Ayrton Senna kan krijgen. Dizzy Gillespie en Charlie Parker hebben evenveel aanspraak op de titel «grondlegger van de bebop», maar Parker snoof en zoop zich harder dan iedereen kapot en Gillespie, de matige, bleef altijd aanwezig op al die suffe jazzfestivals waarin het verleden werd nagezeurd; een jolige man met bolle wangen. Jammer voor Dizzy. Het was destijds natuurlijk ook jammer geweest voor Marlon Brando dat hij niet die rol wilde spelen in Rebel without A Cause. Maar het was nog veel meer te danken aan het feit dat hij bleef doorleven en uitdijde, dat hij nooit de blanke «oerjongere» zou worden, maar wel James Dean, die verveeld kijkende wanhopige met die te snelle sportwagen. Castro is in het dagelijkse en aftandse hier en nu de grijze dictator die saai van de ene herhaling in de andere valt; Che Guevara werd voor eeuwig die ene foto van Alberto Korda, tot op de dag van vandaag vrijwillig gedragen op T-shirts, sjaals, getatoeëerd op de arm van Diego Maradona en soms letterlijk afgebeeld als de nieuwe Jezus om de kerk weer vol te krijgen.

Een jonge, dode held is een paradox en misschien daarom wel noodzakelijk bovenaards en rijp voor de verering; hij is jong en dus achter ons (meestal), maar hij is ook dood en dus voor ons (altijd). Zodoende is hij op een moeilijk te definiëren wijze met ons. Hangt in de lucht of zo. Hoe moet je het zeggen. Ver weg genoeg om niet al te specifiek te worden. Maar tegelijk dichtbij genoeg om je mee te identificeren. De dode held verzet zich niet. Wij kunnen hem zijn. En we kunnen hem ook niet zijn. We kunnen hem aan- en uittrekken als een jas.

De paradox in het jong sterven zit er dus in dat men op die manier toch juist blijft leven. Op de omslag van die ijzige bundel Landschappen en andere gebeurtenissen (1974) staat, nauwelijks zichtbaar, de foto van een liggende jonge man. In de bundel zelf wordt daar niets over vermeld, maar later las ik dat op de foto de Russische dichter Sergej Jessenin ligt, die in 1925 te Leningrad zelfmoord pleegde. Dertig jaar oud. Over de dramatische kracht van en de fascinatie voor foto’s als deze, schreef Kouwenaar: even gaan liggen en meteen onophoudelijk/ vergeefs op het punt staan van opstaan/ in vlees/ op papier-

Na de dood begint er een proces met het menselijk lichaam dat niet prettig is om te zien. In de heldenverering wordt zoiets natuurlijk weggedrukt. Eigenlijk ken ik helemaal geen beelden van wegrottende helden. Autopsiefoto’s bestaan en werden afgedrukt in biografieën; de uitpuilende hersenen van JFK bijvoorbeeld. Er bestaat ook een foto van Marilyn Monroe na haar dood. Je weet niet wat je ziet: wat een ingevallen, zwart uit geslagen apenkop. In niets meer doet het denken aan die zich aan alle mannen ter wereld overgevende flirts tijdens haar leven. Dat zijn dus geen beelden met een grote populariteit. De jonge dode held is een stilstaande held, maar wel stilstaand in een sexy moment. De lach. De opwaaiende jurk. De ernstige pose. Nooit de onttakeling.

De held die net dood is, als het ware gevangen in het leven zelf, nog helemaal intact, nog jong en tegelijk eeuwig oud, die zien we eigenlijk het liefste. Al is dit altijd een «op het randje»-kwestie. Het is porno. Het wordt nooit openbaar T-shirt-werk. Che als het liggende lijk; die foto droeg bij aan de mythe maar werd niet de icoonafbeelding. Jezus zien we op schilderijen ook liever stervend dan afgelegd.

Maar de fascinatie van het net-dood moment is er absoluut. Bijvoorbeeld van wege auto-ongelukken. Beroemd werd die ene foto van Diana. Dat been. Die foto leidde een mythisch bestaan op internet omdat er een taboe op rustte en dat maakte het natuurlijk weer extra spannend. Er bestonden fake-versies van de foto die heel erg leken. Er werd schande van gesproken. En ten slotte wist niemand eigenlijk nog of er nu wel een echte foto bestond van een Diana van wie de kleren van het lijf waren gescheurd door de knal en die overigens op dat moment nog moest leven. Zo rijk, zo mooi, zo beroemd en tegelijk zo hulpeloos, zo Jezus. Die foto bestond in de collectieve verbeelding en dat was misschien nog wel veel sterker.

Misschien wel het beroemdste geval van jong en dood, althans qua beeld, namelijk eigenlijk dood maar toch ook nog levend, is natuurlijk Lee Harvey Oswald op het moment dat de aanstormende Jack Ruby zijn .38 special Colt Cobra in de borst van het verbijsterde slachtoffer duwt en de trekker overhaalt. Lee Harvey Oswald schreeuwt, voor altijd, vanwege de pijn of uit frustratie. Hij sluit zijn ogen en krimpt in elkaar, voor zover dat gaat met die handboeien. Een Jezus-beeld, absoluut. Het lijkt wel alsof alle Oswald-beelden daarna ook zijn vastgelegd. De jongen die niemand kende, kreeg het meest publieke einde dat denkbaar is. Lee die in elkaar stortte, bewusteloos op een brancard gelegd. De laatste foto toen hij nog leefde, uit de ambulance gedragen, het ziekenhuis in. Een uur en een kwartier duurde het voor hij dood was. Foto’s, foto’s, foto’s. Daarna het witte laken op het karretje. De autopsiefoto met het open gesneden en weer dichtgenaaide lichaam, de geopende ogen, de schotwond, de nog niet gesloten mond; al die dingen die men later met een lijk doet om het dragelijker voor ons, de levenden te maken. Het voorafgaande stadium moest dit keer helemaal naar buiten worden gebracht.

Maar ja, Oswald was wel jong (24) en zijn dood (live op televisie) was wel tragisch en riep een waaier van mediaverhalen op, maar een held werd hij nooit. Had hij Hitler maar moeten doodschieten. Daar kwam dan nog eens zijn lelijkheid bij. Oswald was niet sexy, ondanks de sexy manier waarop hij aan z'n eind kwam. Dat is natuurlijk een doodzonde in de wereld die mythologie heet. We zien die foto graag. Kunstenaars maakten er versies van. Maar we hangen hem niet op meisjes- dan wel jongenskamers.

Zo'n randgeval als Oswald is leerzaam. Misschien is beroemd worden tijdens de dood (of in het geval van Oswald eigenlijk vlak daarvoor) nog niet genoeg om een icoon te worden. Het moet eerder gebeuren, door prestaties tijdens het leven.

Neem nu Marianne Vaatstra, het meisje dat pas zestien was toen ze in Zwaagwesteinde werd gevonden; verkracht en vermoord. Marianne Vaatstra werd een symbool dat hing boven de asielzoekerscontroverse in Kollum. Een beetje zenuwachtig lachend meisje op de pasfoto. Dat fietstunneltje. Het gooien met de eieren. Op zich mediamomenten die bleven hangen. Maar Marianne Vaatstra had gewoon hartstikke pech in haar leven en daar doen we het niet voor in de Jezus-bizz. De jonge dood moet gezocht zijn. Er moet de geur van een offer omheen hangen. Niemand lijkt geïnteresseerd in een mediaversie van het door haar dood ineens veelbetekenende, korte leven van Marianne Vaatstra. Dat vinden wij geen verhaal omdat wij, mytheaanbidders, het toeval niet accepteren.

Wel een verhaal: het langdurig sterven van de jonge helden die zich maar al te bewust lijken van het feit dat hun moment lag in het jong-zijn en dat het leven daarna onverdraaglijk werd. Dat zijn de verhalen van John Lennon en Elvis Presley. Als je de Lennon-biografie van Albert Goldman leest, krijg je de indruk dat de ex-Beatle die zich in zijn huis verstopte, verslaafd raakte aan de heroïne, jaren niet eens meer de moeite nam zich aan te kleden en uit bed te stappen, met dertig kopjes espresso per dag moest voor komen in slaap te sukkelen, dit geval dus, verlost werd door zijn moordenaar Mark David Chapman, die hem eerst nog vroeg om een handtekening. Hij kreeg die ook. Daar bestaat een foto van. Lennon gebogen, schrijvend, Chapman die met een glimlach staat toe te kijken. Zes uur later zou het schot vallen. Op zo'n terloopse foto is schijnbaar niets te zien, maar de onderliggende tekst is dramatisch; hier tekent iemand zijn doodvonnis.

Ook over Elvis schreef de kwaadaardige Goldman een bestseller. Maar de ontluistering van Elvis Presley werd juist door mildere biografen overtuigender in beeld gebracht, zoals door Peter Guralnick die het tweede deel van zijn Elvis-biografie The Unmaking of Elvis Presley noemde. Die pillen. Die einde loze rij vreselijke films. De wanhoop. Het uitdijen. En dan sterven op de wc-pot.

Maar Lennon en Presley werd na hun dood alles vergeven. Sterker nog, toen begon hun heiligenleven pas echt. Lennon werd het eeuwige symbool van de vredesbeweging door zijn pathetische uitspraken over oorlog en vrede, maar vooral omdat hij «ons» zijn lijden in woord en beeld had gegeven. Zijn vreselijke jeugd. De moeizame relatie met Yoko. Zijn worsteling met de roem. Zijn eenzaamheid. Het werd allemaal geopenbaard, terwijl Paul McCartney het allemaal voor zichzelf had gehouden. Zelfs toen Paul zijn Linda verloor, gaf hij het publiek niet de kans om mee te huilen.

De Elvis-cultuur na de dood van Elvis zou echter alles overtreffen. De bedevaart naar Graceland. Fans die thuis Elvis-kamers inrichtten. Elvis-kersttapijten. De Elvis-haar in glas gegoten. Het verschijnsel Elvis-altaar, waarbij hemelse schilderijtjes van Elvis en Jezus elkaar afwisselen. Ook Elvis-fans (voornamelijk vrouwelijke) die na de dood van Elvis werden geboren, tonen een ongekend, religieus fanatisme. Hier lijkt het eindstadium bereikt van de overgave aan de jong gestorvene. Nou ja, hij werd toch nog 42. Op het randje.