De gevaarlijke revolutie van prins Fortuyn

We zullen nooit weten wat voor een prins Pim Fortuyn had kunnen worden: een Mozes die een nieuwe staat had kunnen stichten of een Agathocles die slechts tot vernietiging in staat was. Vrouwe Fortuna heeft de prins vernietigd. Politicoloog Ido de Haan vindt bij Machiavelli het kader om de revolutie van Fortuyn te beschrijven.

De ontreddering is groot na de moord op Pim Fortuyn. Om enige distantie te scheppen en helder na te denken, is het wellicht zinvol het voorbeeld te volgen van Niccolò Machiavelli. Na de val van zijn Florentijnse beschermheer, Piero Soderini, ontvluchtte hij in maart 1513 de stad en trok hij zich terug op zijn landgoed Sant’Andrea. Daar vond hij troost en steun in de lectuur van de klassieken: ‘Ik treed binnen in de gemeenschap van grote mannen uit de oudheid, door wie ik liefdevol ontvangen word… En vier uur lang voel ik geen enkel verdriet, vergeet ik al mijn zorgen, heb ik geen angst voor de armoede en word ik niet verontrust door de dreiging van de dood.’ In die omstandigheden schreef Machiavelli zijn Il Principeen begon hij aan de Discorsi sopra la prima deca di Tito Livio. Het zijn op hun beurt klassieke teksten geworden. Zij vormen een leidraad voor ons om te begrijpen waar we zijn, nu Pim Fortuyn is vermoord.

Machiavelli’s probleem is dat van de politieke vernieuwing. Het politieke leven wordt volgens hem beheerst door het lot, vrouwe Fortuna. Zij kan de politieke gemeenschap een tijdlang welgezind zijn, maar haar wiel draait altijd door. Wat eens goed en voordelig was, kan zó omkeren in het tegendeel en de gemeenschap te gronde richten. Het gaat met de staat net als met de tering: ‘Want als men – iets wat slechts een verstandig man gegeven is – de ongezonde ontwikkelingen die daar in de kiem aanwezig zijn, reeds vanuit de verte onderkent, kan men de zaak verhelpen. Maar wanneer men deze ontwikkelingen niet ziet aankomen en men ze zó lang laat voortwoekeren dat iedereen ze kan constateren, dan is er niets meer aan te doen.’

Een dergelijke verregaande corrumpering van de politieke gemeenschap ontstaat volgens Machiavelli wanneer de burgers de publieke instituties slechts gebruiken om daar privaat voordeel bij te halen, maar ook wanneer publieke doelen met private middelen worden nagestreefd – door achterkamertjespolitiek. De enige uitweg uit die situatie is een fundamentele vernieuwing van de politieke gemeenschap – een her-stichting van de staat.

Zo’n politieke vernieuwing vergt niet alleen een verstandig maar vooral ook een moedig man. De grote stichters, zoals Mozes en Romulus, beschikten over dergelijke kwaliteiten. Tegelijk leert de geschiedenis ‘dat zij van de fortuin alleen maar de kans kregen om aan een bepaalde werkelijkheid die vorm te geven die hun goed toescheen’. Naast geluk, moed en wijsheid beschikten Mozes en Romulus over nog een bijzondere kwaliteit. Ze waren wees, onbelast door de banden met moederschoot en vaderland, onaangetast door de verrotting die de rest van de politieke gemeenschap ondermijnde. Als eenling waren zij niet gebonden aan enig deelbelang en konden zij zich volledig wijden aan een hogere opdracht, het algemeen belang.

Zelfs met al deze gaven is politieke vernieuwing een riskante aangelegenheid. De nieuwe prins ‘heeft hen die van de oude toestand profiteren tot vijanden, terwijl hij slechts lauwe verdedigers vindt in hen die van de nieuwe toestand zouden kunnen profiteren: een lauwheid die gedeeltelijk voortkomt uit vrees voor de tegenstanders, die immers de wet aan hun kant hebben, en gedeeltelijk uit het wantrouwen van de mensen, die in feite pas geloven aan vernieuwing als zij deze in werkelijkheid ervaren hebben’. De politieke vernieuwer doet er daarom goed aan steun te zoeken bij het volk. ‘Want het doel dat het volk nastreeft, is hoogstaander dan wat de aanzienlijken beogen, aangezien de laatsten willen onderdrukken en het volk alleen maar niet onderdrukt wil worden.’ Sterker nog: de heerschappij van het volk zou weleens een manier kunnen zijn om aan de macht van Fortuna te ontsnappen. Het volk is gebrand op zijn vrijheid en daarom beducht voor politieke corruptie. ‘Niet voor niets’, zo schrijft Machiavelli bovendien in de Discorsi, ‘wordt de stem van het volk vergeleken met de stem van God: in een algemeen gedeelde opinie steekt vaak een onvermoede voorspellende kracht, en het volk lijkt soms een verborgen gave te hebben om zijn eigen geluk en ongeluk te voorzien’.

De bijzondere eigenschappen van de volksheerschappij maken politieke vernieuwing van een democratische republiek niet alleen minder urgent, maar ook een stuk gevaarlijker. Wanneer een nieuwe prins een vrije republiek wil herstichten, staan hem eigenlijk maar twee wegen open: de politieke gemeenschap vernietigen of laten voortleven volgens de eigen wetten. De eerste methode werd beproefd door de Siciliaan Agathocles, die als koning van Syracuse alle senatoren en de rijksten van de burgerij om het leven liet brengen. Daarmee verwierf hij wel macht, maar geen roem. Zijn heerschappij ontbeerde legitimiteit. Toch is het alternatief van goede stichters als Mozes en Cyrus nauwelijks haalbaar: ‘Want als iemand de baas wordt van een stad die gewend is om in vrijheid te leven, en hij haar niet vernietigt, moet hij erop rekenen zelf door haar vernietigd te worden. Zij kan immers, wanneer zij in opstand komt, altijd een rechtvaardiging vinden in het woord vrijheid en in haar vroegere bestuursvormen: dingen die men noch door de tijd noch door weldaden ooit vergeet.’

Velen in Nederland herkenden in Pim Fortuyn een nieuwe prins. De vergelijking ligt voor de hand. Hij hekelde wat hij zag als de corruptie van de Nederlandse politiek. De problemen die in de tweede helft van het paarse bewind boven aan de politieke agenda kwamen te staan – de wachtlijsten in de zorg, de verloedering van het onderwijs, de onveiligheid op straat en boven alles de problemen met nieuwkomers in de Nederlandse samenleving – weet hij aan het onvermogen van de gevestigde politieke partijen om te erkennen wat er eigenlijk aan de hand was. Steeds weer hekelde hij de ‘politieke klasse’, die in onverstaanbare taal en via achterkamertjespolitiek een gesloten circuit vormde en tot schimmige compromissen kwam. De volksvertegenwoordiging zat vol met ‘allemaal ambtenaren’, ‘er zit geen gewoon mens bij’. Daartegenover wierp Fortuyn zich op als vertolker van de stem van het volk. ‘Het woord is aan de kiezer’, zei hij steeds weer, en het was duidelijk dat hij niet alleen bedoelde dat hij uitkeek naar de verkiezingsuitslag. Hij maakte van de Nederlandse politiek in korte tijd een tweepartijenstelsel: de partij van het establishment versus de partij van het volk. Dat volk ervoer de problemen van de samenleving aan den lijve en moest bevrijd worden van de politici die het beter meenden te weten.

Fortuyn presenteerde zichzelf zo als een nieuwe Mozes. Keer op keer beschreef hij zijn intrede in de politiek als een roeping: ‘Ik heb een opdracht’. Na zijn afscheid als lijsttrekker van Leefbaar Nederland werd dat alleen maar sterker. Zijn kortstondige verblijf in de politieke woestijn stelde hem in staat zich des te beter te profileren als de eenling die onbelast door partijbelangen of programma’s, geheel op eigen kracht, de Nederlandse politiek op zijn grondvesten zou laten schudden. De chaos op de burelen van de Lijst Pim Fortuyn was daarom niet alleen het gevolg van het amateurisme van politieke avonturiers, maar een rechtstreeks gevolg van zijn afkeer van iedere vorm van geïnstitutionaliseerde politiek – de partij was niets, alleen zijn leiderschap telde.

Het imago van de eenling voedde Pim Fortuyn verder door zijn publieke persona: zijn eenzaamheid op de achterbank van zijn Daimler; zijn huis, Villa di Pietro, als een hoogstpersoonlijke vesting; zijn retraite in Italië; zijn uitgebreide verhalen over de dood van zijn ouders en zijn ongeluk in de liefde. Zelfs zijn meest persoonlijke overwegingen maakte hij openbaar. Zo schiep hij het beeld van een man op een eenzame missie, die geheel en al publiek was, geheel bevrijd van elk privaat oogmerk.

Ook in zijn politieke uitlatingen betoonde Fortuyn zich een nieuwe prins. Zijn kritiek was altijd fundamenteel, zijn oplossingen waren altijd radicaal. Dat daarvoor de bestaande politieke conventies, verdragen en wetten, tot en met de constitutie van de staat, opzij gezet moesten worden, deerde hem ogenschijnlijk niet. Hij introduceerde in de Nederlandse politiek personaliteiten en verwensingen die tot op heden als onparlementair werden betiteld, maar na wat gesputter over theater werden overgenomen door de andere lijsttrekkers. Hij stelde een stop op de zorguitgaven voor en een drastische reductie van de omvang van scholen, zonder zich te bekommeren over lopende afspraken en bestaande instellingen. Nul nieuwe vluchtelingen zouden het land binnenkomen, ook al betekende dat een schending van internationale verdragen. Als rechtgeaarde babyboomer meende hij dat alles anders kon, als je maar wilde. Die daadkracht – virtù, zou Machiavelli zeggen – zou voldoende zijn om de inertie van de zittende politieke klasse te doorbreken.

Het succes van Pim Fortuyn was dat hij het politieke leven daadwerkelijk in beweging bracht. Hij maakte de versteende politieke verhoudingen weer vloeibaar en had daarbij Fortuna aan zijn zijde. Maar het lot kan wreed zijn. Fortuna is door Machiavelli niet alleen voorgesteld als vrouw die men moest kastijden (Fortuyns misogyne wereldbeeld sluit ook hier nauw bij aan), maar ook als een rivier die alles met zich meesleurt. Men kan haar wel indammen en kanaliseren, maar een garantie voor veiligheid biedt dat nooit. Zolang het water binnen de dijken stroomt, is het gevaar te overzien, maar wie de stroom probeert te verleggen, loopt het risico erdoor te worden meegesleurd.

De conclusie lijkt voor de hand te liggen: Fortuyn heeft zelf de krachten ontketend die hem ten slotte te gronde hebben gericht. Zijn optreden leidde tot een polarisatie die bij een onzalige gek de stoppen heeft doen doorslaan. Maar die gedachte is te simpel, net zoals de omgekeerde bewering: dat zijn politieke tegenstanders het klimaat hebben gecreëerd waarin een moordenaar kon gedijen. De fluïdisering van de politieke verhoudingen en daarmee de verhoging van de inzet van het politieke spel is het gevolg van een al langer lopende ontwikkeling. De radicale kritiek op het politieke bestel, de gedachte dat de gevestigde politiek door en door corrupt is, werd niet alleen door Pim Fortuyn geformuleerd. De roep om een nieuwe prins is niet uitsluitend het gevolg van zijn media genieke optreden: hij had het geluk zijn kwaliteiten te kunnen ontplooien op het moment dat de tijd er rijp voor was.

Neem bijvoorbeeld de bijlage M van NRC Handelsblad,twee dagen vóór de moord op Pim Fortuyn verschenen. Daarin stonden interviews met een aantal hoogleraren politicologie en bestuurskunde. Net als Fortuyn, zo meende chef-redacteur Laura Starink, ‘hebben ook zij de buik vol van de nieuwe regentenklasse en vragen ze zich af of Nederland wel een democratie genoemd mag worden. Ook bij hen heerst hier en daar een revolutionaire stemming.’ En de oordelen waren inderdaad niet mals. De politieke elite is een ontoegankelijk bolwerk bestaande uit leden van immer krimpende politieke partijen die elkaar bestuurlijke functies toeschuiven. De partijen zelf zijn ‘hersendood’, maar sinds het eind van de jaren zestig ‘kom je er zonder de goede partijpapieren niet meer tussen’.

Dergelijke kritiek is niet nieuw. Zoals Piet de Rooy onlangs in Ons erfdeelheeft betoogd, is het al sinds enkele jaren bon tononder intellectuelen om de ‘een-partijstaat’, zoals Oerlemans het in 1991 noemde, te hekelen. En had niet Hans van Mierlo bij de oprichting van D66 al aangekondigd dat het tijd was het partijenbestel op de blazen? Ook toen had men het voorbeeld van een nieuwe prins, Kennedy, die als Camelot de politiek zou vernieuwen.

Zoals uit de NRC-bijlage blijkt, gaat het niet alleen om de verwording van het partijenstelsel tot een gesloten nomenklatoera. Zo meent de Groningse historicus Voerman dat het parlement is verworden tot een stempelmachine voor besluiten die elders worden genomen. De Amsterdamse politicoloog Hajer constateert dat de politieke besluitvorming zich heeft verplaatst naar nieuwe organen zonder democratische legitimatie. Ook die visie is niet nieuw: Paul Kalma en andere intellectuelen uit sociaal-democratische hoek spraken in 1995 al van een functieverlies van de traditionele politieke organen naar de ambtenarij, het Europese bestuur, de rechterlijke macht, wetenschappelijke onderzoeksinstellingen en de media. De corruptie is in deze kritiek niet zozeer het gevolg van een kloof tussen parlement en partij enerzijds, het volk anderzijds, maar eerder van een versplintering van het politieke debat: op veel plaatsen wordt gediscussieerd, maar nergens op democratisch verantwoorde wijze.

En dan is er nog een derde diagnose, die in het artikel in M opvallend genoeg ontbreekt. Die betreft de stroperigheid van de Nederlandse politiek, waarbij iedereen inspreekt maar uiteindelijk niemand verantwoordelijkheid neemt. Besluiten laten lang op zich wachten en de uitvoering stagneert door eindeloze procedures. Die kritiek staat op enigszins gespannen voet met de andere kritieken, die juist een verdergaande spreiding van zeggenschap en controle veronderstellen. Dat neemt niet weg dat deze kritieken tezamen de indruk hebben geschapen dat de Nederlandse politiek door en door verrot is. Er is een gebrek aan daadkracht en duidelijkheid, en vooral aan wederzijdse betrokkenheid tussen politiek en burgerij. De politiek is gepreoccupeerd met zijn eigen problemen en het volk voelt zich in de steek gelaten en wendt zich van de politiek af.

Deze kritiek heeft lange tijd alleen geklonken in wetenschappelijke publicaties, in brainstormsessies van het ministerie van Binnenlandse Zaken en de Amsterdamse Balie, en op de opiniepagina’s van NRC Handelsblad en de Volkskrant.Pim Fortuyn was als eerste in staat deze kritiek te formuleren als een grief van het gewone volk en te verbinden met de alledaagse zorgen van de mensen in het land. Waar GroenLinks wel de zorgen van de mensen deelde maar het jargon niet wist te vermijden, en Marijnissen weliswaar zonder jargon sprak maar veeleer protest dan daadkracht tentoonspreidde, wist Fortuyn beide met elkaar te combineren. Tegenover ambtelijk en politiek jargon plaatste hij duidelijkheid. Tegenover stroperigheid betoonde hij daadkracht. In plaats van de vervreemding tussen politici en de burgerij stelde hij zichzelf op als vertolker van de vox populi: ‘Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg’, ik sta hier niet voor mijzelf en de politieke klasse, maar ik ben ‘at your service’.

Op individueel niveau is een dergelijke dienstbaarheid zonder meer loffelijk. Als beginsel van collectieve, politieke organisatie bevat zij evenwel gevaarlijke illusies. Fortuyns act als buikspreker van het volk creëerde de suggestie dat ‘het volk’ met één stem spreekt en dat alles wat afwijkt van die stem zich te schikken heeft in een ondergeschikte positie. Dat maakte zijn kritiek op allochtonen en de islam zo venijnig: zij waren niet alleen van minder waarde omdat Fortuyn zo van de moderniteit hield, maar omdat zij niet in overeenstemming waren met de stem van het volk. Die homogeniserende werking van de vox populi is sinds zijn dood alleen maar erger geworden. Niet de moord, maar de reactie erop heeft ertoe geleid dat afwijkende geluiden buiten de orde worden geplaatst. Wie nu nog openlijk zijn ideeëngoed wil aanvallen, trotseert niet alleen de nagedachtenis van Fortuyn, maar ook de door het politieke geweld gelouterde democratie.

Kortom, de kritiek op de corruptie van de politiek is niet nieuw. Wat lange tijd een stille revolutie was, een geleidelijk uithollen en afsterven van het politieke bestel, veranderde in de laatste maanden in een openlijke ineenstorting. De meeste gevestigde partijen verloren rap hun aanhang; de paarse regering werd opeens van een gebrek aan daadkracht beschuldigd; en de legitimiteit van de politieke besluitvorming ging op in de rook van de affaires rond Enschede, Volendam en Srebrenica.

Ook de politieke vernieuwing die de Nederlandse politieke gemeenschap weer gezond moet maken komt niet uit de lucht vallen. Steeds weer wordt gewezen op het belang van directere vormen van democratie: het referendum, de gekozen burgemeester, de gekozen minister-president. Pim Fortuyn wachtte daar niet op, maar bracht die grotere directheid zelf tot stand, door zich zo expliciet tot tolk van het volksgevoel te maken. Die ingrijpende vernieuwing van het politieke bestel bleef lange tijd onder de oppervlakte van het politieke leven. Maar zij werd door Fortuyn tot actualiteit verheven.

Zo raakte Nederland in de afgelopen maanden in een revolutionaire stemming, zonder dat dit ooit zo werd genoemd. Ook dat is niet nieuw. In Nederland is het nu eenmaal de gewoonte revolutionaire momenten te bagatelliseren: in 1848 kwam de koning bijtijds bij zinnen; in 1918 beging Troelstra een vergissing en in 1945 maakte de Doorbraak al snel plaats voor de Wederopbouw. Maar een revolutie is het. Pim Fortuyn was als nieuwe prins daarvan niet de aanstichter, maar misschien veeleer het eerste slachtoffer. Door zijn dood zal nooit meer de vraag kunnen worden beantwoord wat voor soort prins hij had kunnen worden: een Mozes, die de grondslag voor een nieuwe staat zou leggen, of toch een Agathocles, die zijn macht verwierf door de politieke gemeenschap te vernietigen.