De gevangenis van foucault

DE GEKTE VAN een stad die in 1996 de Olympische Spelen mocht organiseren, de politieke corruptie die verkocht wordt als belangenbehartiging, een seksueel mijnenveld waarin raciale tegenstellingen kunnen gedijen, economisch sjacheren en sjoemelen met behulp van een Bahama-connectie, klassentegenstellingen, het gevecht tussen de sexen, religieuze bevliegingen, geruchten en schandalen, geregel en geritsel, pikante politieke incorrectheden, angst en boete, leugen en bedrog, moedwil en misverstand, geilheid en grofheid, gevangenschap en vrijheidsdrang - het zit er allemaal in en alles en iedereen raakt met elkaar verstrengeld.

Tom Wolfe, de stoïcijnse entertainer van een leespubliek van miljoenen, biedt met zijn nieuwe megaroman A Man in Full - deze week als In alles de man in het Nederlands verschenen - nog meer amusement dan met zijn vorige bestseller The Bonfire of the Vanities (1987). In die roman, waarin Wolfe met satirisch en satanisch genoegen een dolgedraaide New Yorkse maatschappij van geldwolven en politieke hyena’s schetst, ging het om de Werdegang van een overspelige Wall-Streetbankier die met zijn Mercedes verdwaald raakt in de Bronx, een zwarte scholier aanrijdt en op de vlucht slaat. In In alles de man, spelend in Atlanta, draait het om een gerucht dat maar geen officiële aanklacht wil worden hoewel de halve stad er maandenlang over spreekt omdat het gerucht explosief materiaal is: heeft Fareek ‘het kanon’ Fanon, de gevierde zwarte rugbyspeler die zich dankzij zijn speltalent uit het getto heeft bevrijd, de achttienjarige blanke dochter van Atlanta-tycoon Inman Armholster verkracht, of is er een andere versie, die de vooroordelen over seksuele gewoonten onder zwarte mannen weerspreekt? Iedereen in Wolfe’s overzichtelijke, chronologisch opgebouwde vertelling heeft zijn eigen gedachten en belangen bij deze of gene versie, totdat een onverwachte religieuze geest vaardig wordt over twee van de vijf protagonisten. 'Geld is de barometer van de wanorde.’ Dat schreef de eind vorig jaar overleden schrijver William Gaddis in zijn voorlaatste roman A Frolic of His Own (1994; zijn laatste roman Agape, Agape verschijnt waarschijnlijk nog dit jaar), een hilarisch verhaal over gekte, geldzucht en taalverdwazing in de Amerikaanse juristerij. Maar in tegenstelling tot Gaddis’ roman, die in zijn weergave van oeverloos geklets en gekakel schitterend kabaal schopt en een taallabyrint schept waarin de lezer tevergeefs zoekt naar een alwetende verteller met panoramisch overzicht, is Tom Wolfe’s In alles de man een keurig opgebouwd verhaal, afwisselend verteld vanuit vijf hoofdpersonen. Wolfe’s proza is heel vlezig en vlegelachtig, vol bravoure. Waar een andere schrijver volstaat met het suggereren van herrie, strooit Wolfe met onomatopeeën. Als een kleine jongen schrijft hij telkens weer 'toet, toet, toet!’ op als er een auto voorbijrijdt, en 'bam, bam, bam!’ als er gemept wordt. Hij benoemt alles tot in de kleinste bijzonderheden. Dat is vaak leerzaam omdat Wolfe een scherp oog heeft voor de malligheden van modes, de tirannie van de tijdgeest aanvoelt en een goed oor heeft voor jargon en slang. Hij stoffeert zijn vertelling met nauwgezette, uitgebreide beschrijvingen van de bouwkunst in Atlanta, van de kleding van jong en oud en zwart en blank, het interieur van kamers, woonhuizen en gevangenissen, van rapmuziek en schilderijen, enzovoort en zo verder. Maar hij wil meer dan de chroniqueur van zijn tijd zijn. Met één grote narratieve greep wenst Wolfe nog net op de valreep een twintigste-eeuwse Dickens, Hugo of Balzac te worden die de negentiende-eeuwse sociale en realistische roman weer nieuw leven inblaast. Bovendien houdt hij de lezer graag een spiegel voor: zo is het, take it or leave it. Op die manier moet er literatuur geschreven worden: met de vinger aan de pols van de tijd, de pen in de aanslag en de blik naar buiten. De journalist in de schrijver Tom Wolfe roert zich nog steeds, die stem kan hij maar niet tot zwijgen brengen. LIEVER DAN DE plot van In alles de man na te vertellen presenteer ik in kort bestek de vijf protagonisten waarover het vertelperspectief verdeeld is. Ieder op hun eigen wijze proberen zij zich te bevrijden van de complotten die hen omringen en waardoor ze in hun bewegingsvrijheid worden beperkt. Stuk voor stuk zitten ze in een privé-gevangenis waar ze uit willen breken. De zestigjarige ex-rugbyheld en Zuiderling Charlie Croker heeft zich opgewerkt tot een onroerend-goedmagnaat die ook nog een keten van warenhuizen in het hele land heeft: Croker Global Foods. Maar zijn lievelingsbezit is zijn plantage Turpmtime in het zuiden van Georgia, waar hij graag op kwartels mag jagen in gezelschap van zakelijk bezoek. Croker heeft zijn echtgenote Martha aan de kant gezet voor de jonge Serena en merkt dat zij niet zo plooibaar is als zijn eerste vrouw. Een van de gelukkigste dagen uit het leven van Croker was die dag in 1986 dat hij het schilderij 'Jim Bowie op zijn sterfbed’ kocht, van N.C. Wyeth: Bowie richt zich op om de Mexicanen bij de Alamo te bevechten. Het schilderij hangt in zijn privé-vliegtuig dat hem ontnomen dreigt te worden. Want hij kan de kolossale bankleningen van PlannersBanc niet meer terugbetalen. Hij leeft op zeer grote voet en wordt geconfronteerd met grote leegstand in zijn kantoorkolos in het zakencentrum van Atlanta. De bank zet hem de duimschroeven aan. Croker, man van het goede leven en product van de plantagementaliteit, is chantabel. Hij zit gevangen in zijn ouder wordende lijf en gaat gebukt onder een torenhoge schuldenlast. Hoe daar onderuit te komen? Roger White Two, door andere zwarten van de bijnaam Roger Too White voorzien omdat hij eerder een lichtbruine of beige huidkleur heeft, is een gerespecteerd advocaat die de verdediging op zich heeft genomen van Fareek Fanon, de rugbyspeler die van verkrachting wordt beschuldigd zonder dat er een aanklacht tegen hem is ingediend. Zijn vroegere schoolvriend Wes Jordan, behept met een zeer flexibel marktbewust zwart bewustzijn, is dankzij zijn politieke wendbaarheid burgemeester van Atlanta geworden. Wat kan hij voor de zaak - die geen juridische zaak is maar gevaarlijk gezoem op het Internet en in de kranten - van Fareek Fanon doen? Roger Too White blijft een wankelmoedige advocaat, iemand die maatschappelijk succes heeft maar weet dat hij gevangen zit in een huid waardoor hij nu eens voor blank en dan weer voor zwart kan doorgaan. Wat is zijn indentiteit, met wie moet hij solidair zijn, waar staat hij? Conrad Hensley is 23, verantwoordelijk en spaarzaam vader van twee kinderen en woont in Californië. Hij werkt in de diepvriesafdeling van een van de Croker-warenhuizen bij Oakland, tot hij ontslagen wordt vanwege bezuinigingen. Hij solliciteert naar een andere baan maar komt door kleine parkeerproblemen in grote existentiële moeilijkheden (een schitterend beschreven episode over 'regels zijn regels’) en wordt tot gevangenisstraf veroordeeld. De gevangenis is een snelle leerschool in overleven en stoïcijns denken. Door een misverstand stuurt zijn vrouw hem niet de thriller The Stoics’ Game van Lucius Tombs (what’s in a name?) maar The Stoics, een filosofieboek over de latere Stoa en Epictetus, de vrijgelaten slaaf van een van de hoge ambtenaren van de Romeinse keizer Nero. Door een kettingreactie van ongelooflijke gebeurtenissen komt Conrad als Cornelius Alonzo DeCasi in aanraking met Charlie Croker. Conrad breekt uit zijn gevangenis, met achterlating van zijn hele hebben en houden en identificeert zich met Epictetus, net als hij aangeraakt door de levensvonk van Zeus, net als hij gelouterd door vele beproevingen. De laatste twee protagonisten zijn min of meer kruimeldieven in het grote geheel: Raymond Peepgass is een overijverige bankklerk die voordeel en winst ruikt in een bestaan dat verpest is door overspel, echtscheiding en processen. Hij laat 'de rode hond’ in hem vrij en aast op het grote geld dat moet komen dankzij Crokers dreigende bankroet. Hij maakt kennis met Martha, de ex-vrouw van Charlie Croker die na jarenlange onzichtbaarheid de wereld weer wil betreden. Omdat hun beider belangen sporen blijven ze bij elkaar. Het meest onderhoudend van In alles de man zijn de kleine intriges, de mini-belangen, het vroeger of later moeten buigen voor het macro- of megabelang: de 'eenheid’ van de stad Atlanta, geen rassenrellen, het harmoniemodel dat de handel beschermt. Het Grote Complot overvleugelt het gepriegel in de marge. EEN CRUCIALE SCENE in Wolfe’s roman is de feestelijke opening in het Stedelijk Museum van een expositie van werken van de vroeg-twintigste-eeuwse modernist Wilson Lapeth, een homoseksuele kunstenaar die zijn seksuele geaardheid als verborgen bron voor zijn artistieke driften gebruikte. Onder de elite van Atlanta, bereid om twintigduizend dollar per tafel te betalen om 'gezien’ te worden - niet om kunst te zien - bevinden zich vier van de vijf hoofdpersonen (uiteraard ontbreekt de gevluchte gevangene Conrad Hensley). Zij luisteren naar een toespraak van de museumdirecteur, die uitlegt dat Lapeth de gevangenis als thema varieerde - naakte lichamen in een cel bijvoorbeeld - en die het waagt over Michel Foucault te beginnen, een naam die de aanwezigen niets zegt. De gevangenis is het eindpunt van een proces dat ons allemaal belast. 'De marteling begint al snel na de geboorte, maar we noemen het liever “opvoeding”, “religie”, “regering”, “gewoonte”, “conventie”, “traditie” en “westerse beschaving”.’ De mens wordt zo ingesponnen door heersende normen en waarden dat er een filosoof of een kunstenaar voor nodig is om hem weer uit die cocon, die carcerel, te bevrijden. Dat zijn de woorden van de museumdirecteur, die de tafelende chic van Atlanta met verbijstering of desinteresse aanhoort. De directeur heeft zonder twijfel Discipline, toezicht en straf: De geboorte van de gevangenis (1975) gelezen, waarin Foucault niet alleen het gevangeniswezen door de eeuwen heen aan een analyse onderwerpt maar ook de historische werkelijkheid van de ziel omschrijft. Die is geen illusie of een gevolg van ideologie, en ook is de ziel niet schuldig en strafbaar geboren zoals de christelijke theologie het wil doen voorkomen. Nee, 'ze ontstaat in procedures van straf, toezicht, tuchtiging en dwang’. De ziel is, in Foucaults woorden, een illusie van de theologen, 'gevangenis van het lichaam’. HET IS NIET waar, zoals enkele Amerikaanse en Engelse critici hebben beweerd, dat Tom Wolfe in zijn roman Foucault wil ridiculiseren. Integendeel, hij maakt dankbaar gebruik van Foucaults gevangenismetafoor om iets te kunnen zeggen over zijn hoofdpersonages, die allemaal opgesloten zitten in een beperkte denkwereld of een penibele situatie waar ze het liefst aan willen ontkomen. En had Epictetus, ex-slaaf, niet als jongeman in de gevangenis gezeten, was hij niet alles kwijtgeraakt, gemarteld, mank geworden en daarna toch een gevierd filosoof geworden? Het is geen toeval dat juist Conrad niet aanwezig is bij de opening van Lapeths tentoonstelling en de toespraak van de museumdirecteur niet hoort. Die hoeft hij ook niet te horen, want hij heeft zijn eigen beproevingen dan al doorstaan en is uit het gevang ontsnapt. Bij hem daagt het besef dat hij verder kan komen dankzij 'de levensvonk van Zeus’ die hem in staat stelt te redeneren, te handelen en de wil te ontwikkelen om te krijgen wat hij hebben wil en te vermijden wat hij niet wenst. Hij wordt een stoïcijn, een man van edele geest die Charlie Croker of all people, de ruwe bolster, weet te beïnvloeden. De geesten van Seneca en Epictetus worden vaardig over de twee belangrijkste figuren in In alles de man. Zij maken duidelijk hoe een ethisch rationalisme het leven bepaalt en hoe sterk dat het doen en laten van de mens beheerst. Denken, doen en bestaan vormen een voortdurende stroom. Wat kan gebeuren, is denkbaar, en wat denkbaar is kan door de denker ook worden gedragen. De werkelijkheid is kenbaar en in haar structuur en werking te begrijpen en te beheersen dankzij een stoïcijns-filosofische houding. (Eén stapje verder en we zijn bij de simpele levenswijsheden 'waar een wil is is een weg’ en 'wie echt wil krijgt alles voor elkaar’ aanbeland.) Het is de gevangenis van Foucault die centraal staat in Tom Wolfe’s roman, een cel waaruit je kunt ontsnappen dankzij de levensvonk van Zeus, de wilskracht van Epictetus. Maar wordt het opvoeren van het stoïcijnse gedachtengoed van Epictetus niet een deus ex machina in In alles de man, waardoor het einde - Charlie Croker en Conrad Hensley als evangelisten - potsierlijke trekjes krijgt? Een beetje, maar daar zit ik niet zo mee. Je kunt het ook uitleggen als een verwijzing naar godsdienstgekke grilligheid van Amerika. MAAR IS Tom Wolfe’s In alles de man nu een goed boek of niet? Het is onderhoudend, grappig, flauw, prettig provocatief, bij de tijd, te veel uitgesponnen, glashelder opgebouwd, clichématig, informatief en wat niet al. En toch serveert Wolfe de literatuur te veel als een veredelde vorm van journalistiek en sociologie, als een medium dat probleemloos een tijdsbeeld kan presenteren en de wereld als kenbaar kan voorstellen. Alles en iedereen vult hij in. Niets blijft onduidelijk of raadselachtig, daar waar iemand als Don DeLillo in Underworld een hele onderwereld aan gedachten en raadsels suggereert. De schrijver Wolfe is de meester van zijn universum, om een hoofdstuktitel uit The Bonfire of the Vanities aan te halen, hij blijft de onbetwistbare koning van zijn jungle. De literatuur is 'een soort dessert’ zegt een gepensioneerde universiteitsdocent Engels tegen zijn huishoudhulp Conrad Hensley. 'Het leven gaat over dingen waar je nog minder van weet. Het leven draait om wreedheid en intimidatie.’ In alles de man is te veel dessert (maar wel lekker!) en te weinig suggestie.