De gezondheid van Obama

Dit gebeurde me eind jaren tachtig toen ik in New York woonde. Een Amerikaan die ik goed kende, wilde met zijn moeder van 76 een weekje naar Amsterdam. Maar, vroeg hij in alle ernst, jij kent de situatie, hoe groot is de kans dat ze haar daar voor euthanasie in aanmerking laten komen? Ik heb hem toen uitgelegd dat het je als Nederlander nog heel wat moeite kostte voor je met medische hulp een eind aan je leven kon maken en dat er voor oudere dames uit het buitenland geen gevaar dreigde. Ze hebben het erop gewaagd en ze zijn gezond teruggekomen.
President Obama wil de nationale gezondheidszorg reorganiseren. Dat is hard nodig. Tientallen miljoenen Amerikanen onder wie veel van de armsten hebben geen medische verzekering. Er wordt op grote schaal vrijwilligerswerk gedaan. Dat is bij lange na niet toereikend. Het plan van Obama voorziet in een gezondheidszorg voor iedereen, waarbij kan worden gekozen tussen een verzekering door de overheid of een particuliere maatschappij. Voor een Europees publiek zou het vanzelfsprekend zijn. De hoogste tijd dat de rijkste natie ter wereld zich ook wat meer van de gezondheid van de hele bevolking zou aantrekken. Maar zo werkt de politieke cultuur in Amerika niet.
Obama heeft zijn voorstel niet zorgvuldig genoeg voorbereid. Daardoor is een hoogst onoverzichtelijke discussie ontstaan waarin zijn ruimschoots aanwezige tegenstanders ongedroomde kansen krijgen. Hij zou de gezondheidszorg willen collectiviseren. De eerste stap op weg naar de socialistische staat. Sarah Palin, John McCains kandidaat voor het vice-presidentschap, beschuldigde Obama ervan dat hij met zijn plannen voor de volksgezondheid death panels zou willen instellen, commissies die voor zieken en bejaarden zouden uitmaken of ze nog gezond genoeg zijn voor medische zorg of dat het collectief belang eist dat ze creperen. Rush Limbaugh, koning van de talkradio, en Glenn Beck van Fox News televisie, onwaarschijnlijke opruiers van het ultraconservatieve volksdeel, laten er geen misverstand over bestaan. Obama is een socialist, en misschien, zoals hij tijdens de verkiezingscampagne insinueerde, in het geheim moslim.
In Nederland zijn we intussen ook het een en ander gewend als het op verdachtmakingen en, zoals we hier zeggen, demonisering aankomt. Dat hoort tot de vrijheid van meningsuiting. Maar het is nog een braaf kinderkoortje vergeleken met wat Amerikanen zich in hoog oplopende politieke conflicten veroorloven. En een groter deel van het publiek is ontvankelijk voor zorgvuldig geleide campagnes waarin stelselmatige verdachtmakingen en leugens tot de gebruikelijke wapens horen.
Dat bleek vorig jaar nog in de laatste fase van de verkiezingscampagne. Obama werd door de Republikeinse propaganda afgeschilderd als een liberal, wat bij uiterst rechts min of meer gelijkstaat aan een socialist of communist. Hij wilde van Amerika een socialistische staat maken. Behalve een geheime moslim was hij, ook in het geheim, bevriend met William Ayers, intussen hoogleraar, maar in de jaren zeventig lid van de Weathermen Underground, die onder meer een bomaanslag op het Pentagon hebben gepleegd. Allemaal onzin, maar een soort onzin waarvoor rechtse Republikeinen hoogst ontvankelijk waren. Terrorist! werd op politieke vergaderingen geschreeuwd als Obama ter sprake kwam. Kill him! Arab! Off with his head!
Na de overwinning in november kwam de euforie, en na de inauguratie in januari braken de wittebroodsweken aan. Het presidentiële paar maakte zijn reis naar Europa, het oude werelddeel raakte betoverd, niet in het minst door Michelle, en verder ook door het optreden van de nieuwe president. We kregen hier de zichtbare zekerheid dat het tijdvak van George W. Bush definitief geschiedenis was. En in Amerika leken de Republikeinen in diepe verwarring te zijn.
Natuurlijk moest aan die periode van schijnbaar onbedreigde triomf een einde komen. Misschien beleven we daarvan nu het voorspel. Dat heeft Obama dan mede aan zijn eigen overmaat aan optimisme te danken. Voor de meerderheid van de Democraten zal zijn voorstel tot hervorming van de gezondheidszorg een voorbeeld van rechtvaardigheid en redelijkheid zijn. Maar de president heeft de hardnekkige haat van de ultraconservatieve oppositie kennelijk onderschat. De haat heeft zich geremobiliseerd. Er ontstaat een situatie waarin, zoals Paul Krugman schrijft, ultrarechts in zijn voortdurend gestimuleerde woede de legitimiteit van dit presidentschap ontkent.
Als het daarbij blijft is het al ernstig genoeg. Maar op deze manier wordt een sfeer geschapen die weer een radicalisme van de daad kan stimuleren. Op 4 april 1995 blies de rechts-radicale Timothy McVeigh het staatskantoor in Oklahoma op, waarbij 168 doden vielen. Het was zijn verzetsdaad tegen een ‘tirannieke regering’; in zijn ogen een daad van pure vaderlandsliefde. Voelt op het ogenblik een McVeigh zich geroepen Amerika van Obama’s gezondheidsdienst te redden? Dat is geen theoretische vraag meer.