A Wildlife

De geur van gevaar

In de huidige steriele en digitale wereld wordt van alle zintuigen de reukzin het vaakst vergeten. Terwijl het reukvermogen de mens juist altijd heeft geholpen om te overleven.

Leanne Wijnsma, A Wildlife © courtesy the artist

De geur van gas staat synoniem voor gevaar, maar dat was zeker niet altijd zo. In 1937 explodeert een school in Texas. De dodelijkste schoolramp in de Amerikaanse geschiedenis ooit, 295 scholieren en docenten komen om. Niemand had de lekkende gasleiding geroken en dat kon toen ook nog niet. Gas is geurloos, al zou dat kort na het ongeluk veranderen. De staat Texas nam een wet aan die verplicht om een kunstmatig geurtje toe te voegen dat als doel heeft te stinken en mensen te alarmeren, en dat niet te makkelijk mag wennen. Kort daarna volgde de rest van de wereld.

Wie nu gas ruikt, een variatie op de geur van rotte eieren, vangt de menselijke poging op om een brug te slaan tussen menselijke instincten en nieuwe, zelfgecreëerde gevaren.

Zo’n nieuw door mensen gecreëerd gevaar is online privacy-schending. Waarbij altijd de vraag terugkeert: waarom interesseert het mensen toch zo weinig? Waar blijft de opstand? Uit de Privacy Monitor van 2018, uitgevoerd door de branchevereniging van data-marketeers, blijkt dat een meerderheid van de Nederlanders zich zorgen maakt om zijn privacy en 78 procent daar meer controle over wil. Al schrijven de onderzoekers ook: ‘De Nederlander maakt zich zorgen om privacy, maar handelt tegenstrijdig.’

De tegenstrijdigheid tussen wat mensen zeggen te willen en wat mensen doen viel ook kunstenaar Leanne Wijnsma op. ‘Na de onthullingen van Edward Snowden stond iedereen op scherp en riep iedereen zijn data beter te zullen beschermen. Maar het probleem is dat onze instincten er niet op zijn gericht om ons tegen online risico’s te wapenen.’ Wijnsma deed onderzoek, las over de schoolramp in Texas en ontdekte zo dat onze neus opnieuw een oplossing zou kunnen zijn. ‘Het reukvermogen heeft de vroege mens altijd geholpen om te overleven’, vertelt ze in haar studio in de Amsterdamse Houthavens. ‘Maar nu die jagers en verzamelaars zich hebben verplaatst naar steeds digitalere omgevingen missen we reuk om ons te waarschuwen voor nieuwe gevaren. Het internet is weinig instinctief, dat wilde ik veranderen.’

Voor haar op tafel staat een hoekig object van doorzichtig epoxy, met aan de binnenkant een veelvoud aan snoertjes, lichtjes, computerchips maar ook een parfumreservoir en wifi-mogelijkheid, zodat het kan worden aangesloten op de computer. Zodra je een onbeveiligde website bezoekt of contact probeert te leggen met een onveilige internetverbinding laat het apparaatje een geur vrij: The Smell of Data, zoals het project heet.

Het prikt een beetje in de neus, vast citroen, maar heeft tegelijkertijd ook het weeïge, warme aroma dat je associeert met printers of andere elektronische apparatuur. Ook heeft het iets rokerigs. ‘Het had natuurlijk alles kunnen zijn’, zegt Wijnsma, die de geur zelf ontwierp. ‘Dat is juist het ingewikkelde. Hoe moeten data ruiken? Het moest, zo geloofde ik, iets artificieels hebben maar tegelijkertijd wel natuurlijk zijn, anders geloof je het niet. Citrus was belangrijk om het gevoel van alertheid te geven, mensen moeten wel in actie kunnen schieten.’

Ontwerpen met geur blijkt vooral spelen met associatie, onze reactie erop is grotendeels aangeleerd. ‘Mijn reactie op de datageur is anders dan die van de meeste mensen’, zegt Wijnsma. ‘Omdat ik het object heb moeten uitleggen op podia en in lezingen, associeer ik het met nervositeit. Als ik thuiskom, dit uitpak en het ruik, word ik direct zenuwachtig en begint mijn hart sneller te kloppen. Maar voor een jongetje wiens YouTube-account was gehackt werd dit de geur die hoort bij gevaar.’

Het internet is nooit een geurige plek geweest. Sterker nog, in de steeds sterielere en digitalere wereld waarin we graag spreken over beeldcultuur, belevingen en information overload is de neus altijd afwezig geweest. Zelfs nu ‘voelen’ via virtual reality (VR) zijn intrede lijkt te maken. ‘Mensen kunnen nu duizelig worden, omvallen of het gevoel hebben heel snel te gaan’, zegt Wijnsma. Dat is wellicht visuele trucage, maar wel een die de gevoelswereld realistisch dichtbij brengt.

Toch is met geur veel geëxperimenteerd. De game-wereld en bedrijven als Samsung hebben pogingen gedaan en vijf jaar geleden presenteerde de Amerikaan David Edwards trots het ‘eerste trans-Atlantische geurbericht’. Een geurcombinatie van champagne en passiefruitmacarons werd verstuurd vanuit Parijs naar het American Museum of Natural History in New York, het was tevens de lancering van de ‘oPhone’. Een toevoeging op je mobiele telefoon waarmee je geur zou kunnen versturen. Het sneuvelde al snel. De complexiteit van aroma’s laat zich niet makkelijk vertalen naar digitale codes, laat staan de veelvoud aan ingrediënten die nodig zijn. Waarmee de poging van Edwards zich voegde in een decennialange reeks van gefaalde start-ups die een poging ondernamen om het zintuig onderdeel te laten worden van online belevingen.

We swipen via apps onze geliefden tegemoet, zonder eerst aan ze gesnuffeld te hebben

‘Geur is lange tijd genegeerd geweest’, zegt de beroemde biofysicus Luca Turin in een telefoongesprek. Hij is tevens parfummaker en schrijver van meerdere boeken over het onderwerp. ‘Het is natuurlijk niet zo dat we alle andere zintuigen wel volledig doorgronden. Ook zicht, smaak, voelen en gehoor zijn omgeven door mysteries, maar een groot verschil is dat geur zich minder makkelijk laat vertalen. Van geluid kun je golven maken en kleuren vallen uiteen in drie primaire kleuren, denk maar aan de cartridges van je printer.’

Geur daarentegen bestaat uit honderden moleculen. ‘Het is simpelweg te complex. Je kunt dat niet omzetten naar een taal die je makkelijk verspreidt. Er is geen toetsenbord waar je combinaties op maakt en die jou een bepaalde geursensatie geeft. Hoe dat te doen blijft een mysterie waarvan je je kunt afvragen of het ooit wordt opgelost.’

Behalve technologische hobbels is er ook de nodige menselijke weerzin om te worden overgeleverd aan de ondoorgrondelijke mysteries van de neus en hoe die ons beïnvloeden. Ons ongemak met geur is relatief nieuw, maar ouder dan we denken, zegt geurhistoricus Caro Verbeek van de Vrije Universiteit Amsterdam. Zij organiseert maandelijks Odorama, avonden waarop wetenschappers en kunstenaars debatteren over geur. ‘In de achttiende eeuw toen industrialisatie leidde tot een opeenhoping van mensen en afval in smerige steden, ontstond het fenomeen dat we nu “odeurfobia” noemen’, vertelt ze. ‘Op zich was dat niet vreemd. Mensen werden ziek, maar bestreden vooral de stank en niet de oorzaak.’ Geur werd zo verdacht, alles moest schoon zijn.

Wat ook niet hielp was dat geur appelleert aan ons onderbewustzijn, waardoor reuk misschien wel het meest instinctieve zintuig is. ‘Je kunt je er intellectueel moeilijk toe verhouden, het spreekt meteen je emotie aan’, zegt Verbeek. Ze verwijst naar geschriften van Plato en Aristoteles die reuk al een ‘lager zintuig’ vonden omdat je het niet met distantie kunt beschouwen, of Sigmund Freud die het wegzette als dierlijk en seksueel. ‘Iets waar je je vooral niet mee bezig moest houden.’

Het waren uiteindelijk kunstenaars, de symbolisten, die zorgden voor een herwaardering van het in het verdomhoekje geraakte zintuig. Gedreven door de sterke concurrentie van fotografie en film voelden zij de noodzaak om mensen naar hun voorstellingen te lokken met intiemere zintuigen zoals reuk. ‘Nu lijken we opnieuw een geurrenaissance door te maken door de opkomst van internet, sociale media en de afsluiting van intieme zintuigen als tast, smaak en reuk’, zegt Verbeek. ‘Juist wat je digitaal niet kunt overbrengen wordt interessant. Commerciële partijen proberen als reactie daarop het te implementeren in hun online producten.’

Uiteindelijk is geur vooral een cultureel taboe, zegt Verbeek. ‘Dat we met name menselijke luchtjes bestrijden is historisch verklaarbaar, maar eigenlijk gek omdat ze zo bepalend zijn voor ons gedrag.’ Sinds vijftien jaar beginnen wetenschappers stapsgewijs aan te tonen hoe de menselijke geur in grote mate wordt bepaald door de vele beestjes, microben, die op het menselijk lichaam leven. En hoe die beestjes dus indirect ons gedrag beïnvloeden.

‘Het is noodzakelijk om uit te zoeken in welke mate onze hersenen afhankelijk zijn van de poppenspeler, de microben die we in ons leven op ons lichaam verzamelen’, schrijven neurowetenschappers in de paper The Brain’s Geppetto-microbes as Puppeteers of Neural Function and Behaviour? Waarna ze geruststellend vaststellen dat die veelvoud aan leven op het menselijk leven niet gevreesd hoeft te worden. Die biotoop is juist iets gezonds.

Toch is de mens dag in dag uit bezig om dat van zich af te poetsen. ‘We douchen elke dag en gebruiken grote hoeveelheden shampoo en parfum juist om eigen geur te maskeren’, zegt Wijnsma. Op het bureau van de kunstenaar liggen vele onderzoekspapers en boeken van wetenschappers met wie ze sinds een jaar afspreekt. ‘De anderhalve kilo aan microben die mensen met zich meedragen bepaalt bijvoorbeeld hoe aantrekkelijk we de ander vinden.’ Dat roept volgens haar wezenlijke vragen op over vrije wil, rationaliteit en de relatie tussen de mens en de rest van de natuur. Vooral in een cultuur die in toenemende mate om tekst en beeld draait. We swipen tegenwoordig via apps onze geliefden tegemoet, zonder eerst aan ze gesnuffeld te hebben.

In haar studio zet Wijnsma drie potjes lotion op tafel, haar nieuwe project A Wildlife. Samen met een groot geurbedrijf is ze verwikkeld in een zoektocht naar luchtjes die appelleren aan de dierentuin op ons lichaam en daarmee aan onze instincten. Deze keer niet om gevaar te signaleren, maar juist om anderen te herkennen en toe te laten. Als ze de doppen van de potjes voor zich afdraait, stijgt er uit het eerste een mossige, aarde-achtige aroma op. Het tweede potje is juist zurig en doet denken aan yoghurt. Het derde bevat ‘muskus’, de penetrante geur die herten eigen is.

‘Juist grond, wormen, compost en dierlijkheid contrasteren met het steriele en schone dat nu zo dominant is’, zegt Wijnsma. Inmiddels is een dispenser besteld waar de lotions in worden gegoten. Zodat mensen zich niet langer ontsmetten maar juist besmetten, met natuurlijk instinct. ‘We moeten onze neus weer gaan gebruiken.’