De geur van graven

Het is mooi als een uitgever in je gelooft. Het is mooi als een uitgever in je gelooft, zozeer dat hij niet één maar twee debuten van je uitgeeft. Niet één maar twéé debuten, samen gevat in een nauwsluitende kartonnen cassette, een cassette die de boeken als een handschoen past, de handschoen van de uitgever. Het is mooi als een uitgever in je gelooft, zozeer dat hij je zijn handschoen leent.

Dit is een alinea in navolging van Hans Hansma Marinus. Dit is de manier waarop hij schrijft, in een repeterende stijl. Je zou het ook een zich ad nauseam herhalende stijl kunnen noemen. Elke zin, elk beeld, elke gedachte duikt in de een of andere vorm, soms woordelijk hetzelfde, verderop in de tekst weer op. Keer op keer. Op keer. (Het is ook een nogal besmettelijke stijl.)
Zo is de schrijver bijvoorbeeld zeer gehecht aan de zin: ‘De vrouw aan het plein speelt een spel.’ Op vrijwel elke volgende bladzij duikt, na een witregel, een verwante zin op: 'Ze speelt een spel met de poorten en de toorens.’ 'Ze speelt een spel met de paarden en het plein.’ (Vier keer.) 'Ze speelt een spel met het paard en de ruiter.’ (Twee keer.) 'Ze speelt een spel en ze verzamelt regels.’ (Twee keer.) 'Ze speelde haar spel op de koekjesbrug.’ (Drie keer.)
Dan heeft de schrijver een nieuw idee en komt hij echt op dreef. De zin: 'In haar gedachten hoort ze de stem van Emy’ heb ik 25 keer geteld. In het laatste deel van het boek keert de koekjesbrug weer terug.
De reden voor die voortdurende herhaling blijft duister. Het zijn geen buitengewoon mooie zinnen. Je zou het ook doodgewone zinnen kunnen noemen. Een andere schrijver zou één zo'n zin per boek wel genoeg vinden.
De reden zou kunnen zijn dat Marinus de verborgen schoonheid van deze zinnen juist wél ziet, want hij is iemand met oog voor de elegantie van taal. Zo schrijft hij veel liever 'cordóva’ dan 'cordóba’, is een fotografe een fotografin en een biografe een biografin, staat de schrijver erop dat 'ookeren’ en 'toorens’ met twee o’s worden geschreven en is hij dol op bijnamen, hoe meer hoe beter: 'Er is een man, die gewoon giovánni heet, giovánni, die ook wel giánni wordt genoemd, of giánnone, of nánni en nanníno. Giovánni, tot slot, die een enkele keer ook giovannóne genoemd wordt, de grote giovánni, giovánni de grote.’
Een uitweiding als deze is geen uitzondering. Marinus heeft een woordverbruik dat tien keer zo groot is als dat van de gemiddelde schrijver. Waar die zou schrijven: 'Het stinkt in de kelder’, schrijft Marinus: 'Het ergste is natuurlijk de geur, de geur van rotting en bederf, zoals die hangt in verlaten bunkers, en in kelders en in graven. Maar meer nog, schrijft ze, meer nog lijkt de geur op de geur van onder het wegdek. De geur van dode modder, van onwrikbare pijpen en witte, gezwollen leidingen. De bijtende, witte lijkgeur van carbid, de bijtende, verzuurde geur van leven dat niet leven mag.’
Waarom Marinus zoveel woorden gebruikt, het blijft een raadsel. Mooischrijverij kun je het niet noemen, want mooi geschreven is het niet. Ook zal een beetje lezer zich afvragen hoe de schrijver te weten is gekomen hoe het in een graf ruikt, en wat bedoeld wordt met 'leven dat niet leven mag’. Je krijgt er het onaangename gevoel van dat de woorden er alleen maar staan omdat het woorden zijn, niet omdat ze iets betekenen - zoals een beginnende kok alle in de keuken aanwezige dragon, basilicum, koriander, tijm, lavas, peterselie en oregano door zijn soep roert, onder het motto: hoe meer kruiden, hoe meer smaak.
Ergens achter alle woorden wordt ook nog een verhaal verteld. Misschien moet ik zeggen: wordt een verhaal beloofd, want van echt vertellen komt het nooit. Er is wel sprake van een zekere essie, die een hoofdfiguur zou kunnen zijn, ene emy, ene gee en ene 'heereboer’, die wel wat op bijfiguren lijken, en een aantal gastrollen, onder andere voor de fotograaf claes oldenburgh, voor john cage en voor hella de jonge en haar man freek.
De laatste heeft zijn rol te danken, geloof ik, aan het feit dat hij is geboren in de pastorie waar Marinus lange tijd gewoond heeft. Verder doet freek eigenlijk niets in het verhaal.
Dat heeft hij gemeen met alle medespelers. Ze zitten wat voor het raam te dromen, fantaseren over de bijzondere levens die andere mensen leiden en schrijven elkaar brieven, waarin ze elkaar beloven alles, álles te vertellen. Dat komt er uiteindelijk niet van.
Misschien dat dit te maken heeft met het karakter van Een druppelvormig plein. In een bundel 'zendbrieven’ die zijn roman begeleiden, vertelt Marinus dat dit boek nog maar de ouverture vormt van een heuse romancyclus. Dit eerste deel zal gevolgd worden door het boek dat Marinus 'het liefst wil schrijven’: Een gezongen tooren - un campaníle cantáto.
Ik zou hem dat willen afraden. Ik zou zeggen, die geplande romancyclus, haal daar om te beginnen eens alle herhalingen uit. Schrap de helft van de vergelijkingen, alle clichés en alle buitenlandse citaten (dus ook die paternaliserende vertalingen). Alles bij elkaar, schat ik, houd je dan een roman van honderdvijftig pagina’s over, waarin de schrijver zijn echte kunnen zou moeten tonen. Zonder onzin, zonder ijdel gesnap, zonder gewichtigheid. Stop die roman voor mijn part in een cassette, als het zo nodig moet, maar laat die begeleidende 'zendbrieven’ maar zitten. Dat is zonde van de bomen.
Er zijn mensen (meestal kunstenaars) die geloven dat elke emotie, opgewekt door een kunstwerk, de waarde van dat kunstwerk aantoont. Zie bijvoorbeeld de commotie over de recent op het Filmfestival van Rotterdam vertoonde moordenaarsfilm Funny Games: de film mag misschien afschuw opwekken, maar is dat op zich geen prestatie?
In die optiek is Een druppelvormig plein een geslaagd kunstwerk, want het heeft mij van ergernis naar ongeloof gevoerd, en van de slappe lach naar onverschilligheid. Die theorie is, kortom, even onzinnig als het boek. Een kunstwerk is pas geslaagd als het overtuigt, op wat voor manier dan ook. Een druppelvormig plein is op geen enkele manier overtuigend, omdat de schrijver die overtuiging niet afdwingt, noch door zijn stijl, noch door zijn verhaal. Iemand die zo gehecht is aan de taal zou mooier moeten schrijven. Iemand die zo onder de indruk is van mooie beelden zou er niet de hele tijd zelf vóór moeten gaan staan. Iemand die zo veel belooft zou zich aan zijn beloften moeten houden.