De gevluchte newyorker

Na zijn eigentijdse droomdebuut ‘Bright Lights, Big City’ werd Jay McInerney gebombardeerd tot voorman van de ‘brat pack’. In zijn vijfde roman ‘The Last of the Savages’ gaat hij terug naar de jaren zestig. Een gesprek met het enfant terrible van de Amerikaanse literatuur.
Jay McInerney, De laatste der Savages. Vertaald door Anneke van Huisseling, Uitg. Meulenhoff, 315 blz., 339,90
‘BRAT PACK HEEFT nooit bestaan, althans, niet in mijn beleving. Het is een groepsnaam die is gelanceerd door uitgevers, journalisten en literaire agenten die een nieuw lezerspubliek hadden ontdekt.’
Zo. Jay McInerney zegt het ferm, alsof hij kort tevoren heeft besloten dat het nu maar eens mag worden onthuld. Zijn ongenoegen is wel begrijpelijk: Jay McInerney is, wat zijn oeuvre en zijn voorkomen betreft, in niets meer de literaire brat (letterlijk: schavuit) waar hij ooit voor werd uitgemaakt. De schrijver is inmiddels de veertig gepasseerd en publiceerde in 1996 zijn vijfde roman, The Last of the Savages, een naar vorm en thema degelijke, ja, onberispelijke roman. Na enig doorvragen verdwijnt McInerneys milde ergernis over brat pack, om plaats te maken voor een soort geamuseerde nostalgie.

Ach ja, brat pack… Die goeie ouwe tijd van strak, gestroomlijnd proza over bijdehante maar verdoolde twintigers in New York of Los Angeles, met een neus vol coke en een hoofd vol verstoorde illusies meedeinend op de golven van de yuppie-cultuur. Samen met Tama Janowitz en Bret Easton Ellis behoorde McInerney tot de jonge Turken van de Amerikaanse literatuur. Hun boeken zaaiden onrust en verwarring onder de literaire critici in Amerika: Ellis met Less than Zero, Janowitz met Slaves of New York en, natuurlijk, McInerney zelf met Bright Lights, Big City, zijn eerste roman uit 1984.
Bright Lights was in alle opzichten een droomdebuut: geprezen door oudere collega’s als Norman Mailer en Richard Ford, gekraakt door de literaire kritiek - voor het soort roman dat McInerney had geschreven eens te meer een keurmerk voor kwaliteit - en massaal gekocht en gelezen door een publiek van vooral jonge lezers. Anno 1997 zijn er van Bright Lights, Big City wereldwijd overdonderend veel exemplaren, meer dan vijf miljoen, verkocht en wordt de roman beschouwd als hèt Amerikaanse debuut van de jaren tachtig.
VOOR ‘BRIGHT Lights’ uitkwam, volgde u een cursus 'creative writing’ bij Raymond Carver. Wat heeft u van hem geleerd?
'Toen ik voor het eerst iets van Raymond Carver las, was dat een openbaring. Het was aan het eind van de jaren zeventig, ik was rond de twintig. Het Amerikaanse proza werd gedomineerd door metafictie, geschreven door auteurs als William Gass en John Barth, die met hun verhalen telkens benadrukten dat literatuur uitsluitend een kunstzinnig spel van taal was, niets anders. Morele kwesties waren taboe, de notie van realisme, van een narratieve traditie, was geheel verdwenen. En toen was daar in 1976 de eerste verhalenbundel van Carver. Die vertelde gewoon een verhaal, in een messcherpe, onontkoombare stijl. Hij schreef over een alledaagse, Amerikaanse en sombere wereld, waarin de tv altijd aan stond en iedereen zwaar aan de drank was.
In het begin maakte ik de fout óók zulke verhalen te schrijven - door over Carvers dagelijks leven te schrijven. Maar ik wist weinig van werken in fabrieken en wonen in oude trailers. Daarna had ik de moed om dicht bij het leven te blijven zoals ik het in New York om me heen zag. Zes jaar later ontving ik een beurs en schreef ik mij in voor die cursus creative writing. Het eerste verhaal dat ik Carver liet lezen, is later het openingshoofdstuk van Bright Lights geworden.
Carver stelde zich tegenover zijn studenten nooit op als leermeester maar als een oudere vakbroeder die bereid was in te krimpen tot een tekstuitpluizer, een editor met schrijfervaring. Ik heb vooral van hem geleerd dat een goed stuk proza verpest kan worden door één verkeerd of onhandig gebruikt woord. Het moet perfect zijn tot in de finesses.’
Na die cursus kwam het debuut. En na het debuut kwam 'brat pack’. Dat was toch méér dan een uitgeverstrucje? Er was wel degelijk een groep jonge schrijvers opgestaan die een voor die tijd ongewoon soort proza schreef.
'Toen ik aan Bright Lights, Big City werkte, had ik echt niet het idee: ik ga een literaire stroming ontketenen. Ik had sowieso nooit verwacht dat het boek zoveel teweeg zou brengen. Bret Easton Ellis en ik schreven zonder dat we van elkaars bestaan afwisten aan romans die alleen bij oppervlakkige beschouwing enige overeenkomsten vertonen. Overigens was Less than Zero aanvankelijk afgewezen door uitgeverij Simon & Schuster. Men vond het te extreem - die kale, kille stijl van Bret.
Toen mijn boek een snaar bleek te raken bij een jong publiek, werd bij Simon & Schuster alsnog besloten om Less than Zero wèl uit te geven. Ineens waren allerlei uitgevers wild enthousiast over ons. Ze zagen eindelijk een mogelijkheid om een jong publiek te bereiken. Dat was na Salinger en de Beat Poets niet meer voorgekomen in Amerika. Bret en ik raakten bevriend, we bewonderden elkaars werk, maar beseften vanaf het begin dat onze romans meer verschillen dan overeenkomsten vertoonden.
Brets proza is donkerder, killer, kaler. Bret is een pessimist, een nihilist misschien wel. We schrijven ieder vanuit een heel andere traditie. Bret is verankerd in een strikt Europese traditie, hij voelt zich verwant met mensen als Jean Genet en markies de Sade. Ik zie sporen van Dostojevski in bijvoorbeeld American Psycho. Ik schrijf veel meer vanuit de Amerikaanse traditie: William Faulkner, Scott Fitzgerald, John Steinbeck. In essentie ben ik een romanticus, wat je van Bret bepaald niet kunt zeggen. Bret behoort tot de schrijvers die in zekere zin telkens hetzelfde boek schrijven. Hij radicaliseert zijn onderwerp; bij hem zijn alle personages altijd gevangen in een niet te doorbreken isolement. Dat isolement neemt steeds gruwelijker proporties aan, met als voorlopig eindpunt de psychologische horror in American Psycho. Ik wil mij, in stijl en onderwerpkeuze, minder streng afbakenen.’
En Tama Janowitz?
'Ik sta sympathiek tegenover Slaves of New York. Maar bij haar latere boeken ben ik afgehaakt. Kijk, na Brets debuut en het mijne wemelde het een jaar later ineens van de jonge schrijvers die het wilden hebben over een life in the fast lane, gedomineerd door coke en promiscue seks. Om het gebrek aan kwaliteit van die club van epigonen te verhullen, schermden uitgevers ineens met de term brat pack. Het was een trein die niet meer viel te stoppen. Tama Janowitz was inmiddels ook op die trein gesprongen. Maar ik was toen allang uitgestapt.’
Toch heeft u ooit het genre van de brat pack-novel verdedigd in een polemisch essay, gepubliceerd in Esquire.
Niet bekend
U werd met de publikatie van 'Ransom’, maar vooral met uw derde roman 'Story of my Life’ pas echt in de ban gedaan door de literaire kritiek.
Lachend: 'Klopt. Ik kon geen goed meer doen. Het succes van Bright Lights maakte me in de ogen van sommigen een verdacht figuur. Ik werd een soort Dan Quayle van de literatuur. Ransom was nadrukkelijk anders van stijl dan mijn debuut. Het is een introvert boek, over de ontheemding van een Amerikaan in Japan. Dat vond men om de een of andere reden inconsequent. Ik nam afstand van het genre dat ik in de ogen van anderen had ontketend. Toen kwam Story of my Life. Dat was nu weer een verheviging van het thema en de sfeer van Bright Lights, Big City. Het druggebruik van de personages is excessiever, de seks is gevoellozer, het cynisme harder, de humor bijtender.
Na Story of my Life wilde ik een nieuwe weg inslaan, met een andere stijl, een andere verhaalopbouw. Ik ging me verdiepen in het negentiende-eeuwse vertellen, in de breed uitwaaierende zedenschetsen van iemand als William Thackeray. Voor het schrijven van Brightness Falls, mijn vierde roman, wendde ik me tot die traditie, in mijn geval paradoxaal gezien een experiment. Brightness Falls is in essentie naturalistisch. Ik wilde met het gereedschap van Zola of Balzac een actueel beeld schetsen van een sociale klasse, de upper middle class in Manhattan.’
UW LAATSTE ROMAN 'The Last of the Savages’ zet qua stijl de lijn voort van 'Brightness Falls’. Maar voor het eerst is de plaats van handeling niet langer New York maar het zuiden van de Verenigde Staten. Waarom dat afscheid van uw vaste biotoop?
'In 1991 had ik echt genoeg van New York. De stad lag er verweesd en uitgeblust bij, Manhattan had nog steeds een kater van de beurskrach van 1987. Bovendien hing de sociale machinerie van New York me de keel uit. Onder Newyorkers is er dat enorme bewustzijn van een sociale hiërarchie: wat zijn iemands koersen, zit-ie in de lift of maakt-ie een vrije val?
Mijn derde echtgenote komt uit het Zuiden en wilde daar graag weer gaan wonen. Ik beschouwde het als een ideale nieuwe stap. Ik wilde me bevrijden van de publieke figuur die ik was geworden, en dat kon volgens mij alleen maar door New York achter me te laten. We besloten om voortaan de helft van het jaar in Nashville, Tennessee te gaan wonen. Het eerste wat me daar opviel,was het sterke historische besef onder de bevolking. Je moet begrijpen, in New York is er geen verleden of toekomst, er is alleen de oppermacht van het eeuwig heden. Het verleden is voor de gemiddelde Newyorker gisteren, en de toekomst beperkt zich tot de vraag: waar dineren we vanavond?
Nee, dan Tennessee… De geschiedenis is daar springlevend. Als je de weg vraagt, kan een echte southerner je antwoorden: sla de tweede straat linksaf, waar het huis van de familie zo-en-zo vroeger stond. Vroeger blijkt dan 1870 te zijn. Voor een Newyorker als ik was dat aanvankelijk bijna surrealistisch. Ik was getroffen door die geworteldheid, misschien omdat het mijzelf ontbreekt aan roots. Mijn vader was een manager voor een papiermultinational en werd overal naartoe gezonden. Ik ben opgegroeid in Genève, Londen, Vancouver, Seattle, New York. Ik vergaap mij nog steeds aan de sterke band die mijn vrouw en haar familie hebben met hun geboortegrond.’
Ontstond in Nashville het idee voor 'The Last of the Savages’?
'Ik ben altijd al gefascineerd geweest door het Zuiden: de muziek, de literatuur. Maar ik durfde het nooit aan om er een roman te situeren. Het idee voor het boek ontstond toen ik, zonder te weten waar ik precies naar op zoek was, research deed naar de bijzonderheden van de moord op Martin Luther King, die in Tennessee is doodgeschoten. Bij toeval stuitte ik op een document over het eerste interraciale huwelijk in Tennessee. Dat vond plaats in 1968. Een blanke man trouwde met een zwarte vrouw. Ik stelde me voor wat een siddering dat huwelijk teweeg moet hebben gebracht in die toen nog onverbloemd racistische samenleving.
Al heel snel was het personage Will Savage geboren, aristocratenzoon en in verzet tegen zijn familie-achtergrond. Hij trouwt een zwarte muzikante, Taleesha, en groeit uit tot een magnaat in de muziekindustrie. Will belichaamt de zuidelijke poète maudit: destructief, bacchantisch, gekweld door zelfhaat. Maar ik moest een bril hebben waardoor Will werd gezien. Dat werd Patrick Keane, de jongen die zich schaamt voor zijn eenvoudige komaf en op het maniakale af gewoon probeert te zijn.’
DE TWEE PERSONAGES hebben veel weg van Jay Gatsby en Nick Carraway uit Scott Fitzgeralds 'The Great Gatsby’. Wat bewondert u in Scott Fitzgerald?
'Nou, die link met Gatsby en Carraway is toch vooral gelegd door de kritiek. Maar ik beken: ik ben beïnvloed door Fitzgerald. Ik heb veel respect voor de manier waarop hij zijn tijd in literatuur wist te vangen. Hij heeft wat ik noem een briljante double vision. Hij beschreef de glamour en de romantiek van de jaren twintig deels van binnenuit, hij kende de wereld die hij portretteerde, de rijkdom en de sociale codes. Maar tegelijkertijd stond hij er met één been buiten en bezat hij het kille oog van de observator. Die twee polen zijn noodzakelijk om een overtuigend tijdsbeeld te kunnen geven. En behalve dat was hij gewoon een fantastisch stilist.’
Voorheen speelden uw romans zich af in de jaren tachtig, 'uw’ tijd. 'The Last of the Savages’ is voor een belangrijk deel gesitueerd in de jaren zestig.
'Ik ben te jong om Woodstock bewust te hebben meegemaakt. Maar wat was ik er graag bij geweest… Het is tegenwoordig heel gemakkelijk en eigenlijk ook politiek correct om neerbuigend en lacherig te doen over de jaren zestig, en dan vooral over het idealisme en de flower power. Ik begrijp dat niet. Het verwijt is meestal dat de hippie-idealen zo grenzeloos naïef en daardoor belachelijk waren. Ik vind het niet iets om neerbuigend over te doen dat veel mensen in die tijd werkelijk geloofden dat drugs en muziek de wereld konden veranderen; dat LSD een ingang bood naar een eeuwig geluk op een vredelievende planeet. Nee, in de jaren tachtig wisten we wel beter: idealen en geloof in liefde en vrede, dat was iets voor kneuzen. Dat dédain vind ik iets te makkelijk. Want wat is er voor in de plaats gekomen? Popmuziek heeft tegenwoordig nauwelijks nog iets te maken met provocatie en idealisme, het is nu een puur industrieel produkt.’
Aan de andere kant bestaat er het gevaar om de jaren zestig te idealiseren en overromantiseren. Dat is u door sommigen verweten.
'The Last of the Savages is natuurlijk méér dan een terugblik op de jaren zestig. Het gaat over tegenstellingen: tussen noord en zuid, blank en zwart, conformisme en rebellie, en het bestrijkt zo'n beetje drie decennia. In mijn vorige romans was de tijdsduur zéér beperkt. Ik presenteerde snapshots uit overhoop gehaalde mensenlevens. Nu heb ik het beeld vergroot. Tijd opereert nu als een vormende kracht in het verhaal. We zien hoe de tijd het leven van Will en Patrick bepaalt, terwijl beiden, vooral Will, de overtuiging hebben dat zij de tijd of in ieder geval het bééld van hun tijd kunnen meebepalen.
In de jaren zestig speelde zich een culturele burgeroorlog af, een strijd tussen de tegencultuur en het establishment. De algemene opinie is dat de laatste partij heeft gewonnen. Maar is dat wel zo? De strijd is volgens mij altijd onbeslist gebleven. We weten niet wie heeft gewonnen: Jimi Hendrix of Richard Nixon. De laatste, beweren de meesten. Hoewel ik weet dat er genoeg argumenten bestaan om het tegendeel te beweren, ben ik geneigd om Jimi Hendrix postuum te laten zegevieren. Anderen vinden dat misschien een overromantische wensgedachte. Voor mij was het een van de drijfveren om The Last of the Savages te schrijven.’